Deze keer geen stoeipoes voor Figaro

OPERA..

amsterdam Andermaal is het podium van het Muziektheater veranderd in een in neonlicht gehulde autoshowroom, met een knalgroene sportwagen als middelpunt. Figaro is terug, de Figaro van het regisseursduo Jossi Wieler/Sergio Morabito, dat ruim drie jaar terug zowel lof als hoon oogstte met zijn ensceneringen van de trits opera’s die Mozart schreef op libretto’s van Lorenzo da Ponte.

Figaro bevat een flinke scheut maatschappijkritiek. De moderne entourage is dan ook bedoeld als hedendaagse variant van het grafelijk hof, waar zich men zich bezighoudt met machtspelletjes en oppervlakkige seks. De inventiviteit waarmee Wieler en Morabito de gevolgen van hun verplaatsing in tijd en ruimte uitwerken is bewonderenswaardig, maar nogal kil. Figaro gebruikt een computer in plaats van een meetlat. Men deelt hier geen oorvijgen uit, maar smijt elkaar champagne in het gezicht. De tuinman Antonio ziet de page Cherubino via een bewakingscamera uit het raam springen.

De voorstelling is er ten opzichte van drie jaar terug in muzikaal opzicht op vooruitgegaan. De plaats van Ingo Metzmacher, die Mozarts noten vaak als zand door zijn vingers liet glippen, is ingenomen door de Griekse dirigent Constantinos Carydis, die met het Nederlands Kamerorkest alle hoeken en gaten van de Figaro-partituur uitkamt op expressiemogelijkheden. Dat leidt af en toe tot een knetterend geluid, maar karakter heeft deze interpretatie wel.

De kittige Daniele de Niese, die de belangrijke rol van Susanna vertolkte, is er niet bij, want ze is bezig met een Händel-tournee. Toevallig zingt ze vanavond in het Concertgebouw. Haar opvolgster, de Zweedse sopraan Marie Arnet, heeft lang niet zo’n stoeipoezerige uitstraling, maar kan vocaal wel degelijk bekoren. De destijds teleurstellend vertolkte gravin komt ditmaal beter uit de verf, dankzij de expressieve en niet al te donkere stem van de Duitse Michaela Kaune. En Cherubino is altijd hartveroverend, maar een zo overtuigend jongetje als Marina Comparato zie je toch niet vaak. Garry Magee en Luca Pisaroni zingen opnieuw de hoofdrollen van Figaro en Graaf Almaviva, Magee een tikje routineus, Pisaroni met volle inzet.

In het laatste bedrijf laten de regisseurs de illusie varen dat alles met elkaar klopt, door de verkleed- en verstoppartijen slechts op wazige televisieschermen te tonen, terwijl de hoofdrolspelers tamelijk wezenloos op het podium staan te playbacken. Dat losweken van handeling en muziek komt het inlevingsvermogen van de zangers helaas niet ten goede en laat ook nu weer een katterig gevoel na, wat Mozart en Da Ponte nu juist niet zullen hebben beoogd.

Frits van der Waa

Meer over