BeschouwingWilde dieren

De wolf is helemaal niet zo boos als de verhalen ons doen geloven

null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

Wie ‘wolf’ zegt, zegt ‘gevaar’. Dat is niet altijd zo geweest: lange tijd waren wolf en mens dikke vriendjes. Volgens schrijver Dik van der Meulen ging het mis toen de verhalen kwamen die de mens voorstelden als zachtmoedig schaap, en de wolf als duivel.

Je kunt er eindeloos naar kijken en velen hebben dit dan ook gedaan: de laatste beelden, op alle nieuwssites vertoond, van acht wolven die half januari op de Veluwe in een cameraval liepen. Hun rustige nieuwsgierigheid en vooral de moeiteloze dans waarmee ze tussen de bomen verdwijnen: een mooier pleidooi voor de wilde natuur is nauwelijks denkbaar.

Maar niet voor iedereen. In dezelfde week dat het wolvenfilmpje werd vrijgegeven, drongen boeren in Friesland erop aan een hek om hun provincie te zetten. Alleen zo konden de Friese schapen effectief worden beschermd, aldus de initiatiefnemers: ‘Door de snelle en onbeperkte uitbreiding van de wolf verdwijnen binnen tien jaar veel dieren uit de wei.’

Hoewel er een behoorlijk draagvlak is voor de aanwezigheid van wolven – tijdens een peiling vorig jaar zei 57 procent de terugkeer van de wolf in de Nederlandse natuur toe te juichen –, klinkt vanuit de veeteelt steeds luider de roep om straffe maatregelen tegen deze roofdieren. Dit geluid is oud, eeuwenoud zelfs – we kennen het uit Roodkapje, de Reinaert, de Bijbel en Griekse en Romeinse parabels – maar niet zo oud als de mensheid.

Naast elkaar

De eerste pakweg honderdduizend jaar was er eigenlijk weinig aan de hand. Toen de mens zich vanuit Afrika over Azië en Europa verspreidde, kwam hij daar de wolf tegen, waarna beide soorten merkten dat ze elkaar op zijn minst niet in de weg zaten: de een vond de ander niet bijzonder eetbaar en ze hadden weinig last van concurrentie tijdens het jagen.

Sterker: er zijn aanwijzingen dat de twee toppredators elkaars gezelschap opzochten. Mogelijk hadden mensen iets aan wolven tijdens het jagen, en omgekeerd staat vast dat de wolven wel raad wisten met wat mensen na hun maaltijd achterlieten. Belangrijker lijkt de sociale omgang te zijn geweest. Mens en wolf, allebei dieren die in familieverband opereren, werden tot elkaar aangetrokken. Er zijn fossiele aanwijzingen voor – versteende pootsporen van een wolf naast die van een kind, bijvoorbeeld –, maar het belangrijkste bewijs is een ondersoort van de wolf, waarvan er tegenwoordig wereldwijd bijna een miljard rondlopen, soms niet meer dan een paar decimeter groot en van dekentjes en strikjes voorzien: de hond.

Tot voor kort ging men ervan uit dat de mens zo’n elfduizend jaar geleden, tegen het einde van de laatste ijstijd, de wolf domesticeerde. Sinds een opzienbarende ontdekking in een grot in de Belgische Ardennen, aangevuld met vondsten elders in de wereld, wordt daar nu anders over gedacht. Al meer dan dertigduizend jaar geleden hadden mensen in de Ardennen honden en inmiddels staat vast dat dit op veel meer plaatsen op aarde het geval was. Het domesticeren van wolven heeft talloze malen plaatsgevonden, en af en toe gebeurt het nog steeds, in afgelegen gebieden in Rusland en ook in Noord-Amerika, waar de oorspronkelijke bewoners de wildernis lange tijd in betrekkelijke harmonie met de wolven deelden.

null Beeld Silvia Celiberti
Beeld Silvia Celiberti

Schapen

Waar ging het mis? Ook daarover bestaat weinig twijfel: met de uitvinding van de veeteelt, en vooral na de domesticatie van het schaap. Vermoedelijk zag de wolf dit als een geschenk van zijn oude vriend: de voorouders van de schapen, de moeflons, kwamen niet overal voor en lieten zich lastig vangen. Nee, dan die trage tamme schapen. ‘Het schaap wordt in dienst van de mens een volkomen afhankelijk wezen’, schreef de beroemde Duitse zoöloog Alfred Brehm 150 jaar geleden al. ‘Dat zulke schepsels goedaardig, zachtmoedig, vredelievend en onschadelijk zijn, is niet te verwonderen: domheid is de grondslag van hun gemoedstoestand.’

Daarop is natuurlijk wel iets af te dingen, en zeker is dat de schapenhoeders het anders zagen – en met hen de rest van de mensheid. Het schaap werd het evenbeeld van de mens, in de vroegste literatuur en ook in de Bijbel. Zie de woorden van Jezus, aangehaald in het evangelie van Johannes (10:11-12): ‘Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen. Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.’

De mens als schaap – en Jezus zelf elders bij Johannes als lam – en de wolf als de duivel: het was een metafoor die in de christelijke wereld aansloeg. De daadwerkelijke overlast van wolven was daarbij niet te miskennen: schapen waren als leveranciers van wol, melk en vlees voor de samenleving van onschatbare betekenis. Dat wolven in extreme omstandigheden en in tijden van hondsdolheid bovendien weleens mensen aanvielen, was aanleiding tot nieuwe parabels en verhalen. Jacob van Maerlant noemde de wolf ‘scalc ende wreet,/ Guls ende te roeve ghereet’. Verdorven, wreed en roofzuchtig was ook de wolf Ysengrijn uit Van den vos Reinaerde, onze mooiste Middelnederlandse roman. Het beroemdst werd de wolf van Roodkapje. In oudere versies van deze allegorie, die teruggaat tot de Middeleeuwen, verbeeldde hij de engerds die het op jonge vrouwen hadden voorzien, maar voor de meeste lezers bleef hij vooral een roofdier dat met alle denkbare middelen bestreden moest worden.

En dat gebeurde. De vervolgingscampagnes volgden elkaar in de late Middeleeuwen in hoog tempo op. In de 16de eeuw probeerde men in Utrecht zelfs met kilometerslange netten alle wolven te vangen, overigens met als resultaat dat een flink aantal Utrechtse wolven naar Gelderland uitweek, om het de herders daar extra moeilijk te maken. Dat de wolf rond 1800 ten slotte uit al onze gewesten verdween, kwam voor een belangrijk deel doordat de mens zijn natuurlijke prooidieren, zoals wilde zwijnen, reeën en herten, goeddeels had uitgeroeid. En de wolf bleek niet te gedijen bij schapen alleen.

Middeleeuws

Wie de reactie van de landbouwsector op de terugkeer van de wolf nader beschouwt, valt op hoe middeleeuws ze aandoet, waarbij het voorstel van de Friese hekkenbouwers bovendien herinnert aan die buitensporige Utrechtse netten. En dat terwijl er sinds die tijd nogal wat is gebeurd. Hoewel we nog steeds wollen sokken dragen en af en toe schapenkaas eten, is het schaap voor de huidige samenleving van oneindig geringere betekenis dan het destijds was. De schapensector in Nederland is relatief klein en krimpt al jaren.

Natuurlijk verdienen de schapen die er nog zijn bescherming, maar dat kan beter door afrasteringen (voorzien van schrikdraad) te plaatsen rond de percelen waar ze grazen, dan door een IJzeren Gordijn of een trumpiaanse muur om een complete provincie te bouwen. Buiten die schapenweiden zou de wolf meer dan welkom moeten zijn, want dat wolven en mensen uitstekend kunnen samenleven, is duizenden jaren lang gebleken. Al is Roodkapje een tijdloos sprookje en blijft de Reinaert een meesterwerk, Ysengrijn is aan rehabilitatie toe. De terugkeer van de wolf is vooral een aanwinst, zoals ook het filmpje van de Veluwse wolvenroedel weer eens laat zien.

Dik van der Meulen (1963) is schrijver en biograaf. Hij schrijft over uiteenlopende onderwerpen als Maya’s, natuur en wolven, en heeft vier biografieën op zijn naam staan. De kinderen van de nacht – Over wolven en mensen werd bekroond met de Jan Wolkers Prijs 2017. Op het moment werkt hij aan twee nieuwe biografieën, over Prins Bernhard en Jac. P. Thijsse.

Meer over