boeken

Deze boeken over de dekolonisatieoorlog in Indonesië laten zien hoe Nederland steeds de verkeerde afslag nam

In het kielzog van de eerste wetenschap­pelijke onderzoeksrapporten verschijnt deze maand een stapel boeken over de allang niet meer zo vergeten oorlog in Indonesië. Elk boek leest als een treurspel van gemiste kansen, nog schrijnender dan gedacht.

Sander van Walsum
null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen

Laten we eens wat aan de dekolonisatieoorlog in Indonesië doen, moeten meerdere uitgevers gelijktijdig hebben gedacht toen drie wetenschappelijke instituten zich enkele jaren geleden op uitnodiging van de regering indringend met dit thema gingen bezighouden. En: we laten de verschijningsdatum van onze boeken over de dekolonisatieoorlog ongeveer samenvallen met die van de wetenschappelijke publicaties.

Als gevolg van deze strategische denkwijze verschijnen deze maand zeker tien (mogelijk meer) boeken over een episode waarvan iedereen meent te weten dat ze tot voor kort aan ieders aandacht was ontsnapt. Alsof het volledige oeuvre van dr. Loe de Jong in één keer boven de lezersmarkt wordt uitgestort.

Op de gangbare veronderstelling dat hiermee eindelijk een braakliggend terrein wordt ontgonnen, is wel wat af te dingen. Inderdaad heeft de verloren oorlog zich tot voor kort niet in een bovenmatige belangstelling mogen verheugen – al verschenen ook in de vorige eeuw al geregeld boeken waarin de gruwelijke werkelijkheid achter de zogenoemde ‘politionele acties’ werd beschreven.

Maar als er nochtans sprake was van een achterstand, is die de laatste jaren wel in belangrijke mate weggewerkt door toedoen van Rémy Limpach (auteur van De brandende kampongs van generaal Spoor), Gert Oostindie (Soldaat in Indonesië), Anne-Lot Hoek (De strijd om Bali), Peter Romijn (De lange Tweede Wereldoorlog), Martin Bossenbroek (De wraak van Diponegoro), Piet Hagen (Koloniale oorlogen in Indonesië), David Van Reybrouck (Revolusi) en anderen.

Maar net zo min als Loe de Jong het gras voor de voeten van latere historici heeft weggemaaid met zijn Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog – goed voor 12 delen, verdeeld over 26 banden – hebben voornoemde historici het laatste woord gesproken over de oorlog in Indonesië. Om nog maar te zwijgen over de eeuwen van koloniale overheersing die eraan voorafgingen.

De binnenkort te verschijnen (of net verschenen) boeken over de dekolonisatieoorlog zijn dus allerminst overbodig of onderling uitwisselbaar. Wat niet wegneemt dat hun dramaturgie in grote lijnen dezelfde is: elk boek leest als ‘een treurspel van gemiste kansen’. Als het script van een roadmovie waarin steeds de verkeerde afslag wordt genomen.

Mentaal isolement

Het kernprobleem, zoals dat in bijna elk boek over de dekolonisatieoorlog wordt geschetst, is het mentale isolement van de ambtelijke elite (en van het verre moederland) ten opzichte van de uitgestrekte kolonie in ‘de Oost’. Het gros van de Nederlanders achtte de Indonesiërs niet in staat hun land (mee) te besturen en onderschatte de kracht van het Indonesische nationalisme. Het gebruik van ‘Indonesië’ als geografisch begrip gold al als subversief.

Bonifacius Cornelis de Jonge – de reactionaire gouverneur-generaal van 1931 tot 1936 – meende dat zelfstandigheid (voor zover dat voor hem überhaupt een thema was) pas na een eeuw of drie voor de Indonesiërs zou kunnen zijn weggelegd. Zelfs de, naar toenmalige maatstaven, progressieve Stuwgroep – waarvan de latere minister van Overzeese Gebiedsdelen Jan Jonkman en de latere luitenant-gouverneur-generaal Huib van Mook deel uitmaakten – meende dat Nederland de Indische rijksgenoten pas na zo’n 25 jaar helemaal zou kunnen loslaten. In die verwachting bracht de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (van maart 1942 tot augustus 1945) geen verandering.

De meeste betrokken bestuurders waren het er in 1945 wel over eens dat Indonesië een zekere mate van zelf- of meebestuur moest worden gegund (een voornemen dat koningin Wilhelmina ook in 1942 had geuit, mede om de Amerikaanse bondgenoot te behagen). Maar dat Indonesië op korte termijn een soevereine staat buiten het Koninkrijk der Nederlanden zou kunnen zijn? Nee, dat ging er bij vrijwel niemand in.

Volkomen overvallen

Zo kon het gebeuren dat Nederland volkomen werd overvallen door de ‘Proklamasi’, het uitroepen van de Indonesische zelfstandigheid, door Soekarno op 17 augustus 1945 – twee dagen na de Japanse capitulatie. Voor zover men daar in het verre moederland kennis van had kunnen nemen: de meeste kranten maakten er pas na enkele weken melding van. En zelfs toen kwam deze gebeurtenis tussen de faits divers terecht. Bestuurlijk Nederland kon of wilde zich eenvoudigweg niet voorstellen dat de ruim 70 miljoen inwoners van de uitgestrekte en veelkleurige archipel in een nationale eenheidsstaat ondergebracht wilden worden. Hooguit in een federatie die op haar beurt onderdeel zou zijn van een koninkrijksverband.

Daarin zou voor Soekarno geen, of een heel bescheiden rol zijn weggelegd. Want Soekarno had (net als zijn rechterhand Mohammed Hatta) met de Japanse bezetters samengewerkt, en werd dientengevolge – heel eurocentrisch – als de Indonesische Mussert aangemerkt. En met zo’n man doe je geen zaken, oordeelde zelfs PvdA-leider Willem Drees (minister-president vanaf 1948). De ‘onbevlekte’ Soetan Sjahrir, premier in de eerste kabinetten van Soekarno, was voor de Nederlanders wel een aanvaardbare gesprekspartner, maar hij had binnen de Republiek Indonesië te weinig medestanders om een compromisvrede met de vroegere kolonisator te kunnen sluiten. De loop van het conflict werd toenemend bepaald door de onverzoenlijken aan beide zijden.

null Beeld Claudie de Cleen
Beeld Claudie de Cleen

De Nederlanders miskenden de tekenen des tijds, of liepen achter de feiten aan. De Indonesiërs van hun kant dreigden voortdurend te worden overmeesterd door de dynamiek die Soekarno met zijn Proklamasi had ontketend. ’s Lands eerste president had geen uitgewerkt plan, laat staan een ideologie die alle tegenstellingen in de veelvolkerenstaat Indonesië omvatte, schrijven Harry Poeze en Henk Schulte Nordholt in hun boek Merdeka. In eigen land moest hij de tegenkrachten trotseren van federalisten, van inlandse notabelen die beducht waren voor het verlies van hun privileges, van gretige jonge strijders – de pemoeda – en van communisten, die geen nationale maar een sociale revolutie wensten. Soekarno’s verleden als collaborateur van de Japanners – waarmee hij zichzelf in de ogen van de Nederlandse regering had gediskwalificeerd – werd hem ook in eigen land aangerekend.

Tezelfdertijd moest Soekarno tegenover de buitenwereld, de Verenigde Staten in de eerste plaats, laten zien dat zijn republiek levensvatbaar was en dat hij zijn machtsgreep zonder Russische hulp kon voltooien. Hij had dus helemaal geen belang bij de Bersiap – de bloedige afrekening door pemoeda met (Indische) Nederlanders en Chinezen, waarbij in het najaar van 1945 vermoedelijk enkele tienduizenden mensen om het leven zijn gekomen. Daarentegen wekte Soekarno vertrouwen bij de Amerikanen met het neerslaan van een communistische opstand in 1948. De academische distantie die Poeze en Schulte Nordholt in hun boek aan de dag leggen, staat hun stille bewondering voor de overlevingskunst van Soekarno niet in de weg.

Ontkenningsmodus

Waar Poeze en Schulte Nordholt overtuigend laten zien dat de onafhankelijkheidsstrijd aan Indonesische kant geenszins een geolied proces met een voorspelbare uitkomst was, belicht onderzoeksjournalist Maurice Swirc – voormalig hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) – in zijn boek De Indische doofpot de ontkenningsmodus die het Nederlandse beleid tijdens, maar ook nog vele decennia ná de onafhankelijkheidsoorlog heeft getekend.

Eerst werd de kracht van het Indonesische nationalisme stelselmatig miskend. Vervolgens werd een oorlog waarbij op een zeker moment zo’n 150 duizend manschappen waren betrokken, gereduceerd tot ‘politionele actie’. In samenhang daarmee werden oorlogsmisdrijven ontkend, administratief weggewerkt of geboekstaafd als ‘excessen’ (uitzonderingen op de regel van correct militair optreden). Militairen die de vaderlandse pers informeerden over het bloedige verloop van de oorlog, liepen een groter risico op vervolging dan militairen die zich hadden misdragen in de geest van Raymond Westerling, commandant van het beruchte Depot Speciale Troepen. Hun daden bleven onbestraft, terwijl de verjaring voor Duitse oorlogsmisdrijven juist was opgeheven.

Dat Nederland zich vanaf de jaren negentig meer openstelde voor het eigen falen in Indonesië, was niet eens het gevolg van voortschrijdend inzicht. Al in de vroege jaren vijftig velden twee juristen, het duo Kees van Rij en Wim Stam, een vernietigend oordeel over het militaire optreden van de Nederlanders – een oordeel dat werd bekrachtigd door de latere hoogleraar staats- en bestuursrecht Guus Belinfante.

In 1969 legde Cees Fasseur, beleidsmedewerker van het ministerie van Justitie, 76 geweldsexcessen vast – als reactie op onthullingen door Indië-veteraan Joop Hueting over buitensporig geweld. Een jaar later betoogden de veteranen Wim Hendrix en Jacques van Doorn – hoogleraar sociologie in Nijmegen – in hun boek Ontsporing van geweld dat de zogenoemde excessen feitelijk onderdeel waren van de militaire strategie. Wij Nederlanders konden dus al in een vroeg stadium op de hoogte zijn van de ware aard van de ‘politionele acties’ en de contraguerrilla. Gesteld dat we het hadden gewíld. Maar aan die bereidheid heeft het lange tijd ontbroken.

De Nederlandse respons op het Indonesische onafhankelijkheidsstreven wordt op de bondigste wijze samengevat in de titel van het boek Zoeken, aangrijpen en vernietigen! van de historicus Christiaan Harinck. Mentaal en strategisch was de kolonisator – geconditioneerd in de jaren van de ‘pacificatie’ van Jo van Heutsz – niet toegerust voor de strijd tegen een wendbare, meer gemotiveerde en uiteindelijk ook talrijkere tegenstander.

Toen de legerleiding vaststelde dat de hele archipel niet met de beschikbare legermacht kon worden ‘gepacificeerd’ (wat eerder bij lokale opstanden nog wel was gelukt), zette ze grof geschut in. Ook naar de eigen maatstaven was dit ‘een zwaktebod’, oordeelt Harinck afgemeten. Dit ‘zwaktebod’ resulteerde wel in een ‘scheve verhouding’ in de slachtoffertallen. Aan Nederlandse zijde sneuvelden bijna 5.000 militairen. Aan de Indonesische kant kwamen zo’n 100 duizend mensen om het leven – mogelijk meer.

Harry Poeze en Henk Schulte Nordholt: Merdeka – De strijd om de Indonesische onafhankelijkheid en de ongewisse opkomst van de Republiek 1945-1950. Walburg Pers; 456 pagina’s; € 39,99.

★★★★☆

null Beeld Walburg Pers
Beeld Walburg Pers

Maurice Swirc: De Indische doofpot – Waarom de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië nooit zijn vervolgd. De Arbeiderspers; 664 pagina’s; € 34,99.

★★★★★

null Beeld De Arbeiderspers
Beeld De Arbeiderspers

Christiaan Harinck: Zoeken, aangrijpen en vernietigen! – Het Nederlandse militaire optreden in Indonesië 1945-1949. Prometheus; 384 pagina’s; € 27,50.

★★★☆☆

null Beeld Prometheus
Beeld Prometheus
Meer over