De verleiding van het westen

Tussen appeltaart en rijstkoek

Otterspeer Willem

Begin dit jaar hield Pankaj Mishra in Den Haag de Winternachtlezing van het gelijknamige literatuurfestival. Zijn thema was de globalisering van de literatuur. Uitgaande van de veronderstelling dat er zoiets was als 'wereldliteratuur', vroeg hij zich af hoe die tot stand was gekomen en wat er van de verschillende nationale literaturen restte.

Mishra liet zijn betoog voorafgaan door een kort persoonlijk relaas, een kleine geschiedenis van zijn lectuur. Hoewel Hindi zijn eerste taal is, was het eerste boek dat hij las Lytton Strachey's Queen Victoria. Dit had te maken met het feit dat zijn vader Engelse letterkunde had gestudeerd.

Het oogmerk van de Engelsen met dit soort studierichtingen in India was, zoals de Britse historicus Macauly het formuleerde, een klasse Indiërs op te leiden 'die kunnen dienen als tolk tussen ons en de miljoenen over wie we heersen'.

Dit maakte lezen voor die vader en voor velen van zijn generatie een eigenaardige bezigheid. De schrijver R.K. Narayan kreeg leesles uit een Engels boek dat opende met de prachtzin: 'A was an Apple Pie. B bit it. C cut it.' Narayan begreep heel goed wat B en C deden, maar aangezien hij nog nooit een appel gezien had, laat staan een appeltaart, was het goed raden naar de identiteit van A. Zijn leraar, die het evenmin wist, gokte dat het misschien een idli was, een Zuid-Indiase rijstkoek.

Voor Mishra zelf was dit slechts het begin. Want na de Engelse leesboeken kwamen de Russische klassieken waarmee de Sovjet-Unie de niet-gebonden derdewereldlanden inundeerde, en nog weer later kwamen de grote namen uit Amerika (Zuid zowel als Noord) en Europa (Oost zowel als West) op zijn pad. Dat wil zeggen dat zijn lectuur op de ritmiek van kolonialisme, Koude Oorlog en globalisering netjes de grote gebeurtenissen van de wereld volgde.

Bijgevolg was het bestaan van wereldliteratuur voor hem nooit een vraag. Die literatuur volgde gewoon de logica van de globalisering. En dat had Marx al voorspeld. 'Door haar exploitatie van de wereldmarkt', lezen we in het Communistisch Manifest, 'heeft de bourgeoisie de productie en de consumptie van alle landen een kosmopolitisch karakter gegeven.' Daar hoorde ook de literatuur bij. 'Nationale sentimenten en kleingeestigheid worden langzamerhand onmogelijk, en uit de talloze nationale en plaatselijke soorten literatuur treedt een wereldliteratuur tevoorschijn.'

Opmerkelijk is dat Mishra weinig van die wereldliteratuur moet hebben. Niet alleen voorziet hij het gevaar dat literatuur louter Engelstalige literatuur wordt, maar wat erger is, het leidt ertoe, zei hij in Den Haag, 'dat er een McLiterature ontstaat die zich aanpast aan een vlakke mondiale smaak voor het exotische.' Even lichtvoetig als hardhandig neemt hij vervolgens de sjablonen van Salman Rushdie, en in mindere mate van Zadie Smith en Monica Ali, op de korrel, auteurs die 'bijna exclusief de taak toebedeeld hebben gekregen om de communicatie tussen culturen te bevorderen'. Die communicatie is volgens Mishra beter gediend met goede vertalingen uit de nationale culturen, desnoods met voetnoten en woordenlijsten, dan met de grote maar soms nogal lege gebaren van Rushdie en zijn voorkeur voor het postmoderne 'allegaartje'.

Hoe het wél moet, illustreert Mishra voorbeeldig in zijn zojuist in Nederlandse vertaling verschenen reisreportages, De verleiding van het Westen. Dit boek is veel meer dan een bundel reportages. Gelezen naast bijvoorbeeld In Spite of the Gods van Edward Luce, springt het verschil meteen in het oog. Het boek van Luce is een tour de force, waarin het hele moderne India, zijn politieke moeras, economische schizofrenie, internationale verwikkeling en intense gelaagdheid, in hilarisch detail aan de orde komt. Het is tegelijk het boek van een journalist die de korte termijn en de gelukkige anekdote prefereert.

De rasschrijver die Mishra is, werpt zijn netten wijder en laat ze dieper zakken. Ook bij Mishra staat India centraal. H

ij schetst in drie hoofdstukken het failliet van de Congres Partij, het gevaar van het hindoe-nationalisme en de hilarische leegheid van Bollywood. Maar van daaruit trekt hij naar Kashmir, Pakistan, Afghanistan.

Hij zet India daarmee niet alleen in context en laat zien hoe dramatisch de miscalculaties en politieke perfiditeit in dat land zich uitvergroten in de regio. Hij betrekt ook op een veel intensere manier de geschiedenis in zijn verhaal. Elk hoofdstuk is steeds een zoektocht naar de juiste informanten en een corrigeren van eigen vooroordelen. En steeds verankert hij zijn relaas in de geschiedenis, in een voelbare wanhoop ooit vaste grond onder de voeten te krijgen. Vooral in die afwisseling - nieuwe informanten, meer geschiedenis, misschien minder vooroordelen, maar ook minder houvast voor een oordeel - is het boek een wonder van eerlijkheid en een voorbeeld van waarheidsliefde.

Neem zo'n hoofdstuk over dat hindoe-nationalisme, eigenlijk een portret van de RSS, de Rashtriya Swayamsevak Sangh, een beweging die op termijn het aanzien gaf aan de BJP, de Indiase Volkspartij. Deze beweging wordt door Mishra gekarakteriseerd als 'Indiaas fascisme', met slogans als 'geef mij bloed en ik geef je vrijheid'. Zijn relaas liegt er niet om: klopjachten, moordpartijen en verwoestingen, in 1992 culminerend in de vernietiging van de 16de-eeuwse moskee van Ayodha.

Mishra plaatst de werking van die beweging tegen de achtergrond van een eeuwenlange geschiedenis van moslim- en hindoe-vermenging of -syncretisme 'Het syncretistische verleden is er definitief passé, de moskeeën zijn met de grond gelijkgemaakt, en de minderheden worden onderdrukt.

Het is nu een Ayodhya waar plaatselijke bobo's, geholpen door gekozen politici, wachten op nieuwe lucratieve connecties met de wereldeconomie en zo, naast vele andere dingen, laten zien dat het religieuze nationalisme een diepgaand modern karakter heeft.'

Toch is het boek eerst en vooral een zoektocht naar zichzelf. Dat klinkt wat jeugdig, maar Mishra is allesbehalve puberaal. In zijn roman De romantici heeft hij de kinderlijke uitersten van westers wijsheidsverlangen en Indiase knokploegenromantiek adequaat in beeld gebracht. Wie met die roman in gedachten het eerste essay van De verleiding van het Westen leest, leert hoe autobiografisch die roman is.

De roman gaat over een jongen die door het lezen van westerse auteurs de oosterse wereld leert begrijpen. In dit nieuwe boek doet hij eigenlijk hetzelfde. Hij tast de werkelijkheid af als een ideale lezer, nooit te beroerd even een woordenboek te pakken, een passage nog eens te lezen. Tegelijk is het die leeshouding die hem van het Westen wegleidt.

Want uiteindelijk komt de reiziger terecht in Nepal, en vandaar in Tibet. Hij verzamelt intussen materiaal voor het boek dat vóór deze bundel, in 2005, verscheen, The End of Suffering - The Buddha in the World. Ook dit boek, hoofdzakelijk over Boeddha als katalysator in de westerse cultuur, is een persoonlijk verhaal, een ontdekkingreis. En toch is het nergens een egocentrisch boek. Ook hier is de aanvankelijke beweging er eentje van het Oosten naar het Westen. Maar uiteindelijk kan ook deze grote lezer van de westerse literatuur in het Westen niet aarden. En al zal hij zijn leven lang heen en weer pendelen, de zetel van zijn bestaan is de zelfgenoegzaamheid en geweldloosheid van Boeddha.

Het is die houding, 'het primaat van inlevingsvermogen en compassie' zoals hij het in De verleiding van het Westen noemt, die Tibet van China zal bevrijden. Het is de enige houding die ons, zo is de verzwegen suggestie, kan bevrijden van de hebzucht en de haat.

Het is een vreemde constatering. Juist door heel gedetailleerd te zijn, zijn Mishra's bevindingen van grote reikwijdte. Juist door de aarzelende vorm hebben ze een pertinente zeggingskracht. Juist door over zichzelf te schrijven geeft hij een intense urgentie aan de clash of civilisations. Juist door zijn aan

Meer over