De uitvinding van Friesland EEN NIEUWE GESCHIEDSCHRIJVING, MAAR EEN ONGEMAKKELIJKE

ER ZIT IETS krampachtigs aan het nieuwe handboek voor de Geschiedenis van Friesland 1750-1995. Twaalf, dertien jaar is eraan gewerkt, door wat uiteindelijk een redactie zou worden van twee historici, een socioloog en een antropoloog....

Het boek moest een dertig jaar geleden verschenen Geschiedenis van Friesland vervangen, dat weliswaar te boek staat als de eerste poging tot integrale geschiedschrijving van een van de Nederlandse provincies, maar dat ook al vanaf de jaren zeventig als verouderd werd beschouwd.

Die Geschiedenis van Friesland was een klassiek handboek, waarbij de materie van de schepping der Friezen af tot en met hun lotgevallen in het na de Tweede Wereldoorlog begonnen tijdvak, braaf in perioden was verdeeld en er binnen die perioden markante of significante thema's werden behandeld. Bij de vroegste periode hoorde een chapiter over de betrekkingen tussen de Friezen en de Romeinen, bij de Middeleeuwen een over de waterhuishouding en zo verder, en ten slotte werden er, bij wijze van toegift, nog enkele grote lijnen door de gehele Friese geschiedenis getrokken - die betroffen de karakteristieken van het landschap en de cultuur, datgene wat Friesland Friesland maakt, zou je zeggen.

Maar de wetenschap staat niet stil en zeker de historiografische productie heeft de afgelopen dertig jaar een enorme vlucht genomen. Die heeft ook Friesland niet ongemoeid gelaten: geen mens kan de verzameling artikelen, scripties, dissertaties en monografieën nog lezen die inmiddels dienaangaande ieder seizoen de wereld in gezonden worden. Bovendien had dat oude handboek iets ouderwets: je kon de meeste hoofdstukken erin gewoon lezen en je kon er tamelijk eenvoudig wat in opzoeken - jaartallen, wapenfeiten - en dat is allang niet meer de bedoeling van een historisch handboek.

Wat er nu ligt, beslaat een aanmerkelijk kortere periode en bestaat uit een tiental op zichzelf staande stukken die voor een drietal tijdvakken thematisch, of misschien moet je zeggen: disciplinair, de geschiedenis van Friesland op basis van de jongste inzichten in kaart proberen te brengen. De sociaal-economische geschiedenis wordt in een tweetal hoofdstukken behandeld, de culturele in twee andere, de politiek-bestuurlijke in drie hoofdstukken en, het eigenaardigst van al, de demografische in twee doorwrochte en rijkelijk met graphics geïllustreerde stukken, waaruit je bijvoorbeeld met enig puzzelen de kwantitatieve ontwikkeling van de bevolking van Achtkarspelen in het derde kwart van de negentiende eeuw kunt reconstrueren.

Het boek moest kennelijk dit jaar verschijnen om de viering van het vijfde eeuwfeest van Friesland 'als bestuurlijke eenheid', een ter plaatse nogal omstreden jubileum, luister bij te zetten - ook al behandelt het dan slechts de tweede helft van die periode. Het is te zien aan de merkwaardige inzetjes in de hoofdstukken waarin de politiek-bestuurlijke ontwikkeling wordt geschetst: er is geen Commissaris van de Koning of Koningin geweest in de afgelopen anderhalve eeuw of hij heeft zijn eigen necrologie in het boek gekregen. Met de statistische gegevens over het bevolkingsverloop zijn die cv-tjes van de hoogste provinciale ambtsdragers nagenoeg het enige wat je gemakkelijk kunt opzoeken in deze Geschiedenis van Friesland 1750-1995.

Voor het overige wreekt zich de krampachtigheid waarmee het hele project blijkbaar is aangevangen: het moest een 'officiële' geschiedenis zijn, dus leesbaarheid was een taboe, het moest voldoen aan hoogst modieuze criteria van integrale geschiedschrijving, dus het gebruik van het gezond verstand in het samenbrengen of splitsen van thema's, problemen, gebeurtenissen of levenslopen was verboden, en het moest alle voetangels en klemmen trachten te ontwijken waarmee je in Friesland nu eenmaal wordt geconfronteerd wanneer je het over de Friese geschiedenis wilt hebben. Friesland is namelijk niet alleen maar een gewest of een provincie, het is altijd een cultureel, vaak een politiek en soms een sociaal-cultureel ideaal. Zelfs het uitspreken van de woorden 'geschiedenis van Friesland' is er dikwijls al een politieke en altijd een culturele handeling.

Dat komt, vanzelfsprekend, doordat Friesland zichzelf niet als een gewone Nederlandse provincie beschouwt, op zichzelf staand door bestuurlijke afspraken, regionaal-geografische karakteristieken en historisch ingebedde lokale eigenaardigheden, maar overigens toch gewoon een provincie net als die andere elf. Nee, de zelfdefinitie van Friesland voltrekt zich doorgaans door middel van contrapositionering: je hebt Friesland versus Holland, Friesland versus Groningen of desnoods Friesland versus de wereld; niet voor niets verscheen er aan de vooravond van het door het provinciebestuur zelf geproclameerde jubileumjaar 1998 al een aparte bundel met studies over Negen eeuwen Friesland-Holland - Geschiedenis van een haat-liefde verhouding. Een dergelijk boek over de competities van Drenthe tegen Noord-Brabant of Overijssel tegen Zeeland zou ondenkbaar zijn.

Die ongemakkelijkheid over wat nu eigenlijk het onderwerp van een geschiedenisboek over Friesland moet zijn, zit er van meet af aan in; zelfs het onderwerp werd de redactie van het boek gaandeweg haar werkzaamheden uit handen genomen: het provinciebestuur wijzigde enkele jaren geleden de naam van de provincie pardoes in 'Fryslân', zodat er ongetwijfeld weer intensief vergaderd moest worden over de vraag of de auteurs van het handboek het nu nog met goed fatsoen over 'Friesland' konden hebben.

Het had voor de hand gelegen dat handboek daarom juist vrij dwingend vanuit een cultureel perspectief op te zetten - en dat oeverloze gemeier over de demografische ontwikkelingen te verbannen naar een van de gespecialiseerde tijdschriften van de Fryske Akademy, het instituut dat zich sinds jaar en dag bezig houdt met de officiële bestudering van Frieslands geschiedenis, cultuur, taal, economie en, jawel, historische demografie. Want, ik zei het al, de geschiedenis van Friesland is bij uitstek een culturele notie.

Niemand weet dat beter dan de historicus Goffe Jensma, die voor het nieuwe handboek een hoofdstuk schreef over de cultuur in Friesland gedurende de lange negentiende eeuw, maar die bovenal de auteur is van het scherpzinnige en kostelijke boek Het rode tasje van Salverda. Dat boek, waarin hij 'het burgerlijk bewustzijn en de Friese identiteit in de negentiende eeuw' behandelt, kan als een opmaat voor alle Friese geschiedschrijving worden beschouwd en, in één moeite door, voor alle geschiedschrijving van au fond ideologische noties als culturele, regionale of nationale grootheden.

WANT 'de Friese geschiedenis' is een negentiende-eeuwse uitvinding - en als we Jensma mogen geloven, geldt dat voor het hele idee van Friesland en de Friezen. De sporen van het ideologische karakter daarvan zijn tot op de huidige dag terug te vinden, tot in de inleiding van de Geschiedenis van Friesland 1750-1995. Daar stelt de redactie te hopen met haar werkzaamheden 'de dynamiek en de flexibiliteit van de Friese samenleving en bevolking gedurende de afgelopen eeuwen te hebben aangetoond', wat me toch meer de taak lijkt van Hans Wiegel, het Elfstedencomité en de firma Sonnema dan van een stelletje vakhistorici.

De centrale figuur in Jensma's boek is niet de onwelriekende Friese dichter Salverda uit de titel, maar de negentiende-eeuwse Universalgelehrter Joost Hiddes Halbertsma. Dat was een man van eenvoudige komaf, die theologie studeerde en zich daarna ontwikkelde tot een imponerende allesweter. Hij legde zich vooral toe op taalkundige en historische studies en op het oprichten en opzwepen van verenigingen die die studies zouden bevorderen en verspreiden. Hoe hij heeft kunnen lezen wat hij blijkbaar gelezen heeft, blijft een van die grote raadsels van de negentiende-eeuwse intellectuele productiviteit; hij moet namelijk zeker de helft van zijn tijd hebben zitten pennen. Zijn gepubliceerde oeuvre alleen al is omvangrijk, maar de hoeveelheid brieven, handschriften en anonieme of mystificerende stukken die vermoedelijk van zijn hand zijn, doet dat gedrukte oeuvre nog bescheiden lijken.

Halbertsma heeft het fundament gelegd voor de beoefening van talrijke wetenschappelijke disciplines in zoverre zij zich met Friesland bezig moesten houden. Maar die hele onderneming werd niet louter uit intellectuele belangstelling geboren: ze diende bovenal een ander doel.

Dat was de rechtvaardiging van het Fries-eigene, van datgene wat Friesland in zijn ogen typeerde en de Friezen tot zo'n uitzonderlijk volk maakte, ja, überhaupt tot een autonoom volk, met eigen gewoonten, waarden en natuurlijk ook onverdund en onvervreemdbaar bloed. In de eeuw van de modernisering - de auteurs van het handboek maken dat niet zonder reden tot een sleutelbegrip voor hun onderneming, al hebben ze verzuimd onderling af te spreken wat ze ermee bedoelen; Jensma doet dat in zijn boek kraakhelder -, in de eeuw die zichzelf zag als een overgangstijd, in de eeuw die zelfs het hele idee verzon dat we onszelf in de tijd moeten zien, dat we onszelf zelfbewust moeten positioneren op de tijdas van de geschiedenis, gebruikte hij het concept 'Friese geschiedenis' om de feilen van de wereld aan de kaak te stellen.

Dat heeft ons niet alleen een imposante reeks verbluffend erudiete studies opgeleverd, maar ons ook opgezadeld met een kolossale hoeveelheid slecht gedefinieerde noties, waaraan latere, minder belezen historici zich maar moeilijk kunnen ontworstelen - en met een hoeveelheid verrukkelijke ongein. Het leukste daarvan is het geruchtmakende Oera Linda-boek, het halverwege de vorige eeuw opgedoken anonieme handschrift dat de oeroude geschiedenis van de Friezen memoreert. Het is een kostelijk staaltje van sublieme studentenhumor: hoe kun je zien dat de Friezen uit Centraal Azië komen? Aan de naam van de Himalaya, een gebergte dat zo hoog is dat je, als je erop klom, de, in goed Fries, himmel kon aayen. Aan de oostkant van Europees Rusland heb je ineens overal bergen, en omdat het Friese woord voor overal 'oeral' is, heet dat gebergte nog altijd het Oeral-gebergte. De oude Friese schipper Neef Teunis werd in onheuglijke tijden in Rome achtergelaten, waar hij nog altijd voortleeft als de zeegod Neptunus.

Het Oera Linda-boek is de meest koldereske uitdrukking van dat negentiende-eeuwse verlangen de geschiedenis te gebruiken ten behoeve van een zelfdefinitie, waarbij de vraag 'wie zijn wij en hoe zijn wij geworden wie wij zijn?' sluipenderwijs werd vervangen door een tamelijk ongearticuleerd leidmotief omtrent wie we hadden willen zijn en waarom we zo voortreffelijk geworden zijn als we zijn. Wat dat betreft past de Geschiedenis van Friesland 1750-1995 naadloos in een traditie die vandaag de dag is uitgemond in een wanhopig stemmende behoefte telkens maar weer eigen identiteiten vast te leggen, nationale, regionale, culturele, persoonlijke en wat al niet meer.

Zoals het negentiende-eeuwse modernisme Halbertsma opwekte de 'eeuwenoude' eigenaardigheden en vooral deugden van de plattelandsbevolking in Friesland te mobiliseren, zo wekt de centralisering en homogenisering van Europa, in bestuur en cultuur, in economisch en sociaal opzicht, vandaag de dag op tot het schrijven van afgebakende regionale geschiedenissen - ook al kan geen mens in ernst volhouden dat de geschiedenis van een regio gedurende de negentiende en twintigste eeuw een autonoom fenomeen is.

Dat neemt echter allemaal niet weg dat je altijd de geschiedenis van welke kleinere geografische of culturele eenheid dan ook kunt schrijven; juist onze tijd heeft een reeks meesterlijke boeken over wat sinds Carlo Ginzburg de microstoria heet, zien verschijnen. Ook de auteurs van de Geschiedenis van Friesland 1750-1995 weten dat ze slechts zinvol over hun onderwerp kunnen schrijven als ze vergelijkingen maken met wat elders in dezelfde periode en op vergelijkbare terreinen is gebeurd.

De makke is alleen dat ze zich daarbij bedienen van een techniek van opdeling en samenvoeging die zijn tijd alweer gehad heeft: als ik mij niet vergis, is hun voorbeeld de begin jaren tachtig verschenen Algemene geschiedenis der Nederlanden geweest, dat peperdure handboek waarin je evenmin geacht wordt iets op te zoeken of na te lezen. De geschiedenis voltrekt zich, naar het in die tijd dominerende idee, op een stramien van objectieve of pseudo-objectieve krachten, zoals daar zijn de ontwikkeling van de economie, de gevolgen die zij heeft voor de samenleving, de ontwikkeling van de bevolkingsgrootte en de inrichting van het bestuur van dat alles. Pas in laatste instantie treffen we daarin - een oud marxistisch dogma - de cultuurgeschiedenis aan, die schuimkraag op het eenvoudige maar eerlijke bier van de zwoegende mensenmassa's.

Het is goed te zien aan de twee hoofdstukken over de cultuurgeschiedenis in de Geschiedenis van Friesland 1750-1995: Jensma behandelt er de negentiende eeuw in, op een wijze die te beschouwen is als een nevenproduct van zijn Het rode tasje van Salverda, en Johan Frieswijk de twintigste. Jensma is een eigentijds historicus, die de internationale literatuur over zijn onderwerp, ook de theoretische, op zijn duimpje kent, Frieswijk een recht in de leer opgevoede sociaal-historicus van weleer, dat wil zeggen: primair een historicus van de arbeidersbeweging. De eerste beschouwt daarom de cultuur als de bron van alle menselijke bedrijvigheid, de tweede ziet haar in essentie als een verdachte bezigheid die je maar het best kunt aanwenden om de noodlijdende klassen te verheffen.

MAAR OOK geschiedschrijving is een door en door cultureel fenomeen en de onderwerpen die daarin op zeker moment de boventoon voeren zijn het product van een bepaalde cultuur: het helpt enorm als de werkzame historicus zich dat realiseert. Wat mij betreft mag hij daar dan ook nog wel bij bedenken waarom hij dat vak bedrijft en waartoe. Om de demografie van Wimbritseradeel onder controle te krijgen, om een portrettenreeks van Commissarissen des Konings of der Koningin in te richten? Ook - maar nooit als doel op zichzelf, als einddoel. Het is er om gebruikt te worden: eerst moet het uitgezocht, dan moet het verwerkt en ten slotte moet het altijd geduid, desnoods om ons duidelijk te maken wie we zijn en hoe we in de tijd en op de wereld staan.

De geschiedenis is een verhaal dat het verdient verteld te worden, ook al dient die vertelling van tijd tot tijd een ander doel. Dat hadden de oude auteurs van de vorige Geschiedenis van Friesland - Kalma, Spahr van den Hoek en De Vries - wel aardig begrepen. De kaartenbakken, de databanken desnoods, zijn sinds hun tijd onmetelijk uitgebreid - en dus werd het inderdaad de hoogste tijd dat verhaal opnieuw te vertellen. De twee eigentijdse historici, de antropoloog en de socioloog verkozen echter de gegevens te gaan schikken in stevig afgebakende patronen. Daarin ging het verhaal, het unieke verhaal, ten onder, en daarmee de zin van hun onderneming, namelijk de mate waarin Friesland zich nu al bijna twee eeuwen wenst te bedienen van zijn eigen geschiedenis om zijn specifieke eigenaardigheid onder onze aandacht te brengen.

Dat is verdrietig, temeer waar zij in Het rode tasje van Salverda zo'n excellente gids hadden kunnen vinden.

Michaël Zeeman

Joh. Frieswijk, J.J. Huizinga, L.G. Jansma & Y.B. Kuiper (redactie): Geschiedenis van Friesland 1750-1995.

Boom/Fryske Akademy; 368 pagina's, * 59,50.

ISBN 90 5352 386 5.

Goffe Jensma: Het rode tasje van Salverda - Burgerlijk bewustzijn en Friese identiteit in de negentiende eeuw.

Fryske Akademy; 317 pagina's; * 35,-.

ISBN 90 6171 852 X.

Ph.H. Breuker & A. Janse (redactie): Negen eeuwen Friesland-Holland - Geschiedenis van een haat-liefde verhouding.

Walburg Pers; 320 pagina's; * 59,50.

ISBN 90 6011 995 9.

Meer over