Debutanten leiden veelzijdig programma

Koninklijk Concertgebouworkest..

amsterdam Twee dirigenten werd vrijdag een debuutoptreden bij het Koninklijk Concertgebouworkest in de schoot geworpen. Dat kwam doordat de beoogde stokvoerder, Martyn Brabbins, verhinderd was. Vooral de Brit Stefan Asbury, die het leeuwendeel van het programma overnam, zal hebben staan huppelen van enthousiasme toen hem werd gevraagd om in te vallen. Zelfs voor een in moderne-muziekkringen veelgevraagd dirigent is zoiets een buitenkansje, en het programma was bovendien om te zoenen. Voor het enige nieuwe, en dus onbekende werk was ook een orkestleider voorradig in de persoon van de componist, de Australiër Brett Dean.

De 45-jarige Dean, van wie het KCO anderhalf jaar terug de multimediale compositie Parteitag uitvoerde, heeft nu een vioolconcert geschreven met de trotse titel The Lost Art of Letter Writing. Die titel heeft voornamelijk te maken met de brieffragmenten waaraan Dean de inspiratie voor elk van de vier delen ontleende. Twee van de auteurs, Johannes Brahms en Hugo Wolf, schemeren ook in muzikale zin lichtjes door de noten heen. Voor de delen met Van Gogh en de 19de-eeuwse bushranger Ned Kelly voer Dean helemaal op eigen kompas, hetgeen leidde tot visioenen van ‘eeuwige schoonheid’ en een van naderend onheil vervuld moto perpetuo.

Dean haalt dus veel uit de kast, en zijn concert, dat daags daarvoor met dezelfde équipe zijn allereerste uitvoering had beleefd in Keulen, blijkt dan ook een nogal overladen stuk, zowel wat betreft de klank als de lengte. Het is wel kundig gemaakt, maar de vele klankstapelingen, waarin zwoele mengsels van fluiten, celesta, vibrafoons, harpen en dergelijke overheersen, werken verstikkend en laten weinig ruimte voor de beurtelings breed uitgesponnen, dan weer rusteloos meanderende vioolpartij van Frank Peter Zimmermann.

Deans nieuwe werk maakte een bleke indruk naast het glasheldere ...and all shall be well van Thomas Adès. In dit stuk van tien minuten, dat de nu 36-jarige Engelsman op zijn 22ste componeerde, staat werkelijk geen noot te veel.

Het hele programma muntte uit in veelzijdigheid. Tegenover de abstracte toonbouwsels van Adès stond de Mahleriaanse wrangheid van Brittens Sinfonia da Requiem, die weer werd geneutraliseerd door het wonderlijk amalgaam van bespiegeling en door elkaar marcherende tamboerkorpsen dat Charles Ives op het gehoor loslaat in Three Places in New England. Asbury voerde het KCO in stijl door de bij vlagen tot grote hoogte oplaaiende kakafonieën, en sloeg daarna nog eens vijf minuten swingend de spijker op de kop in Bernsteins Candide-ouverture.Frits van der Waa

Meer over