De ziel, de dichter en de haas

Wat betekent ‘verzameld werk’? De woordgroep suggereert dat iemands volledige oeuvre bijeengebracht is, maar in letterlijke zin staat er dat het om werk gaat dat verzameld is....

In zijn laatste levensmaanden heeft hij, met de dood voor ogen, vastgesteld welke gedichten hij wel en welke hij niet opgenomen wenste te zien in een verzamelbundel. Hetzelfde geldt min of meer voor de essays die in het tweede deel zijn verzameld. Deze uitgave is een literair testament, geen editie van een levenswerk. Dat neemt niet weg dat dit Verzameld werk de gelegenheid biedt Jellema’s productie van ruim veertig jaar te overzien.

C.O. Jellema (1936-2003) geldt in de Nederlandse literatuur als eenling. Docent Duits aan de Groningse universiteit, vertaler van middeleeuwse mystieke teksten (Meister Eckhart, Heinrich Seuse, Johannes Tauler), dichter van een vijftiental substantiële bundels en auteur van subtiele essays, kreeg Jellema pas in de jaren tachtig de aandacht die hij verdiende, hoewel hij al in 1961 gedebuteerd was. Dat is begrijpelijk, omdat het lang geduurd heeft voordat hij zijn eigen stem had gevonden.

In de eerste bundels zien we een dichter aan het werk die nog niet weet waar hij goed in is. Toch is van meet af aan duidelijk wat Jellema’s grote thema’s zullen worden: de verhouding tussen lichaam en ziel, tussen mens en God, tussen taal en wereld. En er lijkt vaak een wat eenzelvige, weemoedige man aan het woord te zijn die een reisgenoot zoekt. In 1971 schrijft hij ‘Lichaam’:

Vaas voor mijn herinneringen.

Raat voor verzamelde waarheid.

Urn waarin ik rust.

Urn voor wat mij rest.

As – proef het.

As – een woord.

Even goed als gras.

Even grijs als god.

Wat opvalt is het wankele evenwicht tussen eenvoud en retoriek, tussen het abstracte, cerebrale van de Grote Woorden en de fysieke aanwezigheid van de taal. Het is een ingenieus gedicht, omdat het klankspel ervoor zorgt dat de herinneringen, de waarheid, de as, het gras en god allerlei verbindingen met elkaar aangaan. Is de ziel een verbrandingsproduct? Is god dood? Zijn woorden goddelijke sintels?

In de jaren tachtig ontdekt Jellema, kenner van Hölderlin en Rilke, de horatiaanse ode en het klassieke sonnet. Het ingewikkelde metrum van de ode en de strofenbouw en het rijm van het sonnet bieden Jellema een formeel houvast dat hem helpt de stroom van zijn gedachten te ordenen. Zijn taal krijgt iets archaïsch, doet in toenemende mate denken aan J.H. Leopold en Ida Gerhardt. Zo associeert hij het ploegen van een Groningse akker met zowel schrijven als begraven: ‘Adem, strofe, lied, het verwaaien. Verskunst/ voren: keer om wederkeer. Zie de meeuwen,/ zee hun herkomst, stapelen wolken boven/ wendakker, graven.’ In deze periode zijn Jellema’s zinnen vaak extreem kort en elliptisch, een bijna bonkige taal die contrasteert met de weidsheid van het Groningse landschap en de filosofische vergezichten die erin tot uitdrukking komen. Opmerkelijk is ook hoe in de sonnetten het ritme uit de strakke vorm lijkt te willen breken: ‘Maar als denken zo helder/ zijn deze morgens in de benevelder/ nazomervelden kleur die op niets wijst// dan op herdenking.’

In de laatste bundels werden de zinnen langer, de strofen vaak losser van structuur. Jellema had de vorm nodig gehad om zijn eigen stijl te vinden; toen hij die eenmaal ontdekt had, kon hij het keurslijf afleggen. De bundel Droomtijd (1999), die genomineerd werd voor de VSB-prijs, behoort tot het allerbeste wat er de laatste tien jaar aan poëzie in ons land is verschenen. Het is de meest fysieke bundel die Jellema schreef, maar tegelijk ook een meditatie over sterfelijkheid van ongekende diepgang. In een van de aangrijpendste gedichten ziet de spreker tijdens een drijfjacht een haas liggen, die van angst verstijfd naar de afgrond in zichzelf staart, ‘een niets in zich, een gat waar hij voor lag,/ te diep, te breed om nog te durven springen’. De drijver verzaakt zijn plicht en laat het dier ontsnappen. Later denkt hij: ‘Misschien zal, als het gat dat groeit in mij/ te diep, te breed wordt om te kunnen springen,/ bij god, een haas mijn voorspraak zijn.’

Het raadsel van de ziel, daarover gaat de poëzie van Jellema: ‘huist zij in mij of bewoon ik haar slechts,/ laat ik haar los straks of/ bevrijdt juist zij me van mij?’ Ik zie ze samen ronddwalen over de Eeuwige Jachtvelden: Jellema, zijn ziel en de haas. Bedachtzaam en weemoedig, maar zonder angst.

C.O. Jellema: Verzameld werk. Querido; twee delen in cassette, 638 en 310 pagina’s; ¿ 34,95. ISBN 90 214 6807 7.

Meer over