De wolken houden halt Expositie belicht een Wenen dat er nooit meer zal zijn

Bij de intocht van Hitler vluchtten tienduizenden Oostenrijkse joden in ballingschap naar Engeland, Palestina en Amerika. Ze lieten in Oostenrijk een leegte achter, die nooit meer is ingevuld....

MICHEL MAAS

VOOR DE DEUR van de Gummikoning (voor Boston Gummischuhe en andere rubberspecialiteiten), en de naambordjes van de tandartsen D. Mittler en Hugo Trebbitsch zit een zwaarbesnorde portier met pet. Hij plukt aan een stuk brood en kijkt nors opzij, de straat in. De portier merkt niet dat hij wordt gefotografeerd - anders had hij zichzelf en zijn uniform zeker wel iets meer Haltung gegeven. Ook de officier met de sabel die op straat een dienstmeisje aanspreekt, of de man met de pet die (Hebreeuwse) teksten in een etalage bekijkt heeft niets in de gaten. De mensen die zich verdringen om door de hekken van het Prater naar binnen te gluren hebben al helemaal nooit geweten hoe ze van achteren door een camera werden betrapt.

Emil Mayer verstond de kunst van het 'onbemerkt fotograferen'. Het kleine zoekertje, de 'libelle' - dat op de lens zat als een schoorsteentje voorop een speelgoedlocomotief - had hij vermoedelijk 90 graden gekanteld, zodat hij onopvallend opzij kon fotograferen. Dat is maar een vermoeden, niemand weet precies hoe Mayer het deed. Het is ook niet zo belangrijk. Belangrijker is dat Mayer, door te fotograferen zoals hij het deed, een opmerkelijke chroniqueur was van het dagelijks leven van Wenen. Op de projectieavonden van de Wiener Amateur-Photographen-Klub toonde deze pionier van de live-fotografie het hele spectrum van de Weense samenleving: straattypes, koffiehuistypes, de betere kringen, de nieuwsgierige menigtes die zich verdrongen voor het nieuwe Prater en het reuzenrad.

De amateurfotografenclub was een trefpunt van mensen als Mayer: gegoede burgers en adel die de fotografie koesterden als een kunst die snel een plaats in het museum verdiende. Vooral hun portretten, afgedrukt volgens effectvolle drukprocédés, wedijverden in schoonheid met geschilderde portretten. Pioniers als de advocaat Emil Mayer verbreedden de kijk op het nieuwe medium. Mayer zelf ontwikkelde nieuwe afdrukprocédés, schreef een in twaalf talen vertaald boek over zijn eigen 'Broomolieafdrukmethode' en construeerde een optische belichtingsmeter die de naam Justophot of Justodrem kreeg. Er stonden zeven patenten op zijn naam. In 1931 begon Mayer met zijn compagnon Nikolaus Benedik een bedrijf in foto-artikelen.

In 1989 werden in de archieven van de amateurfotografenclub 94 glasnegatieven van Mayer teruggevonden. Die 94 negatieven betekenden de, postume, herrijzenis van de fotograaf wiens bestaan bijna volledig uit de geschiedenis was weggewist.

Twee maanden na de intocht van Adolf Hitler in Oostenrijk hield Emil Mayer, 66 jaar oud, op te bestaan. Mayer en zijn vrouw Elisabeth Deutsch zetten op 8 juni 1938 in hun woning aan de Böcklinstrasse de gaskraan open en stierven - het gas van de gaslampen was destijds nog giftig. Zijn bedrijf werd ge-ariseerd - wat wil zeggen: door nazi's overgenomen - zijn woning eveneens, en zijn nalatenschap inclusief zijn fotoarchief werd vernietigd of verdween. Zelfs het graf van het echtpaar, in een urnenveld in Wenen, zou later verdwijnen. Grondiger konden de sporen van iemands bestaan bijna niet worden uitgewist.

De dood van het echtpaar Mayer stond niet op zich. Wenen kende tussen 1938 en 1940 een golf zelfmoorden, er ging geen dag voorbij zonder op zijn minst een paar. Volgens het in New York verschijnende tijdschrift Jewish Morning Journal uit 1940 kozen 3741 Weners voor de Freitot, het Oostenrijkse eufemisme voor zelfmoord: Freitot, een woord waarin vrijwilligheid schuilt en vrijheid: deze dood was een vlucht om die andere dood - in het concentratiekamp - te ontlopen.

Freitot was, zou je eufemistisch kunnen zeggen, een radicale manier om in ballingschap te gaan. Tienduizenden andere Oostenrijkse joden kozen voor de minder drastische manier: zij emigreerden naar 'overzee'. Ze namen de wijk naar Engeland, Palestina, maar vooral naar de Verenigde Staten. Veel hadden ze meestal niet bij zich, eigenlijk amper meer dan wat Emil Mayer meenam in zijn eigen emigratie: ze hadden zichzelf, en ze hadden hun talent. Soms hadden ze ook nog elkaar - emigranten zochten elkaar altijd op. Meer hadden ze niet. Maar met dat kleine beetje dat ze meenamen, lieten ze in Oostenrijk een leegte achter, een krater die zo groot was en zo diep dat hij tot op heden nooit meer is gevuld.

De getalenteerde joden vormden het hart van het vooroorlogse Weense culturele leven: toneelspelers, dansers, beeldend kunstenaars, schrijvers en fotografen. Ze hadden niet veel tijd nodig om zich aan de overkant van de oceaan opnieuw in de culturele voorhoede te vestigen - terwijl Wenen achterbleef, in alle betekenissen van het woord.

Richard Erdoes, tekenaar en fotograaf: 'Toen ik in de jaren veertig in New York aankwam en zag wat de kunstenaars daar voor grafisch werk maakten dacht ik: in Godsnaam, die mensen hier lopen twintig jaar achter bij Wenen! Hoe moet ik hier als kunstenaar mijn geld verdienen? Maar toen ik voor het eerst terugkeerde in Wenen en de Kunstgewerbeschule bezocht, dacht ik: nou zeg, die hinken nu tien jaar achter Amerika aan. Van de mensen van voor de oorlog zijn de besten naar Amerika gegaan.'

Emil Mayers foto's zijn niet de mooiste, zelfs niet de opmerkelijkste van de expositie Übersee - Flucht und Emigration Österreichischer Fotografen 1920-1940 in Wenen. Mayers verhaal past niet eens bij de titel: hij arriveerde nooit Übersee, zoals al die andere fotografen van wie Anna Auer in de dependance van de Kunsthalle werk bijeengebracht heeft.

Emil Mayer betrapte het oude Wenen zoals hij het aantrof op straat. Hij legde de straten en de mensen vast, en schiep zo een beeld van Wenen toen het nog de hoofdstad was van een wereldrijk met tal van culturele centra, met vergeten namen zoals Lemberg, Laibach, Czernowitz en Krain, plaatsen waar schrijvers en kunstenaars van wereldformaat vandaan kwamen. Dat Wenen bleef achter in Mayers foto's, zoals ook Mayer zelf uiteindelijk, onzichtbaar, alleen nog in zijn foto's zou achterblijven.

Indianen schijnen te geloven dat foto's een deel van de ziel van de gefotografeerde roven. Volgens de filosoof Walter Benjamin gaat in een foto de aura van dingen verloren. Fotograferen betekent een ontheiliging van de werkelijkheid, een vernietiging van de authenticiteit van het gefotografeerde.

Misschien hebben de indianen gelijk, en heeft Benjamin ongelijk. De foto's van Übersee bevatten een deel van Wenen dat Wenen zelf allang niet meer bezit. Zij hebben het, Wenen is het kwijt: het deel waarover Richard Erdoes spreekt als hij het heeft over 'het geestelijk inspirerende'. De foto's tonen niet een ontheiligd Wenen, maar het heilige deel van de stad zelf: het culturele hart.

Dat is niet het deel dat Emil Mayer fotografeerde. Je vindt het niet op straat. Ook dat deel is verdwenen, de mensen op de foto's zijn al lang geleden overleden, hun beroepen zijn uitgestorven of onherkenbaar veranderd. De ziel, of de aura, of het heilige, dat is het deel wat je niet ziet. De leegte die is achtergebleven toen het beste deel van de culturele gemeenschap de wijk nam, om nooit meer terug te keren. Wenen was een stad waar fotografie voor de oorlog hoogtijdagen beleefde. Niet alleen in de amateurfotografenclub, maar ook in talloze befaamde bureaus, nationaal en internationaal. En bij de 25 geïllustreerde tijdschriften die Oostenrijk in 1930 nog telde.

Trude Fleischmann begon haar carrière bij het beroemde bureau van Madame d'Ora, stapte over naar de studio van Hermann Schiebert - waar in 1918 Adolf Loos met Peter Altenberg binnenwandelde om zich te laten fotograferen. Trude Fleischmann maakte de foto van dit merkwaardige duo - de peinzende Loos met hoed, en Altenberg met strosnor en pince-nez.

ZOALS Loos en Altenberg bleven de beroemdheden binnen wandelen: de atletische Claire Bauroff (1925), de gesluierde Helene Thimig (1930), de danseres Grete Wiesenthal (1929), en Alban Berg (1932). Ze had een interessante vriendenkring, vertelde ze laconiek, in een interview in 1986. Later, toen ze via Londen naar New York was geëmigreerd, fotografeerde ze Einstein, Toscanini. Mensen zagen haar foto's, belden haar, wilden ook door haar gefotografeerd worden. Zo eenvoudig was het, vertelt Fleischmann. Haar kennissenkring smelt in Übersee samen met die van haar tijdgenoten, lotgenoten, en vaak groepsgenoten. De kennissenkringen overlappen elkaar, de portretten lijken op elkaar, lichamen weerspiegelen elkaar.

Claire Bauroff is net zo naakt, atletisch en glad als Josephine Baker of Tamara de Lempicka van Madame d'Ora of de danseres van Stephanie Brandl (1930). Anita Berber (Madame d'Ora, 1925) straalt eenzelfde glamour uit als Laszlo Willingers Brigitte Helm (1925), of Vivien Leigh (1939). Thomas Mann en Tilla Durieux van Dora Horovitz zijn net zulke imposante persoonlijkheden als Albert Einstein en Oskar Kokoschka van Robert Haas.

Alleen al de namen van de mensen, die in Weense fotostudio's verschenen of zich later elders door Weense fotografen zouden laten portretteren, vertellen het verhaal van het culturele centrum dat Wenen was, en dat Wenen had kunnen zijn. Hun gezichten zijn nu een zwijgende aanklacht tegen een stad die tegelijk met haar fotografen ook deze dragers van een cultuur heeft verjaagd. En niet alleen de grote namen, ook in de anonieme damesportretten van bijvoorbeeld Willinger of Stephanie Brandl ademt een geest waarvoor Wenen na 1940 definitief te klein is geworden.

Voor een deel is dat het werk van de fotografen. De pose, de blik, de aankleding van de foto's is immers hun werk. En een deel van de grandeur van de foto's komt voort uit de gedachte dat zelfs de naamloze dames toch maar zijn geportretteerd door dezelfde fotograaf die ook Mann, Kokoschka, Einstein of Toscanini portretteerde.

Je hoeft Trude Fleischmann, Peter Basch, Madame d'Ora, George Fayer, Trude Geiringer & Dora Horovitz, Robert Haas, Lilly Joss Reich, Laszlo Willinger en Wilhelm Willinger niet te kennen om in één oogopslag te zien dat zij niet de eersten de besten waren (en soms nog zijn). Zij lieten hun onderwerpen poseren, en onderwierpen ze aan hun wil zoals alleen de beste fotografen dat kunnen. Als zij op straat hun mensen 'betrappen' gebeurt dat zorgvuldig, zoals de boekenlezer in Charing Cross Road (Wolf Suschitzky, 1936), de Two Ladies (Walter Curtin, 1959) of de straattypes van Lisette Model (Promenade des Anglais, Nice, 1934). Zelfs New York poseert, als Robert Haas, Ernst Kassowitz of John H. Popper (Hans Popper) haar portretteren: de stad staat stil, het verkeert stokt, de wolken houden halt.

Je kunt vermoeden dat de verstilde foto's van New York een eerbetoon zijn aan een stad die als misschien wel enige in Amerika de joden goed gezind was en ze met open armen ontving. Je kunt, zoals A.D. Coleman, sowieso de vraag stellen waarom uitgerekend joden zo gefascineerd zijn door het medium fotografie ('Alfred Stieglitz, Man Ray, Robert en Cornell Capa, Margaret Bourke-White, Weegee, Gisèle Freund, Lee Friedlander, Walter Rosenblum, Ruth Orkin, Joel-Peter Witkin, Edward Land en vele vele anderen'). Je kunt eindeloos speculeren over de vraag waarom de Weense fotografen zo'n voorliefde hebben voor het portret, over de betekenis die schuilt in deze portretten en over het verhaal dat al die fotografen samen vertellen over Wenen, waar ze vandaan komen.

Übersee is wat dat betreft een begin. Een eerste inventarisatie, 'voor het te laat is', aldus Anna Auer - de samenstelster van de tentoonstelling. Meer exposities zullen volgen, en samen zullen ze een gat moeten dichten in de geschiedenis van de fotografie van haar land.

Een gat dat samenhangt met een pijnlijk deel van de geschiedenis van Oostenrijk zelf, waarmee dat land nog lang niet klaar is - nog steeds wordt in Oostenrijk heftig gediscussieerd over de oprichting van een holocaustmonument op de Judenplatz in Wenen. De reizende tentoonstelling over wandaden van de Duitse Wehrmacht leidde nog vorig jaar tot felle protesten (omdat de Wehrmacht altijd was afgeschilderd als het 'nette' Duitse leger). De veiling van de Mauerbach-schat - een grote hoeveelheid nooit opgeëist nazi-roofgoed - vorig jaar reet de pijnlijke wond opnieuw open. Keer op keer wordt Oostenrijk er aan herinnerd dat het fout was in de oorlog. En nog steeds heeft dat niet geleid tot een openlijke bekentenis.

Ook Übersee raakt het pijnlijke thema weer aan, in een nieuwe poging het verzwegen deel van de geschiedenis in te vullen en het de betekenis te geven die het heeft. Voor het te laat is.

OOSTENRIJK heeft al veel tijd verloren laten gaan. Zij heeft deze fotografen voorgoed verspeeld. De doden, en enkele nog levende ook. Wat hun betreft zijn de Oostenrijkers ze voor altijd kwijt, blijkt uit de interviews in de tentoonstelling. S. Franklin Spira: 'Ik kom graag terug in mijn land. Maar ik kom niet graag terug bij de mensen. Het land is net zo mooi als het altijd is geweest, het eten is goed, of zelfs beter. Maar al die mensen die het destijds zo nodig hebben gevonden mee te doen - dat is iets dat ik niet kan vergeven. Blijkens de statistieken was het overgrote deel - 70 of 80 procent - van de commandanten en andere hooggeplaatsten in de concentratiekampen Oostenrijker. Terwijl het aandeel van de Oostenrijkers in de bevolking van Groot-Duitsland maar 10 procent bedroeg! Dus hebben die zich deze baantjes zelf uitgezocht! Daarom is het zo moeilijk te vergeven.

'De Duitsers hebben na de oorlog snel geprobeerd toe te geven wat ze hadden gedaan, terwijl de Oostenrijkers verstoppertje speelden. Tientallen jaren! Wat gebeurd is, kan men niet ongedaan maken. Maar dat men in Oostenrijk alles heeft verheimelijkt en heeft beweerd: ''Wij waren zelf slachtoffer, wij hebben niets met die Hitler te maken gehad'' - dat was fout'

Wolf Suschitzky: 'Ik hou veel van het land, ik hou van de bergen, van het eten. Maar wat ik van de Oostenrijkers vind, weet ik zo net nog niet. Ik vind dat het land nog altijd vol nazi's zit. Ik wil hier niet meer leven. Maar op bezoek komen: graag.'

Trude Fleischmann: 'Drie jaar geleden was ik er weer. De boosheid is nu weggezakt en ik heb Wenen weer prachtig gevonden. Maar dat ik daar weer zou willen leven? Nee'

Übersee - Flucht und Emigration Österreichischer Fotografen 1920-1940, Kunsthalle im Museumskwartier, Messeplatz, Wenen, tot 15 maart. Dagelijks 10-18 uur, behalve di. Do: 10-20 uur.

Meer over