InterviewHet grote naaiboek

Deze gelouterde zelfmaakmodeschrijver wil ‘lekker frutten op de naaimachine’. Hoe draagt ze haar kennis over op een beginner?

Pieke Stuvel (74) en Volkskrant-eindredacteur Nienke van Leverink (34) schreven samen Het grote naaiboek. De laatste was niet handvaardig, de eerste is al decennialang een succesvol zelfmaakmodeschrijver. Hoe was het voor haar om samen te werken met een beginner?

Pieke Stuvel en Nienke van Leverink, auteurs van Het grote naaiboek. Beeld Samira Kafala
Pieke Stuvel en Nienke van Leverink, auteurs van Het grote naaiboek.Beeld Samira Kafala

Elke keer wanneer ik Pieke Stuvels huis binnenkom, ben ik weer onder de indruk. Het huis in Zandvoort, in zachte tinten geschilderd, barst van de smaakvolle accenten. Een wand vol handgeschilderd servies, kasten vol boeken, schilderijen (waaronder door goede vriendin Neeltje Maria Min gemaakte collages) en dan is er natuurlijk het atelier. Een ruime kamer met een boograam, vol met tekenmaterialen, knipsels, geborduurde gedichten van Emily Dickinson, maskers van eierdozen en vogeltjes van lege wc-rollen. Stuvels atelier en haar werk spelen ook een rol in de video Art(ist) for Everyone, die haar dochter, model Anna de Rijk, over haar moeder maakte voor Vogue Italia.

Stuvel (74) studeerde in 1969 af aan de Rietveld Academie, tekende rubrieken over zelfmaakmode voor onder meer de Volkskrant, Het Parool, Viva en Elle en publiceerde sinds de jaren zeventig gestaag boeken, waaronder Het babykleertjesboek, de Voor de luie naaister-reeks en Uit één stuk. Het grote naaiboek, dat 2 juli verschijnt, schreven we samen voor de beginner, zoals ik. Ik behoor als 34-jarige namelijk tot de generatie die nog geen knoop kan aanzetten zonder moeders te consulteren. En onze moeders kunnen misschien niet meer zo veel als hún moeders, maar kunnen altijd nog gordijnen inkorten, gaten dichten en pakjes maken die talloze jeugdfoto’s uit de jaren tachtig en negentig sieren.

Om mijn generatiegenoten te bedienen, die toch heus wel willen maar niet weten hoe, bedacht uitgeverij Atlas Contact twee jaar geleden ons samen te brengen. De uitgeverij wist dat ik groot fan was van het Engelse tv-programma The Great British Sewing Bee, waarin deelnemers à la The Great British Bake Off elke week kledingstukken maken die worden beoordeeld door een jury, en dat ik daardoor geïnspireerd graag wilde leren naaien.

Pieke ontwierp de kleding van makkelijk naar minder makkelijk, van een platte tas tot een jas, en ik schreef over mijn eerste schreden op het pad van kleding maken, met het idee: als ik het kan, kan iedereen het.

In de studio van Pieke Stuvel. Beeld Samira Kafala
In de studio van Pieke Stuvel.Beeld Samira Kafala

In Het grote naaiboek maak je rokken van oude truien en haarbanden van maillots. Waarom inspireren juist die afgedankte kledingstukken jou?

‘Ik denk dat ik overal mogelijkheden in zie, het materiaal vraagt er gewoon om. Iemand zei ooit tegen me: ‘Jij floreert op de vuilnishoop.’ En dat is zo, het is voorbestemd dat ik met stomme, waardeloze dingen werk. Dure stoffen verknip ik toch. Bovendien is een van mijn afwijkingen dat ik nooit iets wegdoe. Ik hecht me aan alles.

‘Kleding weggooien vind ik immoreel, dat mag gewoon niet. In de jaren vijftig in Bloemendaal, waar ik ben opgegroeid, leefde iedereen zuinig. Of je arm of rijk was, je kreeg amper nieuwe kleren. Dat spreekt mij nog steeds aan. Ik heb zelfs nog stoffen van mijn moeder, zij had een goede neus voor kwaliteit.’

Heb je van haar leren naaien?

‘Mijn moeder heeft me nooit iets voorgedaan, ze vond het juist leuk mij mijn gang te laten gaan. Zij naaide wel kleren voor ons: ik weet nog dat ze montycoats heeft gemaakt voor mijn broer en mij, donkerblauwe jassen met een houtje-touwtjesluiting. Ze moet haar vingers kapot hebben geprikt op die dikke wollen stof. Toen ik begon met naaien, zei ze nooit ‘zo hoort het niet’, ze waardeerde juist mijn onorthodoxe manier.

‘Ik ging wel met haar mee naar de stoffenmarkt in Haarlem. Zij ging altijd voor kwaliteit, maar ik koop gewoon wat ik lekker vind voelen. Ik was laatst trouwens op de lappenmarkt in de Westerstraat in Amsterdam, maar daar was bijna niets meer. Ik hoop niet dat ze door de pandemie allemaal failliet zijn.’

Hoe is schrijven over kleding maken je beroep geworden?

‘Op de lagere school was ik al een van de weinigen die borduren en naaien leuk vonden. In de jaren zestig ben ik de mode-opleiding aan de Rietveld Academie in Amsterdam gaan doen. In het laatste jaar kreeg je dan meer couture-achtige les. Ik vond het leuk om het vak te leren, maar ik hield het liever simpel.

‘In de jaren zeventig klooide iedereen ook maar wat aan: al die hippiedingen waren een beetje klunzig. Dat vrije en wilde vond ik leuk. In die tijd woonde ik naast de Albert Cuyp (een dagmarkt in Amsterdam, red.), daar haalde ik veel stoffen. Of op het Waterlooplein, waar ik nog eens een art-decokussen heb gekocht waar ik een hes van heb gemaakt. Je had veel Afghaanse winkels en overal boetiekjes. Als je een naaimachine had en een ruimte huurde, had je een boetiek.

‘Toen begon ik zelfmaakmode te tekenen, voor het tijdschrift Viva. De ruimte was beperkt, dus moest het simpel zijn, van een sjaal een vest maken of zo. Ik had een keer een breipatroon voor een streepjesvest gemaakt. Vervolgens zag ik in de stad veel mensen in dat vest lopen, in allerlei kleuren. Dat was wel leuk. Het eerste pakje van mijn zoon Joris kwam in de Volkskrant terecht en dat was weer het begin van mijn eerste boek.‘ Dat liep zo door tot in de jaren tachtig en toen lag ineens alles stil door de omslag naar fast fashion. Rond 2005 was het weer hip om zelf kleding te maken en sindsdien schrijf ik daar weer over.’

null Beeld Samira Kafala
Beeld Samira Kafala

Hoe zou je jouw stijl omschrijven?

‘Ik voel me thuis in simpele kleren. Toen ik jong was, dacht ik: later koop ik één keer per jaar iets moois en goeds. Dat werd maken, want er was weinig geld. Ik draag kleding serieel. Ik heb jarenlang rondgelopen in een strakke rok met iets erboven, nu woon ik in de wijde broek die ik voor Het grote naaiboek heb ontworpen. Ik draag hem met een T-shirt of een overhemd of iets verknipts.

‘Ik draag graag een soort uniform, dan ben je snel klaar en heb je meer tijd over om weg te dromen. Ik wilde zo veel kanten op, maar door kinderen en werk kwam ik altijd tijd tekort. Ik wil nog wel ontwerpen, maar niet meer maken. Dit is echt mijn laatste naaiboek.’

Hoe was het om met zo’n beginner samen te werken, die de simpelste aanwijzingen nog niet begreep?

‘Leerzaam. Het dwong mij dingen nóg beter uit te leggen. In Het grote naaiboek komt dus die wijde broek voor. Je wilt dat die voor alle maten te maken is en dat het patroon eenvoudig te tekenen is. Daar moet je dan een simpel systeem voor bedenken. Al moet ik zeggen dat het ook weer niet zo erg gesteld is met jouw generatie als je doet voorkomen. Ik vind de millennials een stuk aardiger dan de vele egotrippers uit de jaren zeventig.

‘Wat ik aan jou zo interessant vind, is dat je tijdens dit boekproces een hele onlinegemeenschap hebt gevonden die zich met naaien bezighoudt. Ik werk zelf namelijk zeer solistisch en ben behoorlijk digibeet. En ik vind het leuk te horen dat jouw vriendinnen hun kleding nu door jou laten repareren.’

Sterker nog: ze zijn verbijsterd dat je bijvoorbeeld een gat in een spijkerbroek zelf kunt repareren. Terwijl een spijkerbroek heel vervuilend is om te maken. Daar kan ik me best over opwinden, het gemak waarmee iedereen kleding koopt en weer weggooit.

‘Ik ben geen activist, maar ik propageer het hergebruiken van kleding al mijn hele leven tussen de regels door. Ik heb altijd gevonden: je kunt je voor heel weinig geld toch prima kleden. Gewoon de radio aan en lekker frutten op de naaimachine.’

null Beeld Samira Kafala
Beeld Samira Kafala

Pieke Stuvel en Nienke van Leverink: Het grote naaiboek. Kleren maken voor beginners. Atlas Contact; 240 pagina’s; € 24,99.

Tailleren
Pieke Stuvel in Het grote naaiboek: ‘Overhemden, blouses en (wijde) jasjes kun je ‘tailleren’ door elastiek in uitgerekte toestand aan de binnenkant te stikken. Als je alleen al de manchetten van overhemden of blouses afknipt en de mouwen op zevenachtste of driekwart lengte omzoomt en het jasje op dezelfde lengte, krijg je al een ‘jasjesachtig’ kledingstuk. Ooit werd een kaki overhemdblouse van mijn moeder door één stukje elastiek middenachter in uitgerekte toestand aan de binnenkant te stikken het lievelingsjasje van mijn dochter, dat ze alweer jaren draagt.’

Meer over