Dertig jaar wachten op niets

Van een afstand bekeken zijn de meeste dingen grauw, zoals van vrijwel alle muziek die in de verte klinkt slechts een doffe dreun overblijft of een achteloos salvo van verwaaide klanken....

Dat Dino Buzzati (1906-1972) de roman De woestijn van de Tartaren schreef toen hij nog geen 32 jaar oud was, heeft iets ongeloofwaardigs en dus iets verontrustends. Nee, met neerbuigendheid of een neiging tot meewarigheid, tot paternalistisch hoofdschudden, heeft dat ongeloof niets te maken. Het gaat veeleer om bewondering die omslaat in verwondering – en dan meteen weer bewondering wordt. Beide worden teweeggebracht door de harmonische symbiose van stijl en inzicht die Buzzati aan de dag legt, en die twee samen ontvouwen een wereldbeeld van berusting en ontgoocheling.

Een nog jonge soldaat, Giovanni Drogo, net van de militaire academie en als luitenant aan het begin van wat een loopbaan binnen het staand leger lijkt te worden, krijgt als eerste plaats van legering een grensfort toegewezen. Dat afgelegen fort bevindt zich in het hooggebergte, ver van alle beschaving en vertier, en biedt uitzicht op een onafzienbare woestijn. Beneden de muren en de wallen loopt de grens, achter de woestijn bevinden zich de Tartaren. Die vormen een ononderbroken bedreiging voor de staatsveiligheid, zij het dat daarvoor geen andere aanwijzingen bestaan dan herinneringen en vermoedens. De taak van de soldaten in het fort is de lege woestijn in de gaten te houden, zonder ook maar een moment te versagen en in gehoorzaamheid aan alle disciplinaire rituelen die bij het leger horen. Geen vijand te zien, maar de aflossing van de wacht moet het hebben van stiptheid en geheimzinnigheid.

Al bij aankomst in het fort wordt luitenant Drogo bevangen door ontreddering: in die kille negorij zijn leven slijten, is dat wel de bedoeling? En dus onderzoekt hij terstond de mogelijkheden om onder zijn aanvankelijke verplichtingen uit te komen: zit er overplaatsing in en zo ja, op welke termijn, zou het helpen ziek te worden of andere gewenningsmoeilijkheden voor te wenden, levert een zekere volharding ter plekke hem op termijn misschien een wit voetje bij de staf op zodat hij tenminste wordt gehonoreerd voor zijn afzien?

Zijn superieuren begrijpen hem: zij zitten veelal al een mensenleven in dat fort en kennen de beperkingen van het leven daar. Ook hebben zij eerder met een zekere generositeit soldaten laten gaan voor een minder nadrukkelijk, onspectaculair bestaan. Niettemin dringen zij er bij Drogo op aan het even aan te zien: weggaan kan altijd nog.

Dat wordt dus dertig jaar, dertig jaar uitkijken op een vlakte waarin niets gebeurt.

Drogo is erin getrapt, ‘maanden waren voorbij gegaan zonder dat ze iets nieuws hadden gebracht, maar hij was blijven wachten, alsof het leven voor hem wel wat milder zou zijn dan voor een ander’. ‘En intussen gisten er innige verlangens, het is niet eenvoudig vast te stellen wat men nu eigenlijk zou willen, maar in elk geval niet die muren, die soldaten, dat trompetgeschal.’ ‘Zo wordt er langzaam een bladzijde omgeslagen, die zich aan de andere kant neervlijt, boven op de andere, die al gelezen zijn, vooralsnog is het slechts een dunne laag, de bladen die nog doorgenomen moeten worden vormen daarnaast een onuitputtelijke hoeveelheid. Maar het is toch weer een bladzijde die je uit hebt, luitenant, een deel van je leven.’

Deze monotone melodie van de zinloosheid, zij is Voskuils Het bureau nog verre voorbij – en de schaarse anekdotes die de soldaten uit de eentonigheid doen opschrikken, zijn nog onbenulliger. Juist door hun zeldzaamheid en onbeduidendheid jagen die incidenten de soldaten nog schrik aan ook: een loslopend paard is een bron van consternatie, een stipje aan de horizon grond voor algehele mobilisatie. Maar het paard wordt gevangen en het stipje lost weer op.

Dat het hier om soldaten gaat en een fort, is meegenomen, maar doorslaggevend is het niet; hooguit schroeft het van begin af aan de verwachtingen nog hoger op dan wanneer hetzelfde wereldbeeld ter hoogte van kaartenbakken en bureaus zou worden uitgemeten. Waar het om gaat is de aanvaarding van ontgoocheling als uitgangspunt, waardoor het de vraag is of er wel van een dramatische ervaring als ‘ontgoocheling’ sprake is. Bij Buzzati lijkt het eeuwig maandagmorgen: het verwachtingsvolle begin van de week, maar in de zekerheid dat die week zonder verrassingen zal verglijden in een volgende.

Het wonderlijke is vanzelfsprekend dat dat ruim tweehonderd bladzijden lang spannend blijft. Het bewonderenswaardige is dat iemand die aan het begin van een loopbaan als schrijver stond – zijn hele leven bij dezelfde krant gebleven, de Corriere della Sera, dat wel natuurlijk – dat inzicht had, het vermogen dat aangrijpend onder woorden te brengen en bovenal de aandrift dat ook metterdaad te doen. Daar wordt de ontgoocheling betoverend, de monotonie een avontuur – en wij, die die bladzijden omslaan, worden wachters aan de rand van de woestijn.

Dino Buzzati: De woestijn van de Tartaren. Vertaald uit het Italiaans door Anthonie Kee. Wereldbibliotheek; 224 pagina’s; €18,50. ISBN 90 284 2172 6.

Meer over