Der Nederlanden; Concertgebouworkest, het; weer, het

De Nederlander bestaat niet, zei prinses Máxima. Daar werden veel Nederlanders kwaad om. Er is echt wel een Nederlandse identiteit, zeiden ze....

tekst Wilma de Rek & Bert Wagendorp

Concertgebouworkest, Koninklijk Het gerenommeerde vakblad voor klassieke muziek Gramophone, toonaangevend sinds 1923, schreef het eind 2008 na raadpleging van een internationaal forum van recensenten, en dus is het zo: het Koninklijk (sinds 1988) Concertgebouworkest is het beste symfonieorkest ter wereld. Allan Kozinn, recensent klassieke muziek voor The New York Times, schreef in datzelfde jaar dat het ‘Royal Concertgebouw Orchestra’ als een van de weinige orkesten ter wereld onmiddellijk herkenbaar is aan zijn eigen karakteristieke en onderscheidende geluid. Dus dat is ook waar.

Een qua pr slechtere naam dan het voor buitenlanders bijna onleesbare en helemaal onuitspreekbare ‘Concertgebouworkest’ is niet denkbaar. Maar toen het orkest in 1888 werd opgericht, als vaste bespeler van het nieuwe Concertgebouw aan de Van Baerlestraat, maalde nog niemand om zulke zaken (zie ook: Concertgebouw, huiskamer van de Nederlandse elite). Op 3 november 1988 vond het eerste concert plaats, onder leiding van Willem Kes, de eerste van de slechts zes chef-dirigenten van het KCO in 122 jaar: Kes (1888-1895), Willem Mengelberg (1895-1945), Eduard van Beinum (1945-1959), Bernard Haitink (1959-1988), Riccardo Chailly (1988-2004) en Mariss Jansons (sinds 2004).

Wat die eerste avond meteen duidelijk werd, was de exceptionele akoestische kwaliteit van de nieuwe concertzaal. Die wordt ook nu nog gerekend tot de drie beste ter wereld. Bij de groei van het orkest naar wereldfaam speelde de thuiszaal een grote rol: topzaal en toporkest vormen een twee-eenheid.

Willem Mengelberg was de man die, gedurende een halve eeuw dirigentschap, het KCO groot maakte. Zijn opvolgers bouwden voort op de door hem ingezette traditie. Hij was ook verantwoordelijk voor de nog altijd bestaande band tussen orkest en laatromantische componisten als Brahms, Tsjaikovski en Mahler.

Mengelberg stond in 1899 ook aan de basis van wat sindsdien een traditie is geworden: de uitvoering, met Pasen, van Bachs Matthäus Passion. Mengelberg moest na WO II gedwongen stoppen, omdat hij in de oorlog vrolijk was doorgegaan met dirigeren, ook voor een publiek van hoge nazi’s. Volgens hem was muziek net als de zon: die scheen ook voor iedereen. De Ereraad voor de Kunst dacht daar anders over.

Met optredens door heel Europa werkte het KCO al voor de oorlog aan zijn roem buiten de grenzen. Die werd ook verspreid via het nieuwe medium grammofoonplaat. De eerste opname werd gemaakt in 1925, vanwege het wantrouwen jegens de nieuwigheid nog onder de naam ‘Columbia Orchestra’ – een verwijzing naar de platenmaatschappij. Later volgden vele honderden opnamen onder eigen naam. Sinds 2004 produceert het KCO cd’s en dvd’s onder het eigen RCO Live-label.

Naast de chef-dirigenten werkte in de loop der jaren een keur aan topdirigenten met het KCO: Harnoncourt, Boulez, Gardiner, Herreweghe en Koopman. Elke zichzelf respecterende solist wil niets liever dan concerteren met het KCO, dat uit zijn midden ook talloze grote solotalenten geboren zag worden.

weer, het In tijden waarin alles onzeker is, is er altijd nog het weer. En hoewel het weer van zichzelf ook hoogst onzeker is, gaat er toch iets geruststellends van uit. Het weer is er altijd, en je kunt er altijd wat van vinden.

Het weer: iedereen heeft het erover, niemand doet er wat aan. Het weer is oppermachtig. Bossen hakken we om, zeeën gooien we vol met olie; maar het weer onttrekt zich schaterend aan onze beheersingsdrift en laat de mens elke dag voelen hoe klein en onnozel hij is. Wat nou ‘zondag lekker barbecuen’? Regen kun je krijgen, en windstoten.

Het weer is de toestand van de atmosfeer op een bepaalde plaats op een bepaald moment. In Nederland is het weer vooral wisselvallig. De zon schijnt gemiddeld 1.534 uur per jaar, en er valt gemiddeld 797 mm neerslag. Boven de Veluwe en Vaals valt er meer dan boven Zeeland en Zaandam. Naast ruimtelijke neerslagverschillen zijn er verschillen in de tijd: in april is het droger dan in november. Mei is de zonnigste maand en december is het somberst, qua weer.

Onze invloed op het weer is omgekeerd evenredig aan onze belangstelling ervoor. Van alle favoriete gespreksonderwerpen is het weer het allerfavorietst. Het doet niet aan rangen en standen; iedereen wordt nat in de regen. Het weer schept een band.

De mens kan het weer niet beïnvloeden. Het enige wat hij kan is proberen te voorspellen wat voor weer het worden zal. Vroeger keek hij daartoe omhoog. Als het grijs was, werd het niks; zag je een stukje blauw, dan was er hoop. En verder lette hij op de dieren, die zich onrustig gingen gedragen als er onweer aankwam, en op de duim van opoe, die bij naderende sneeuw begon te prikken.

‘Koude in maart, dan een lente te paard’, zeiden de mensen. Of: ‘Verschaft april veel warme dagen, dan geeft mei de last te dragen.’ Zo waren er nog een paar honderd spreuken, vaak met een heilige erin: ‘Pancras, Servaas en Bonifaas, ze geven vorst en ijs helaas.’ Later was er Jan Pelleboer, boerenzoon en daarmee automatisch weerdeskundige, al studeerde hij er braaf meteorologie achteraan. In de jaren zeventig vertelde Pelleboer over het weer voor de Wereldomroep en voor Radio Noord.

Het nationale instituut voor weer, klimaat en seismologie in Nederland is het KNMI. Het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut werd in 1854 in Utrecht opgericht. De eerste directeur was prof. C.H.D. Buys Ballot. Sinds 1897 zit het KNMI in De Bilt. Het instituut, een onderdeel van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, verzorgt vanuit de centrale weerkamer in De Bilt 24 uur per dag de weersverwachtingen en waarschuwingen voor het algemene publiek, de luchtvaart en de scheepvaart. Tot elf jaar geleden deed het KNMI ook de weerberichten op radio en televisie – daar kent iedereen het van – maar die commerciële taak is in 1999 overgeheveld naar Weathernieuws in Soest.

Het eerste weerbericht op televisie was te zien tijdens een experimentele tv-uitzending op 7 oktober 1951, gepresenteerd door meteoroloog Cor van der Ham van het KNMI. Tussen 1953 en 1968 presenteerden verschillende weermannen, van wie Joop den Tonkelaar de bekendste is, het weer in het NTS Journaal. Vijftien jaar lang zag de kijker alleen hun hand, met een krijtje erin, die op een bord schreef en tekende.

In 1968 verdwenen de weermannen van het scherm en las de nieuwslezer het bericht. Mede onder druk van Nederlandse weeramateurs keerde de weerman in 1982 terug op tv. Han Mellink, Harry Otten, John Bernard, Helga de Leur, Peter Timofeeff, Marjon de Hond en Erwin Kroll werden vaste huisvrienden. En Gerrit Hiemstra natuurlijk, wiens verschijning bij Gerard Reve thuis altijd met vreugde werd begroet. In 2000 werden de schrijver en zijn partner Joop Schafthuizen geïnterviewd in VARA TV Magazine:

Gerard: ‘Gerrit Hiemstra, de man van het wederbericht, prachtig.’

Joop: ‘Gerrit is de zoon van alle moeders en van alle vaders. Vanaf de eerste keer dat hij op televisie kwam was het mooi weer en als het geen mooi weer is, is het goed voor de planten. En als Gerrit wind voorspelt, verdwijnen de dooie takken van de bomen!’

Gerard: ‘Als Gerrit Hiemstra op de buis is, gaan wij op onze knieën. Gebruik maar gerust het woord opwinding.’

De commerciële zenders die vanaf eind jaren tachtig oprukten, wisten het weer als programmaonderdeel pas echt op waarde te schatten. Autodidact Piet Paulusma scoort met Piet’s weerbericht sinds 1996 hoge kijkcijfers bij SBS6. Bij de publieke omroep is Erwin Kroll nog altijd de weerman der weermensen. Er wordt weleens laatdunkend over hem gedaan, maar dat is ten onrechte. Kroll begrijpt als geen ander dat je het weer niet in zakelijke mededelingen kan vatten (‘Het gaat morgen hagelen en er waait een lelijke westenwind’), maar dat je het moet temmen als een wild dier, heel voorzichtig een touwtje om de nek moet doen en het dan aan het gretige gepeupel kan tonen. Dat verklaart zijn sussende manier van praten. Afgelopen week, over het noodweer dat de Zuid-Franse kust teisterde: ‘Weet u nog hoe dramatisch het was in Frankrijk? Nou, vandaag merkt u daar hé-le-maal niets meer van hoor. Misschien dat er ergens nog een klein beekje zijn water kwijt moet, maar verder is het toch allemaal even fantastisch en even mooi en even zonnig en even warm!’

De enige man in Nederland die vermoedelijk nog meer verstand heeft van het weer dan Erwin Kroll, is Jan Buisman (1925), gepensioneerd onderwijzer en al jaren bezig met zijn achtdelige serie Duizend jaar wind en water in de Lage Landen. Het vijfde deel in de reeks verscheen in 2006, over Nicolaus Cruquius die in 1706 als eerste zijn systematische waarnemingen met een barometer en thermometer begon en daarmee van Nederland het land maakte met de langste onafgebroken reeks dagelijkse temperatuurinformatie (zie ook: Cruquius). Deel zes van Duizend jaar wind en water in de Lage Landen wordt nog dit jaar verwacht; het achtste en laatste deel staat gepland voor 2014.

mmv NED. centrum voor volkscultuur

uw reacties en tips
‘Voortuin, de (zie ook Gezelligheid, Kneuterigheid, Windmolens en Aurecaria). De Hollandse voortuin kenmerkt zich door zijn postzegelformaat, ontstaan door het gebrek aan ruimte in dit kleine, dichtbevolkte land. De voortuin, toch een uithangbord van je ziel, en daarmee de Hollandse ziel. Conifeertjes, plantjes (afrikaantjes!), boompjes, kabouters of een windmolen. Ondanks het kleine formaat past alles in de voortuin. In bedwang gehouden door de snoeischaar. En het ultieme geluk is de Aurecaria: met zijn vlijmscherpe bladeren en ontembare groei een bewijs van gastvrijheid en groene vingers. Of toch niet...’

(Rob Plomp, Bennekom)

‘Hoe herken je waar ter wereld ook een Nederlander? Als zij of hij ergens aankomt na een reis, of plaatsneemt in bus of vliegtuig na lang wachten, dan zegt de Nederlander steevast: hè hè, tjongejonge, effe zitten. Nog een verschijnsel: als (vooral wat oudere) mensen in een restaurant hebben zitten eten, met een gezelschap, zijn er altijd een paar vrouwen die de borden meteen na de laatste hap al gaan opstapelen, zodat de verbaasde obers ze makkelijk mee kunnen nemen. Soort misplaatste behulpzaamheid zodat je geen fooi hoeft te geven?’

(Lucy Verkade, Delft)

Meer over