De vier wezen van Vaarks boerderij

Vier gekleurde vrouwen zonder blanke meesteres. Toni Morrison geeft een indringend beeld van de Verenigde Staten aan de vooravond van hun grootste trauma: de slavernij....

Hans Bouman

Hoewel de Nobelprijs voor literatuur als regel wordt toegekend voor een geheel oeuvre, is er soms sprake van een ‘doorslaggevend’ werk. Bij Thomas Mann was dat ooit Buddenbrooks, bij Ernest Hemingway The Old Man and the Sea. Toen in 1993 Toni Morrison (1931) de onderscheiding ten deel viel, gingen critici ervan uit dat haar vijf jaar eerder verschenen roman Beminde hierbij een beslissende rol had gespeeld.

Beminde is Morrisons grote en – met 270 pagina’s – tegelijk beknopte roman over de Amerikaanse slavernij. Een cruciale, onvergetelijke scène in het boek is een bizarre liefdesdaad van een slavin, aan het eind van een mislukte ontsnappingspoging. Vlak voordat ze wordt achterhaald, maakt ze met behulp van een handzaag een einde aan het leven van haar dochtertje. Dat wil ze zo een leven in slavernij besparen.

De indrukwekkende manier waarop Morrison in Beminde gestalte gaf aan een gewichtige thematiek, en de overtuigingskracht van haar personages maakten het boek tot een hoogtepunt in haar uit vijf romans bestaande oeuvre.

Morrisons nieuwe roman, A Mercy, vertaald als Een daad van barmhartigheid, is haar beste sinds Beminde. En toeval of niet, in dit boek komt een gebeurtenis voor die bijna een echo lijkt van de wanhopige moord uit liefde in Beminde. Hij speelt zich af voor de ogen van de Nederlands-Engelse boer en handelaar Jacob Vaark. We leven in het jaar 1682. De namen ‘Amerika’ en ‘Verenigde Staten’ bestaan nog niet en de slavernij, hoewel aanwezig, is nog niet geïnstitutionaliseerd. Aan de oostkust van het nieuwe continent bevinden zich enkele kolonies, waar een bont gezelschap van Engelse en andere Europese avonturiers, autochtone bewoners en Afrikanen – zowel slaven als contractanten en vrijgemaakten – elk op hun eigen wijze een bestaan proberen op te bouwen, of in elk geval te overleven.

Jacob Vaark is naar de Nieuwe Wereld getrokken omdat hij een stuk bosland heeft geërfd van een oom die hij nooit heeft ontmoet. Met veel moeite hebben hij en zijn Engelse vrouw Rebekka een boerenbedrijfje opgebouwd. Op een dag reist Vaark zuidwaarts, naar het gewest Maryland, in de hoop daar een nog openstaand geldbedrag te innen van de Portugese planter D’Ortega. Hoewel de man in een groot huis woont en welvarend is, beweert hij geen geld te hebben en biedt hij een slaaf aan als betaling. Omdat Vaark een hevige afkeer heeft van deze vorm van zakendoen (‘Hij handelde niet in mensenvlees’) weigert hij. D’Ortega zet hem echter onder druk en uiteindelijk laat Vaark zijn oog vallen op de kokkin, niet in de laatste plaats omdat hij hoopt dat de Portugees haar niet zal willen missen, zodat hij toch onder de mensenhandel uit kan komen. Het plan wordt echter doorkruist als de vrouw hem smeekt niet haar maar haar achtjarige dochtertje te kiezen. Het is haar snel duidelijk geworden dat Vaark een menselijker figuur is dan haar eigen meester, en zo hoopt ze haar dochter een beter bestaan te geven. Haar smeekbede is de daad van barmhartigheid uit de titel, al ziet het meisje dat begrijpelijkerwijs geheel anders.

Tegen elke zakelijke logica in besluit Vaark zich te ontfermen over het kind, dat voorlopig noch als werkkracht noch als verkoopobject van grote waarde zal zijn. De lezer kan de achtergrond van deze beslissing dan al vermoeden. Vaark is immers zelf als wees opgegroeid, en weet als geen ander hoezeer een kind zonder familie afhankelijk is van de genade en welwillendheid van anderen.

Het meisje, Florens geheten, komt terecht in een huishouden dat veel verraadt over Vaarks pragmatische maar tevens goedmoedige levenshouding. Hij heeft zijn echtgenote tegen een bescheiden bruidsschat ‘besteld’ bij haar vader, die blij was van het eigenwijze kind af te zijn en zo bovendien een maag minder had te vullen. Ondanks dit weinig belovende begin, is er sprake van een succesrijk huwelijk.

De rest van het huishouden bestaat uit Lina, een autochtone Amerikaanse wier dorp door pokken werd geteisterd en daarna door kolonisten in brand gestoken, en Sorrow, een Afrikaans meisje dat ternauwernood overleefde bij een scheepsramp die – naar iedereen vermoedt – haar geestelijke vermogens danig aantastte. Vaark heeft beiden onder zijn hoede genomen. Alle bewoners van de boerderij zijn zo op een of andere wijze wees: hun ouders zijn overleden of hebben hen afgestaan.

Met name tussen de vier vrouwen ontstaat een gevoel van lotsverbondenheid, dat soms bijna het karakter van een familieband krijgt.

Elk van hen zoekt zijn toevlucht in een zelfgeschapen werkelijkheid. Bij Rebekka – die drie kinderen verliest bij de geboorte en een vierde als het vijf is – wordt dat de geïnstitutionaliseerde religie. Lina verlaat zich op een mengeling van half begrepen rituelen, bijbelvertellingen en indiaanse mythen, terwijl Sorrow zich een tweelingzus schept. Wanneer ze ouder wordt en in de puberteit komt, projecteert Florens haar idealen op een Afrikaanse smid, die ooit Lina heeft genezen toen ze ziek was, en op wie ze hopeloos verliefd is.

Zoals de lezer van haar gewend is, vertelt Morrison haar verhaal niet op eenvoudig toegankelijke, chronologische wijze. Ze voert een reeks vertellers op, met Florens als belangrijkste. En juist haar relaas is aanvankelijk moeilijk grijpbaar, vol als het is van verwarrende uitspraken en cryptische verwijzingen. Pas gaandeweg, en niet zelden na terugbladeren en herlezen, ontvouwt het boek zich, trekken de nevels langzaam op, kan de lezer de gebeurtenissen construeren en wordt duidelijk hoe bepaalde beschrijvingen moeten worden geïnterpreteerd.

Het verhaal komt in een stroomversnelling als Vaark sterft en vervolgens ook Rebekka ziek wordt. In de ongestructureerde samenleving van de kolonies is het bestaan van een groep vrouwen zonder man al een heikele aangelegenheid. Een groepje gekleurde vrouwen zonder blanke meesteres is ronduit vogelvrij.

Florens wordt erop uitgestuurd om de smid te vinden, die eerder Lina heeft weten te genezen. Dit leidt uiteindelijk tot een confrontatie tussen de twee, waarbij de hevig verliefde Florens zich opwerpt als zijn aanbidder. Hij wijst haar af omdat ze een slaaf is. ‘Dat heeft meneer van me gemaakt’, zegt Florens. ‘Nee. Je bent er een geworden’, luidt zijn antwoord. ‘Ik behoor alleen jou toe’, protesteert ze. Het antwoord: ‘Behoor jezelf toe, vrouw, en laat ons met rust.’

A Mercy is niet alleen een indringende beschrijving van de Verenigde Staten aan de vooravond van hun grootste trauma: de slavernij. Het boek legt ook bloot hoezeer mensen zich een ondergeschikte rol eigen kunnen maken, en die daarmee zelf bestendigen.

Op de laatste bladzijde vat Florens’ moeder – terugdenkend aan de traumatische gebeurtenis waarbij ze haar dochter aan Vaark aanbood – het nog eens samen: ‘heerschappij krijgen over een ander is moeilijk, heerschappij afdwingen over een ander is fout, een ander de heerschappij over jezelf geven is slecht’. Hans Bouman

Meer over