De wereld is verandering en schijn

De Portugese dichter Luís Vaz de Camões (1525-1580) schreef in de stijl van Petrarca vele sonnetten en canzones, waarin de doem van de liefde centraal staat....

Honderden jaren aan sonnetten hebben Petrarca tot een navolger van zichzelf gemaakt. En de liefde tot een leengoed van eeuwen later. In een klein aantal verover je het origineel op de schijnbare imitatie. (Misschien vind ik door de zekere knoestigheid ervan, onhandigheid soms, de sonnetten van Michelangelo beter; ze zijn alleen van hem gebleven.)

De Portugese dichter Luís Vaz de Camões, die leefde van 1525 tot 1580, schreef in de vorm en geest van het petrarkisme vele sonnetten en canzones, waarin de doem van de liefde centraal staat, vaak meer abstract en gedachterijker dan bij Petrarca. Maar toch: wie hem leest – nu in een net verschenen vertaling van August Willemsen – hoort echo’s van eeuwen, die alle pogen de gedichten tot schitterende imitaties te maken, hoewel: de vaak heftige paradoxen doen de traditie soms vergeten.

Al meteen in het vierde sonnet gaf ik mij gewonnen, aan de concreetheid van de tegenstellingen. De eerste strofe: ‘Liefde is een vlammengloed die men niet ziet;/Het is een wond die pijn doet zonder pijn;/Het is geluk, maar van geluk de schijn;/ Het is verdriet dat kwelt zonder verdriet;’

Willemsen vertaalde veertig sonnetten. Ik moet bekennen pas bij het vijftiende alle terughoudendheid geheel te hebben verloren, ik leerde kennen wat ik niet kende; ik gaf me over aan dit sonnet waarin de dienende liefde van de bijbelse Jacob voor Rachel verbeeld is, zeven jaar diende hij omwille van Rachel Laban. In het onvergelijkelijk mooie sextet begint hij aan een nieuw dienstverband van zeven jaar en de absoluutheid van zijn liefde – die zeven maal zeven jaar had kunnen dienen – staat in de laatste regels ‘Zeggend: ‘Meer zou ik dienen, ware voor/ Zo lange liefde niet zo kort het leven’.’ Dat leverde meteen de titel van de bloemlezing op.

Het 25ste sonnet werd voor mij een nieuw hoogtepunt, mede doordat ook hier elke abstractie afwezig is; het beeld is voldoende voor de gedachte. Dit is het octaaf: ‘Hemel en aarde, en de sterrenpracht,/ De golven kabbelend over het zand,/ De vissen, die in zee de slaap vermant,/ de rust, de diepste stilte van de nacht –/ De visserman Aónio, die zijn klacht/ Slaakt tussen wind en water op het strand,/ Roept de geliefde naam die in hem brandt,/ Niet méér nu dan een naam, die in hem brandt.’

De zee antwoordt natuurlijk niet en – de laatste regel – ‘De wind verwaait zijn woorden, onverhoord’. In een nieuwe ordening worden grote topoi (vaste gedachtenwendingen) uit de literatuur nieuw.

De nooit vervulde en verhoorde liefde – zij is een vloek, de geliefde een ‘geliefde vijandin’. De doem legt zich over het hele bestaan, dat levert prachtige regels op als: ‘Verlangens gaan en zo vergaat de tijd,/ vertrouwen gaat, en zo vergaat het zijn;/ De wereld is verandering en schijn/ En gunt de mens niets dan onzekerheid.’ Geen wonder dat de gedoemde dichter de dag vervloekt dat hij het daglicht zag, in een zwart sonnet (en een der uitmuntendste). Een enkele keer wordt door het Nederlandse taalgebruik een sonnet niet uit de conventie gered. Met drie sonnetten van zelfinkeer wordt de reeks van veertig afgesloten. Er lijkt berusting in de altijd tegenwerkende krachten van Lot en Fortuin.

In de vier opgenomen canzonen – meesterwerken van vertaling, gezien het zeer ingewikkelde rijmschema – blijven leven, klacht en aanklacht niet binnen de veertien regels. De dichter vult een grotere ruimte met wat een overzicht van het ongeluk lijkt. Waar de onmogelijkheid van het lied – dat dichten tegen de vergeefsheid van het dichten in – ook bij hoort. De vierde ode is – ook binnen het geheel van de bloemlezing – onovertroffen, in de verwoording van verlatenheid, hoop en verlangen. De laatste twintig regels zijn grandioos, en hoe schitterend bindend werkt het rijm hier.

De bloemlezing sluit af met zes redondilha’s. De dichtsoort (waarin Camões even aan de zwaartekracht van zijn sonnetten en canzonen ontkomt) hoort tot de volkspoëzie. De speelsheid van de eerste vijf wordt in de zesde en mooiste verlaten. Die is een parafrase op psalm 137, die begint met de woorden ‘Aan de stromen van Babylon zaten wij’. Er is de ballingschap (door de dichter aan den lijve ondervonden), Sion is ver, de lier is een de wilgen gehangen, er wordt de balling gevraagd te zingen. Maar hoe te zingen ver van Sion? Levens- en dichtsituatie vallen samen.

Achter het werk van de dichter, die Slauerhoff rekende tot de poètes maudits – hij vond zijn geestgenoten ook op verre afstand –, ligt een zeer onrustig leven, waarvan feiten en geest in een uitvoerig en zeer leerrijk ‘Nawoord’ door Willemsen uitvoerig worden beschreven. Veel feiten zijn niet bekend, als bij Shakespeare heeft het vermoeden het van de geschiedenis gewonnen. Willemsen is allerminst een speculant en zeker niet goedgelovig. In elk geval: de dichter heeft, al of niet vrijwillig, in Noord-Afrika, India, China en Mozambique gewoond (Portugal beheerste toen nog vele delen van de wereld). In Noord-Afrika verloor hij in een gevecht met Moren een oog, hij zat enkele keren in de gevangenis, leefde de laatste jaren op een klein staatspensioen, van de koning gekregen voor zijn epische gedicht ‘Os Lusíadas’ in Lissabon. Alleen de pen lijkt zijn zachtste – en zwartste – krachten uit hem tevoorschijn te halen. Zijn poëzie is tegen de achtergrond van zijn leven van een ongekende fijnzinnigheid en, voorzover ik dat kan beoordelen, ongewoon goed van techniek.

De wereld moge een groot Babylon zijn geweest, Sion een droom in de verte, de geliefde een onvervuld verlangen, hij heeft toch zijn lier de wilgen niet gegund. Tot ons geluk.

Meer over