BoekrecensiesDjinn patrouille op de paarse lijn & Het verre veld

Debutanten Madhuri Vijay en Deepa Anappara tonen India zonder exotische clichés

Beeld Typex

Een nieuwe generatie Indiase schrijvers laat van zich horen. Debutanten Deepa Anappara en Madhuri Vijay blijven weg van exotische clichés in twee verfrissende romans. 

De afgelopen decennia was Indiase literatuur – of beter gezegd: Engelstalige Indiase literatuur – alleen kansrijk in het Westen als ze voorzag in de diepgewortelde oriëntalistische behoefte het land als ‘anders’ te zien. De commerciële successen waren doorgaans doordrongen van een exotische gloed, die bewust of onbewust de veronderstelde verschillen tussen Oost en West benadrukte.

Salman Rushdie zette de trend met Middernachtskinderen (1981, Booker Prize), een breed opgezette roman over de bloederige deling van India en Pakistan. Hij verbond dat geschiedenisverhaal met magisch-realistische en mythologische elementen en bracht het subcontinent zo op sprookjesachtige wijze tot leven, hoe gruwelijk ook.

Hierop volgde een lange reeks exotische Engelstalige Indiase romans, met Arundhati Roy’s De God van kleine dingen (1997, Booker Prize) als climax. Totdat de schrijver Aravand Adiga tien jaar later bewees dat ‘andersheid’ niet alleen hoeft te schuilen in een bedwelmend decor. In De witte tijger schetst hij op tragikomische wijze een inktzwart beeld van het hedendaagse India, waar geweld en corruptie welig tieren en de inkomensongelijkheid niet is te overzien. Het hoofdpersonage, een chauffeur in Delhi, snijdt de keel van zijn baas door om hogerop te komen. Indiase critici bestempelden de roman als simplistisch en stereotyperend. In het Verenigd Koninkrijk won De witte tijger de Booker Prize.

De afgelopen jaren lijkt er een nieuwe wind te waaien door de Engelstalige Indiase literatuur. De romans van de compromisloze Manu Joseph zijn daarvan een bewijs. En nu zijn er de debuutromans van Deepa Anappara en Madhuri Vijay.

In Djinn patrouille op de paarse lijn neemt Anappara – een voormalig journalist uit Zuid-India die al meerdere journalistieke prijzen kreeg voor de manier waarop ze armoede in kaart bracht – de lezer mee naar het hart van een sloppenwijk. Hoofdpersonage is de 9-jarige Jai, die samen met zijn vrienden Faiz en Pari op zoek gaat naar vermiste kinderen in de buurt. Het wordt niet expliciet duidelijk in welke stad het verhaal zich afspeelt, maar alles doet denken aan Delhi (‘de smog leek wel de adem van de duivel zelf’).

Deepa Anappara.Beeld Liz Seabrook

Anappara brengt de slum kleurrijk tot leven. Die is geen karikaturaal sociaal-economisch dieptepunt van de globalisering, zoals in Adiga’s De witte tijger, maar een dynamische gemeenschap, waar personages onder de gegeven omstandigheden een waardig bestaan proberen te leiden. De geloofwaardigheid zit ook in Anappara’s taalgebruik. Ze doordrenkt haar zinnen met Hindi-straattaal. Niet als geforceerde couleur locale, maar omdat de jongeren nu eenmaal zo spreken.

Toch is het moeilijk echt sympathie voor de personages te krijgen, omdat de plot nogal dun blijft. Steeds weer verdwijnt een nieuw kind in de sloppen, waar Jai en zijn vrienden dan weer achteraan gaan. Dat krijgt iets voorspelbaars, maar de authentieke sfeer die Anappara oproept, maakt veel goed.

De 27-jarige Madhuri Vijay kiest voor een andere setting. In Het verre veld volgen we de 30-jarige Shalini, die nog bij haar rijke vader in Bangalore woont. Ze rouwt om de dood van haar moeder, een felle en ironische vrouw die ze nooit echt heeft begrepen. Het huwelijk tussen haar ouders was passieloos. De enige keren dat ze haar moeder zag opleven, was tijdens haar jeugdjaren, als de islamitische sariverkoper Bashmir Ahmed uit Kashmir langskwam. En dus besluit ze daarheen af te reizen, om meer over haar moeder te weten te komen, en wellicht over zichzelf.

Madhuri Vijay.Beeld Manvi Rao

In de heuvels van de Himalaya vindt Shalini een ogenschijnlijk eenvoudig bergleven waarvan ze niet wist dat het bestond. Maar uiteraard blijkt niets eenvoudig in Kashmir. Indiase militairen houden hardvochtig greep op de regio in een poging islamitische terreur vanuit het nabijgelegen Pakistan te bedwingen. De gemeenschap is verscheurd.

Als er één gebied is waar het makkelijk is om in exotische clichés te vervallen, dan is het Kashmir. Al veel Indiase schrijvers hebben over de streek geschreven. Het beroemdste voorbeeld is Rushdie met Shalimar de clown (2005), een klaagzang over het lot van de eens zo rustige bergvallei, waarin hij grote vragen aan de orde stelt (waarom zien we de een als terrorist en de ander als vrijheidsstrijder?).

Vijay blijft ver van zulke vragen. Het politieke conflict is er wel, maar sluimerend, op de achtergrond, als een haast toevallig decor. Veel meer is zij geïnteresseerd in het onderzoeken van de verlangens van haar hoofdpersonage: naar de geborgenheid die ze nooit heeft gekend, naar zingeving, naar liefde en seks. Ze wekt Shalini – en vooral ook de overleden moeder – in een trefzekere stijl en met compassie tot leven.

Tekenend is ook de verschillende manier waarop Rushdie en Vijay de streek Kashmir schetsen. Rushdie roept het beeld op van een verloren paradijs, waar dorpelingen voorheen zorgenloos konden baden in het zonlicht. Vijay kiest juist voor ontnuchtering. ‘Bashir Ahmed had het met ons zo vaak over de bergen gehad, en toch waren de beelden die ik voor me had gezien onnauwkeurig en clichématig geweest, allemaal ongetwijfeld aan een boek of een film ontleend.’

Zowel Anappara als Vijay neemt geen politieke standpunten in. Ze dringen geen beeldvorming op en trekken geen grote conclusies. India wordt getoond, niet verklaard. Daarin schuilt de kracht van deze verfrissende debuten. De tijd van de exotische clichés ligt achter ons.

Deepa Anappara: Djinn patrouille op de paarse lijn. ★★★☆☆ Uit het Engels vertaald door Anneke Bok. Hollands Diep; 384 pagina’s; € 21,99.

Madhuri Vijay: Het verre veld. ★★★★☆ Uit het Engels vertaald door Ronald Vlek. Meulenhoff; 480 pagina’s; € 22,99.

Beeld Meulenhoff
Beeld Hollands Diep
Meer over