De wereld kan ietsje beter

Het architectenvak bood kort geleden nog veel kans op wereldwijde roem, met opdrachten voor gebouwen als iconen. Een jongere generatie kiest voor een andere invalshoek....

Door Hilde de Haan

Het Nederlandse landschap is gemaakt door mensenhanden. Alleen, we gaan er veel te ondoordacht mee om. Het jonge bureau Rietveld Landscape laat daarom zien hoe het ook anders kan. Bijvoorbeeld met het plan ‘Generating Dune Scapes’ (het maken van duinlandschap). Op metersbrede panelen hangt dit te pronken in het Nederlands Architectuurinstituut (NAi). Het toont de kuststreek bij IJmuiden.

Op de achtergrond spuugt het schoorstenenwoud van de hoogovens zijn bekende, dramatische rookwolken uit. Een supertanker glijdt voorbij, meeuwen klapwieken boven de duinen. Maar aan dat vertrouwde landschap zijn nu nieuwe, vreemde elementen toegevoegd.

Zo is het gigantische jaarlijkse zandoverschot uit de havenmonding gebruikt voor het maken van een extra duinlandschap, met ondergrondse hotels, dat zich tot in IJmuiden uitstrekt. Hiertussen is een Hotspring aangelegd, ofwel een openlucht heetwaterbad dat de restwarmte van de hoogovens benut. Een nieuw duinmeer vormt een zeldzame-vogelbroedplaats. ‘Ambitieus maar realistisch’, noemen Ronald (architect) en Erik Rietveld (econoom en filosoof) hun plan, dat in 2006 al is bekroond met de beroemde Prix de Rome.

Speels, milieubewust en inventief, dat zijn deze broers Rietveld. En, zoals de tentoonstelling Architectuur als noodzaak toont: zij zijn daar niet de enigen in. Ruim twintig vrij verwante bureaus zijn in het Nederlandse Architectuurinstituut bijeengebracht, waarbij bureaunamen als Freehouse, PowerHouse, Next en Search op mondiale ambities wijzen. De kans op prestigieuze, internationale bouwopdrachten liep echter de laatste tijd hollend terug. Ook het bouwen in Nederland is op een zeldzaam lage pit terecht gekomen.

Het blijkt geen reden te zijn, voor deze jonge mannen en vrouwen, om bij de pakken neer te zitten. Integendeel, zij zoeken ongebroken nieuwe kansen op. Soms zijn hun voorstellen bescheiden, soms utopisch – maar vooral opvallend is dat, op de puinhopen van het iconisch bouwen, blijkbaar idealisme gloort. Onder architecten was het lange tijd volstrekt passé om ‘de wereld te verbeteren’. Die slagzin krijgt nu een frisse klank.

De tentoonstelling maakt deel uit van wat het Nederlands Architectuurinstituut een ‘meerjarige missie’ noemt, namelijk laten zien wat architectuur kan betekenen voor maatschappelijke opgaven. Behalve deze expositie zijn er lezingen, excursies, symposia. Het startschot vond al najaar 2009 plaats met de boekuitgave Architectuur als Noodzaak – meteen de catalogus van de huidige, reizende tentoonstelling in Rotterdam die eerst naar São Paulo en naar Moskou is geweest.

Vooral Nai-directeur Ole Bouman verpersoonlijkt deze missie. Streng constateert hij in het boek dat juist architectuur veel schuld heeft aan de huidige wereldwijde crisis, met ‘gebouwen die zich niet bekommeren om hun bereikbaarheid, hun toegankelijkheid, hun aanpasbaarheid in gebruik, hun energieverbruik (...) of hun toekomstige beheer’. De wereld is, met andere woorden, verrot maar – en hier wordt dan de reden van deze tentoonstelling genoemd – het zijn volgens hem ook juist architecten die de oplossingen kunnen vinden.

Over de beroepsgroep als geheel is Bouman niet optimistisch. Daar wordt volgens hem veel energie verspild aan onzinnige discussies, zoals de vete tussen traditionalisten en modernen. Ook houden veel architecten zich liever bezig met hoogdravende concepten, dan met zoiets platvloers als wat maatschappelijk nodig is. En ten slotte zou de door de crisis zwaar getroffen beroepsgroep wel eens geen puf meer kunnen hebben om de problemen aan te pakken. Dat zijn drie zware handicaps, stelt hij, die de meesten van het echt belangrijke werk weerhouden. Maar er is hoop, toont het NAi: de exposanten zijn er een lichtend voorbeeld van.

Of dat zo is, is natuurlijk nog maar de vraag – wel tonen alle uitgekozen bureaus een hoopgevend optimisme. Opmerkelijk: de uiterlijke vormen zijn haast bijzaak voor velen van hen; blitse blikvangers zijn duidelijk niet ‘hun ding.’ Zo bekommert het Rotterdamse bureau 2012 Architecten zich voornamelijk om verantwoorde materiaalkeuze, liefst hergebruik van iets dat toch al dicht in de buurt was. Dit bureau kreeg bekendheid met villa Welpeloo in Enschede-Roombeek; een huis dat haast helemaal is gebouwd met spullen uit teloor gegane industrieën. De paternosterlift uit een vroegere textielfabriek is de spil van de hoofdconstructie en de gevel is geheel bekleed met hout van afgedankte kabelhaspels.

Minder bekend is, van ditzelfde bureau, de Rotterdamse speeltuin die nu ook wordt getoond. Een paar geweldige speeltoestellen blijken volledig te bestaan uit de verzaagde wieken van een vroegere windturbine. En het blijft, voor deze ontwerpers, niet bij bouwen. Ze hebben zelfs de site ‘Superuse’ opgericht die het ook voor anderen makkelijker maakt om met herbruikbaar materiaal te werken: vraag en aanbod worden op lokaal niveau bijeengebracht. De architecten zelf worden daar niet rijk van maar de wereld kan er wel een ietsje pietsje beter van worden; een houding die tekenend is voor iedereen die hier iets laat zien.

Milieubewustzijn is duidelijke geen belegen woord meer voor deze architecten. Velen geven hier welgemoed een nieuwe draai aan en voegen liefst nieuwe ingrediënten toe. Neem VenhoevenCS van wie het Amsterdamse Sportplaza Mercator wordt geëxposeerd – een gebouw dat helemaal met planten is begroeid om toch vooral bij het Rembrandtpark te horen. Het energieverbruik is minimaal maar een extra doel ligt hier op een ander vlak: het is bedoeld om multiculti-wijk De Baarsjes ook op sociaal gebied wat op te peppen. Een zwembad en een feestzaal, een café- restaurant en therapieruimten moeten mensen bij elkaar brengen die elkaar anders nooit zouden tegenkomen. Ton Venhoeven formuleert helder waar hij, en zijn geestverwanten, zich onderscheiden van hun meer op uiterlijk spektakel gerichte vakgenoten: ‘We willen situaties creëren die iets teweeg brengen, waar dingen gaan gebeuren. Als gebouwen technisch geavanceerd én ook nog cultureel interessant zijn, dan worden ze intensiever gebruikt en gaan ze langer mee.’

Zelfs het begrip ‘sociale woningbouw’ wordt opgepoetst. Terwijl het land de laatste decennia is vol gezet met dure huizen, waarvan de prijs door protserige vormen nog opgedreven is, wordt het maken van goedkope woningen door deze exposanten juist weer als ‘grote eer’ gezien. Maar dan niet op de manier zoals bekend is uit de hoogtijdagen van de volkshuisvesting, met eindeloze rijtjeshuizen en troosteloze flats. Nee, deze generatie zoekt naar nieuwe vormen, met vooral veel flexibiliteit.

Atelier Kempe Thill laat dat zien aan de hand van een recent woongebouw in Zwolle. Gezien het krappe budget is de materiaalkeuze sober; de kwaliteit ligt in de variabele indeling van de huizen. Biq stadsontwerp laat zien dat slechte jaren zestig flats met nieuwe onderkanten een gloednieuw leven kunnen beginnen. Terwijl 2by4-architects met zijn voorstel voor goedkope woningbouw meteen het probleem aanpakt van leegstand en verloedering zoals dat speelt op talloze bedrijventerreinen. Remco Remijnse en Rocco Reukema, van dit laatste bureau, hebben uitgezocht dat drie miljoen m2 kantoorruimte al twee jaar of langer leegstaat, waarvan 800 duizend m2 alleen al in de vier grote steden. En dat van de 35 duizend Nederlandse bedrijventerreinen zo’n 15 procent kampt met leegstand. Zij werkten daarom een voorstel uit om bovenop loodsen woningen te bouwen. Daarin tonen ze een houding die voor alle exposanten geldt, en die door Atelier Thomas Kempe wordt verwoord: ‘Bezig zijn met je vak is niet meer genoeg, je moet je altijd ook met de context bezig houden.’

Soms verhult het idealisme wel een gebrek aan bouwopdrachten. Een opmerkelijk aantal ontwerpers zegt ‘zelf werk te initiëren’. Dan nemen ze vaak rollen op zich die vanouds niet horen tot hun vakgebied. Ze stellen zich op als organisator of analist, verhalenverteller, schrijver of kunstenaar. Tekenend is het project van Freehouse dat zich opwierp om de Rotterdamse Afrikanermarkt, een verlopen bende, weer wat leven in te blazen. In nauw overleg met bewoners en marktkooplieden werden kleine ingrepen gedaan zoals het neerleggen van een rode loper voor een modeshow, en het oppimpen van kraampjes (waarna de omzet verdrievoudigde).

Zo ook bedacht Jan Konings een plan om de leegstand in de oude Haagse Transvaalwijk aan de kaak te stellen. Daarbij worden in de vele leegstaande oude huizen, of nog niet verkochte nieuwe panden, tijdelijke hotelkamers ingericht. Zonder personeel wel te verstaan: voor brood of koffie, een zwembad of een bar, moeten de ‘hotelgasten’ de buurt afstruinen die daarvan, is de gedachte, dan natuurlijk net wat beter wordt.

Ook Ergün Erkoçu van CONCEPT0031 bedenkt de meeste projecten zelf, en zweert voor het ontstaan daarvan bij ‘keukentafelontmoetingen’. Hier brengt hij mensen samen met verschillende achtergronden. ‘Daar gebeuren dingen, daar komt iets uit voort dat een project kan zijn, een experiment of een gedicht’. De verbreding van het vak die dat oplevert, heeft alleen maar voordelen, constateert hij: ‘Het is belangrijk niet alleen mooie dingen te maken. Een buitenkant alleen is veel te plat. Architectuur is de machine van het sociale leven, die bepaalt of mensen elkaar bijvoorbeeld ontmoeten, of juist niet.’

Oplossingen voor de grote wereldproblemen worden daarmee natuurlijk niet gegeven. Wat dat betreft gaat het NAi te snel door de bocht en is de toon van Bouman te pathetisch. Temeer omdat deze nog wordt versterkt door de nieuwe huisstijl van het NAi (door de Designpolitie) die boek en expositieruimten opscheept met een gruwelijke overdaad aan grote vette letters. Zo wordt gepretendeerd dat deze architecten ‘verlossers’ zijn; dat de gekozen bureaus ‘een voorhoede vormen’, en dat ze ‘oplossingen presenteren van kwesties die veel groter zijn dan architectuur, maar die niet zonder architectuur kunnen.’

Dat klopt gewoon niet helemaal. Veel getoonde projecten dateren van voor de crisis en laten voornamelijk zien dat niet alle architecten, ook toen al, hovaardige ijdeltuiten waren. Dat er in de marge al langer bureaus waren met grote betrokkenheid bij maatschappelijke problemen. En daarnaast, iets heel anders: dat de meeste architecten uiteindelijk toch op hun best zijn wanneer ze wel echte gebouwen kunnen maken, waar al dat idealisme met bouwkundige expertise en architectonisch vakmanschap kan worden gecombineerd.

Gelukkig valt er, wat dat laatste betreft, toch nog heel wat genieten in Architectuur als noodzaak. Denk dan even de sociaal wenselijke praatjes van de architecten weg en kijk alleen maar naar het platen van hun werk.

Van de prachtige toren van SeARCH in Putten bijvoorbeeld waar, in plaats van een gewone uitkijkpost, een afwisselende route is gecreëerd vol hellingbanen tot in de nokken van de bomen. Of van dat werk van Onix in het Noorse Stavanger: met een knipoog naar lokale houtbouwtechnieken is hier een uiterst duurzaam, uitdagend combinatiegebouw van woningen en kinderopvang gemaakt, waardoor een stille woonbuurt behoorlijk opknapt.

Met de uitbundige presentatie van dit soort projecten is de expositie inderdaad een warm pleidooi om de noodzaak van architectuur te erkennen. Maar redders zijn deze architecten niet. Het was juister geweest om, simpelweg, te wijzen op wat ze wel bijzonder maakt: hun optimisme, hun werklust en hun speelsheid. Met, als wellicht hun grootste charme: een vrolijk tikkeltje naïviteit.

Meer over