De vergroting van een meisje uit Nazaret

BIJ ELK nieuw boek van een schrijver vult de lezer de voorgaande werken op. Het oudere onthult in wat erop volgt nieuwe, wellicht zelfs de ware betekenissen....

KEES FENS

Het lezen van het joodse Oude Testament als een zich vervullende tekst, vanuit het Nieuwe en vanuit het christelijk geloof en dat is het geloof van de vervulling, heet typologisch lezen. De kerkvaders waren er meesters in, grootmeesters in het ontdekken van de dubbelzinnigheid. Zij maakten het Oude Testament steeds voller, maar het Nieuwe niet minder. Hun lezen was ook een vorm van toeëigening en daarmee van ontjoodsing. Het gaf dat Oude Testament ook het karakter van voorlopigheid: het christendom was nodig om de ware betekenis ervan te onthullen. In de aanwijzing van de vervulling, vulden zij ook de evangeliën op met wat ze aan voorafbeeldingen, voorafschaduwingen, toespelingen, ontdekten in het Oude Testament. Het joodse en het christelijke boek groeiden steeds meer naar een eenheid. Ik weet niet wat er meer te bewonderen valt: de eenheidscheppende kracht of het vernuft van de onthulling en dat is het vermogen tot dubbelzinnig lezen. Het geloof dat alles wat geschreven is tot onderrichting is geschreven, houdt ook in dat niets zonder dubbele betekenis is.

De vraag kan zijn of ons hele lezen niet per se typologisch is. Wat zou kunnen betekenen, dat onze leesgewoonten en daarmee onze literatuuropvattingen in feite een bijbelse en oud-christelijke oorsprong hebben. Wie een gedicht interpreteert, laat het oude in het nieuwe in vervulling gaan, want de duiding is altijd naar het oude en vertrouwde toe, van de veralgemening, elke interpretatie eigen, het gevolg. Dat laatste kan allegorisering tot gevolg hebben, zoals men die kan aanwijzen in de typologische lezing door de christenen van teksten - en beelden - van de klassieke wereld. De oude christenen hadden geen eigen beeldtaal. Ze namen de bestaande voorstellingen over en vulden die met een christelijke inhoud. Die 'vulling' ging vanzelf functioneren als een vervulling. Met terugwerkende kracht werd het oude een al of niet gedeeltelijke allegorie van het nieuwe.

De vraag kan zijn of onze hele westerse cultuur geen typologische is. Die maakt dan intertekstualiteit op alle levensgebieden mogelijk: alles hangt samen doordat alles elkaar interpreteert. En in vernuft en pogingen tot samenhang doen heel wat literatuurwetenschappers niet voor de kerkvaders onder. De hele cultuur als een oud en nieuw testament samen, zij het voortdurend wisselend van omvang, maar ook van plaats! Wat nieuw is blijkt oud en het oude nieuw; een schrijver kan de voorloper zijn van een auteur die al eeuwen dood is. Alles vervult elkaar. In elk geval: nieuw bestaat niet, maar oud ook niet. Alles wordt tot het ene boek gelezen. En dat is wat met de joodse Bijbel en het Nieuwe Testament is gebeurd.

ZELDEN ben ik me de effecten van het oud-christelijke (maar ook hardnekkig aanwezig in de volgende eeuw) typologisch lezen scherper bewust geworden als in de eerste hoofdstukken van het boek Mary through the Centuries van de Amerikaanse hoogleraar Jaroslav Pelikan, auteur onder meer van de vier jaar geleden verschenen indrukwekkende synthetische studie Christianity and Classical Culture. Dat getuigt van een verbijsterende belezenheid in de Griekse kerkvaders - die grote eenheidscheppers van oud en nieuw. (Zelden is het begrip typologie voor mij geleidelijk zo duister geworden als in de vorig jaar verschenen studie Afterlives of the Saints, 'Hagiography, Typology and Renaissance Literature' van Julia Reinhard Lupton. Het boek wemelt van de schitterendste ideeën en citaten, maar waar je de knooppunten moet aanbrengen blijft onduidelijk.) Pelikans boek zou men de geschiedenis van een vervulling kunnen noemen, van een steeds voller worden ook van de figuur van Maria, de moeder van Jezus. (En van een, naar gelovige gedachte, zich steeds meer ontvouwende openbaring). Maar het is ook een studie over de ijzeren consequenties die het theologisch denken kan hebben.

Het is niet onverantwoord te zeggen dat het beeld van Maria voor het allergrootste deel typologisch gelezen is uit het Oude Testament. In het Nieuwe staat niet zo veel over haar en bijna alles nog alleen bij de evangelist Lucas. De volle betekenis van de teksten over Maria in het Nieuwe Testament werd gevonden in het Oude. In de lezing van de vaders uit Oost en West van het Oude Testament groeit de gestalte van Maria op. En die wordt steeds groter, naarmate meer teksten in haar in vervulling bleken te zijn gegaan. Wie wil, kan zeggen dat Maria voor een groot deel een schitterende theologische of typologische constructie is. Grote vrouwengestalten uit het Oude Testament, Eva natuurlijk in de eerste plaats, maar ook Miriam, de zuster van Mozes, laadden de figuur van Maria met betekenis. Heel veel teksten uit de wijsheidsliteratuur, het Hooglied bijvoorbeeld, verwoordden, nog overschaduwd door eeuwen die aan de openbaring voorafgingen, beelden van Maria. Misschien de beroemdste toespeling of verborgen openbaring vond men in Genesis en dat vooral in de teksten rond de zondeval. Als God tot de slang zegt: 'Ik zal vijandschap stellen tusssen u en de vrouw, tussen uw zaad en haar zaad en zij zal u de kop verpletteren' (de vrouwelijke vorm komt overigens uit een Latijnse vertaling, maar er is heel wat gelovig inzicht aan vertaalfouten ontleend) dan is de macht die de slang zal verpletteren, Maria. Dat is niet zo maar een vondst of een vaststelling; de interpretatie heeft grote consequenties voor het beeld van de rol van Maria en de steeds doorgaande vervollediging daarvan.

NATUURLIJK ontdekte men nooit wat men niet wilde vinden. Aan het typologisch lezen gaan heel wat vooronderstellingen vooraf. Maria heet de 'nieuwe Eva'. Dat is een heel rijke en vruchtbare benaming geweest, voor het eerst gebruikt door de oudste theoloog van de kerk, Irenaeus van Lyon, die in tweede eeuw leefde, een leerling was van Polycarpus, die weer een rechtstreekse leerling was van de apostelen. (De oorsprong als garantie, - dat is het begin (en de kracht!) van de traditie, die naast de Bijbel een grote rol zal spelen in het katholieke denken.) Christus heet de 'nieuwe Adam', - dat is het begin. Dat verdeelt niet alleen de geschiedenis in twee helften, maar stelt Adam ook voor de zonde en Christus voor de verlossing ervan. Het is een prachtig staaltje van dat typisch christelijke paralleldenken, dat een bijbelse vorm van denken is, althans een bijbels geachte, want uit lezen voortkomende wijze van denken. Een nieuwe Adam veronderstelt een nieuwe Eva. En zo werd de moeder van Jezus gezien. En zij werd ook de keerzijde van die Eva. De ongehoorzaamheid van de oude Eva kreeg naast zich de gehoorzaamheid van de nieuwe ('Mij geschiede naar uw woord'). Maria keerde als het ware de geschiedenis om, Eva werd 'Ave' en dat is niet zo maar een woordspeling, want ook taal werd eens nog geloofd.

De visie op Christus als de nieuwe Adam - op zich een gedachte met enorme mogelijkheden tot uitwerking - men kan die oude vaders het plezier in het steeds meer uitdiepen van een enkel gegeven niet ontzeggen - bracht de visie op Maria als de nieuwe Eva voort. Dat is een belangrijk gegeven. De 'groei' van de Mariagestalte is gevolg van de 'groei' van de Christusgestalte. Nieuwe gedachten over Christus brachten nieuwe gedachten over Maria mee, moesten die meebrengen, - daar is de genoemde ijzeren consequentie.

De grote strijd in de oude kerk gaat om de opvatting over de persoon van Christus. Uit die strijd komen altijd de dogma's tevoorschijn. De - verdacht geachte - tegenbewering dwingt tot scherp stellen van de eigen beweringen, het tegengeloof tot het vastleggen van het geloof. Wanneer men zich naar het god én mens zijn in één persoon van Christus heeft toegedacht, leidt dat tot wat de meest beslissende benaming van Maria is geworden: op het concilie van Ephese (het stadje waar ze ook zou zijn gestorven) wordt zij de 'theotokos' genoemd, de vrouw die God heeft gebaard. Maria werd de Moeder Gods. Alle dogma's over Maria, tot het laatste, in 1952, afgekondigde, dat van haar lichamelijke opneming in de hemel, zijn de consequenties van het Moeder Gods-dogma uit de vijfde eeuw. En de bijbelteksten stroomden toe waarin de dogma's al of nog in in knop in het Oude Testament aanwezig waren. Wat een gelijk kreeg men! Prachtige voorbeelden in Pelikans boek, dat vooral demonstreert hoe het theologiseren over Maria al in de oude kerk bloeide. Daar werd zelfs de grondslag ervoor gelegd.

Een heel goed hoofdstuk is dat over de maagdelijkheid van Maria. Zij was immers maagd en moeder. De al in de klassieke oudheid bloeiende ascese, die ook onthouding van seksualiteit kon betekenen, kreeg in het christendom een nieuwe, althans nieuw gerechtvaardigde gestalte. En Maria werd het grote voorbeeld. Het is meer dan ironisch dat de vrouw bij uitstek leidde tot een leer waarin de vrouw als verleidend wezen zo centraal zou staan. Misschien het meeste vernuft (ook in het gebruik van bijbelcitaten) is besteed aan wat de onbevlekte ontvangenis van Maria is gaan heten: zij is van de erfzonde vrij gebleven. Wat voor de godbarende - natuurlijk, zou ik haast zeggen - noodzakelijk was. Het hele boek kan aantonen, dat Maria steeds meer 'vrijgesproken' werd van bijna alle eigenschappen, de mens in Gods schepping en geschiedenis, eigen. En dat gebeurt naar het model van Christus. Het meisje uit Nazaret wordt haast een boven-menselijk wezen, dat ten slotte 'koningin van de hemel' wordt. Het hele proces als in dit boek beschreven, is er een van steeds doorgaande vergroting. Onvermijdelijk, gezien de grootheid van Christus.

Wie wil, kan die vergroting ook als een ontvouwing zien. Het mysterie is zo groot dat de inhoud ervan zich alleen geleidelijk kan ontplooien. De auteur wijst er haast terloops op, welke geschiedenis de woorden van het Laatste Avondmaal, 'Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed', hebben gekend. Pas na twaalf eeuwen kreeg de theologie van de transsubstantiatie gestalte. De grootheid van Maria kan pas langzaam zichtbaar worden, in die eeuwringen waarin de nieuwe boom van kennis traag groeit. Maar men kan alles ook als een altijd maar doorgaand proces van typologie zien. Voortdurend gaat wat nieuw is in het oude in vervulling, waardoor dat oude steeds voller wordt.

WELIKANS BOEK heeft als ondertitel Her Place in the History of Culture. Enkele grote culturele bewegingen, de Romantiek bijvoorbeeld, komen wel even in beeld, maar de tijd- en dus ook cultuurgebondenheid van elke nieuwe vergroting blijft buiten beschouwing. Was dat gebeurd, dan zou een werkelijk schitterende vorm van zelfbedrog zichtbaar zijn geworden. Men denkt het mysterie zich te zien ontvouwen - Gods openbaring gaat altijd door, langzaam, zoals ook zijn molens traag malen - maar in feite leest men het oude vanuit een nieuwe cultuur. En ontdekt zo altijd verborgen gebleven zaken, zoals de vaders vanuit hun geloof de betekenis van Oudtestamentische teksten ontdekten. De theologie is meer tijdgebonden of wereldser dan ze denkt.

Het Westen ontwaakte laat. De oosterse kerk heeft de grondslagen van de Maria-theologie gelegd (maar misschien wel van de hele theologie, maar dat weet Pelikan beter dan ik; Maria-theologie is overigens een veel betere term dan dat kleurloze 'Marologie'). Maar in het dogma van de lichamelijke ten hemel opneming van Maria ging het Oosten niet mee. Men kende zijn eindpunt.

Door het hele boek loopt een ander idee van ontvouwing. Die van het volksgeloof. Een dogma lijkt daarvan vaak de bevestiging: de viering was er eerder dan de afkondiging. En zo wordt een dogma een typologische lezing of samenvatting van het algemeen geloof.

Mary through the Centuries is een historische studie, geen theologische. Ook nu blijkt Pelikans eruditie ongewoon groot. En zijn kleine afzwaaiingen naar moderne teksten zijn altijd bijzonder, zijn uitweidingen over de beeldende kunst ook. En de mooiste passages zijn, uiteraard zou ik haast zeggen, over Dantes Paradiso. Dante aanschouwt, onder leiding van Bernardus van Clairvaux, Maria. De gelijkenis is het herkenningsteken. Zij lijkt op Christus, haar zoon (die gelijkenis is ook nogal eens geschilderd, het kind Jezus lijkt op de moeder). 'Theotokos', - dat wordt daar in de hoogste laag van de hemel pas definitief zichtbaar. En we geloven onze ogen tenslotte toch meer dan onze oren.

Jaroslav Pelikan, Mary through the Centuries, Her Place in het History of Culture, Yale University Press, New Haven and London, ¿ 61,00.

Meer over