BoekrecensieZo hadden we het niet bedoeld

Deze reconstructie van de toeslagenaffaire doet snakken naar een drastische versimpeling van de overheid ★★★☆☆

null Beeld Avalon Nuovo
Beeld Avalon Nuovo

Deze week werd bekend dat er een parlementaire enquête naar de toeslagenaffaire komt. In hoog – misschien te hoog – tempo schreef journalist Jesse Frederik alvast een reconstructie. Over­tuigend laat hij zien dat er niet één boosdoener is aan te wijzen. Het ligt veel ingewikkelder.

Wie Jesse Frederiks reconstructie van de toeslagenaffaire achter elkaar probeert uit te lezen, voelt al snel een knellende hoofdpijn opkomen. De hersenen zoeken naarstig naar een verhaal in de gepresenteerde feiten, naar een duidelijke spanningsboog, met daders en slachtoffers, protagonisten en antagonisten desnoods, maar er valt geen verhaal van te maken. Er zijn geen hoofdpersonen, geen kwade genii. De affaire is een verbijsterende en onontwarbare kluwen van verkeerde besluiten, misverstanden, voorbarige conclusies, onjuiste interpretaties en politiek opportunisme, die er samen toe hebben geleid dat de overheid zich als een kafkaësk beest heeft gedragen.

Dit was precies de bedoeling van Frederik. ‘Onze maatschappelijke problemen worden steeds ingewikkelder, tegelijkertijd snakken we naar steeds simplistischer verhalen over die problemen’, schrijft hij in zijn inleiding. Hij wil het anders doen.

Zo hadden we het niet bedoeld is het debuut van deze autodidact, die zich vanaf zijn eerste schreden op het journalistieke pad heeft laten zien als een scherp en vooral onafhankelijk denker. Hij trekt sinds enkele jaren veel op met Correspondent-collega Rutger Bregman, waarbij de laatste de utopist is en Frederik vooral de realist. Dat is in de geschiedenis wel vaker een vruchtbare combinatie gebleken.

Zowel Bregmans bestseller De meeste mensen deugen als de eersteling van Frederik citeert voormalig Ombudsman Alex Brenninkmeijer, die al in 2013 zei: ‘Mijn uitgangspunt is dat het overgrote deel van de mensen deugt. Dat zeg ik niet zomaar. Dat zeg ik op basis van uitgebreid onderzoek en ervaring.’

Frederik maakt in zijn boek overtuigend duidelijk dat de toeslagenaffaire niet voortkomt uit kwade bedoelingen van individuen, hoezeer media en Kamerleden ons dat ook willen doen geloven. Het is veel en veel ingewikkelder.

Omdat de toeslagenaffaire zo gecompliceerd is, kunnen er vele verklaringen voor worden gegeven. Het is een gelaagd verhaal. Frederik laat zijn verhaal beginnen in 2013, ten tijde van de Bulgarenfraude, waarbij op basis van nepadressen zorg- en huurtoeslag werden aangevraagd.

Hij had nog verder kunnen teruggaan. Naar het einde van de 20ste eeuw, toen de Nederlandse overheid steeds meer nadruk ging leggen op de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Eerst door de invoering van meer marktwerking, later ook door regelingen voor het persoonsgebonden budget en toeslagen, waarbij de burger geld krijgt en zelf mag bepalen waar ze dat aan wenst te besteden.

Malafide tussenpersonen vulden deze verantwoordelijkheid op geheel eigen wijze in en ontdekten al snel dat het vrij eenvoudig was om op oneigenlijke gronden overheidsgeld binnen te halen. De Nederlandse overheid zag dat blijkbaar niet aankomen. Toen de berichten over de Bulgarenfraude naar buiten kwamen, ontwikkelde ze een diep wantrouwen jegens haar burgers, dat uiteindelijk uitmondde in een heksenjacht op ouders die hun formulieren voor de kinderopvangtoeslag niet helemaal correct hadden ingevuld.

De kiezer behagen

Maar daarmee zijn we er niet. Frederik laat ook overtuigend zien dat de Kamer is vergeten wat haar belangrijkste taak is. In plaats van namens de burger geduldig en consciëntieus te werken aan betere wetten, zien de meeste Kamerleden het als belangrijkste taak om, aangemoedigd door berichten in de media, het ongenoegen van de bevolking te verwoorden. Daardoor bleef jarenlang onzichtbaar hoe desastreus de toeslagenwetgeving uitpakte.

Dat zou je kunnen veroordelen, maar enig mededogen met de Kamerleden is op zijn plaats. Bijna elk Kamerlid moet vrezen dat hij of zij na de verkiezingen niet terugkeert. Bij gebrek aan vertrouwen van de kiezers doen ze er alles aan om hen te behagen, met als gevolg dat de minachting van een deel van het electoraat eerder toe- dan afneemt.

Binnen de uitvoerende macht – de regering – is het grootste probleem dat de meeste politici vooral bezig zijn met het beschermen van de eigen positie, met een enorme schare woordvoerders als een soort communicatieve lijfwacht. Onwelgevallige informatie die de minister in de problemen kan brengen, wordt het liefst zo lang mogelijk onder de pet gehouden. Als dat niet meer lukt, slaan de woordvoerders enthousiast aan het spinnen, om te voorkomen dat de minister schade oploopt. Kwalijk natuurlijk, maar wellicht komt dit ook weer voort uit een vertrouwenscrisis. Ministers zijn doodsbang dat ze publicitair worden gelyncht als ze openheid van zaken geven. En die angst is vaak terecht.

Meer vertrouwen op alle fronten zou de Nederlandse representatieve democratie, kortom, enorm helpen. Of zoals Frederik het in zijn slotwoord formuleert: ‘Laten we geen land worden waar we uitgaan van de slechtste vermoedens over elkaar, waarin we elkaars intenties voortdurend in twijfel trekken. De veronderstelling van kwade wil is een kanker.’

De snelheid waarmee Frederik het verhaal heeft opgetekend is bewonderenswaardig, maar hij had best wat meer tijd mogen nemen voor zijn analyse en de vertelkunst. De wetgevende kant beschrijft hij heel precies, maar hij heeft weinig oog voor culturele en persoonlijke factoren. Ook slaat hij soms door in zijn ijver om te bewijzen dat de Belastingdienst slechts de wet heeft nageleefd en dat de daders dus elders moeten worden gezocht.

null Beeld De Correspondent
Beeld De Correspondent

De rol van de media

Geheel in de geest van De Correspondent moeten ook bij Frederik de mainstreammedia het ontgelden. Soms is dat terecht. Frederik heeft gelijk dat media soms te snel op zoek zijn naar daders en slachtoffers, in plaats van eerst uitgebreider en diepgravender te analyseren wat er is misgegaan. Media moeten niet belangrijk maken wat spannend is, maar spannend maken wat belangrijk is, vindt hij. Ook daarin heeft hij een punt.

Maar hij vergeet dat journalisten vaak met gebrekkige informatie moeten werken. Journalisten en ook Kamerleden als Pieter Omtzigt, die als een van de weinigen zijn wetgevende taak wel hoogst serieus neemt, hebben soms een breekijzer nodig om informatie boven tafel te krijgen. Daarbij is het soms nodig om zaken op scherp te zetten en uit te vergroten. Als journalisten ervan waren uitgegaan dat de meeste mensen deugen en de meeste ambtenaren dus ook, dan was de toeslagenaffaire waarschijnlijk nooit onthuld.

Het is jammer dat Frederik niet net zo kritisch naar zijn eigen arbeid kijkt als naar die van anderen. Zijn boek wekt de indruk dat de bronnen niet evenredig over alle hoofdrolspelers zijn verdeeld: het perspectief van de Belastingdienst komt royaal aan bod, andere perspectieven duidelijk minder. De lezer kan deze indruk niet verifiëren, want al zijn bronnen zijn anoniem. Sommige hoofdrolspelers krijgen recht op weerwoord, anderen helemaal niet. Frederik oordeelt vaak liever dan dat hij beschrijft.

Dat alles laat onverlet dat de hoofdboodschap van Frederik de moeite waard is: de overheid verkeert in een identiteitscrisis. Ze lijkt niet meer goed te begrijpen hoe ze zich tot de burger moet verhouden.

Het gevaar is groot dat de pendule na deze affaire te ver de andere kant op zal slingeren. Dat de overheid de burger van de weeromstuit blind gaat vertrouwen. Dat is in wezen al begonnen door alle getroffen ouders ongezien 30 duizend euro uit te keren, ook als ze zich wél schuldig hebben gemaakt aan fraude. Waarschijnlijk zullen we over een aantal jaar moeten constateren dat de burgers toch niet zo deugdzaam zijn als Frederik en Bregman ons willen doen geloven, dat ze niet van nature goed zijn of slecht, maar dat hun gedrag vooral een reactie is op hoe de overheid hen benadert.

Veel te complex

Frederik lijkt zich neer te leggen bij de complexiteit van de regelgeving en het feit dat er daarom geen duidelijke schuldigen aan te wijzen zijn. Maar misschien is die complexiteit nu precies het probleem. Het migrainebezorgende verhaal laat je achter met de vraag: waarom hebben we zoiets relatief simpels als het financieel ondersteunen van ouders die hun kinderen naar de opvang brengen zo ingewikkeld gemaakt? Het is dezelfde verbijstering die je bekruipt als je ziet met welk een ingewikkelde organisatie minister Hugo de Jonge (VWS) de coronapandemie te lijf gaat.

Het boek doet je snakken naar een drastische versimpeling van de overheid op alle niveaus, zodat weer duidelijk wordt wie uiteindelijk verantwoordelijk is als de overheid ontspoort. Het is niet voor niets dat de oudste overheidsuitkeringen (de AOW en de kinderbijslag) uitblinken in eenvoud. Frederik besluit zijn boek met een oproep om elkaar meer te vertrouwen, maar wellicht is het nog beter om de relatie tussen overheid en burger zo te vereenvoudigen dat vertrouwen geen rol hoeft te spelen.

Jesse Frederik: Zo hadden we het niet bedoeld – De tragedie achter de toeslagenaffaire. De Correspondent; 316 pagina’s; € 22,50.

Meer over