De toestand der muzijk

Honderdeneen jaar lang, van 1844 tot 1944, was het tijdschrift 'Caecilia' de spiegel van het Nederlandse muziekleven. Een schat van informatie, nu voor het eerst goed toegankelijk gemaakt....

Tijdschriften over klassieke muziek, voorzover ze er nog zijn, leiden tegenwoordig een kwijnend bestaan, maar in een tijd dat er geen andere media waren dan het geschreven woord was een blad als Caecilia een onmisbare vraagbaak en gids voor de muziekliefhebber. Van 1844 tot met 1944 verscheen elke twee weken een aflevering van het tijdschrift, met uitvoerige verslagen van concerten, verhandelingen over de 'toestand van de muzijk', berichten uit den vreemde, en wat dies meer zij.

De verzamelde jaargangen van Caecilia, te vinden in enkele grote bibliotheken, herbergen dus een schat aan gegevens. Alleen: wie iets wilde weten over, bijvoorbeeld, de optredens van Robert Schumann hier te lande, moest op zijn minst honderden pagina's doorvlooien om te vinden wat hij zocht.

Dat hoeft nu niet meer, want sinds kort is er een index op het tijdschrift, althans over de periode 1844-1880. De acht fraai uitgevoerde folianten worden vandaag in de Koninklijke Bibliotheek officieel gepresenteerd.

'De uitgave maakt deel uit van het RIPM, Répertoire International de la Presse Musicale', vertelt editor Liesbeth Hoedemaeker. 'Dat is een project waaraan zeventien landen deelnemen, met als doel om alle belangrijke negentiende-eeuwse muziektijdschriften te ontsluiten.'In de loop van zeven jaar heeft Hoedemaeker zevenendertig jaargangen Caecilia gelezen, trefwoorden geselecteerd, en die, voorzien van annotaties, volgens de RIPM-richtlijnen in de computer ingevoerd.

'Het is echt een uitgave voor bibliotheken, ten dienste van onderzoekers,' zegt Hoedemaeker, 'maar het leuke is dat hij ook online beschikbaar is – dus niet alleen Caecilia, maar alle door RIPM verzamelde gegevens. Het is de bedoeling dat de gebruikers ooit ook de artikelen zelf kunnen opvragen, maar dat is nog toekomstmuziek.'

Dat noopt dus tot een bezoekje aan de Utrechtse letterenbibliotheek, waar Caecilia compleet en netjes ingebonden op de plank staat – in fotokopie weliswaar, want je kunt papier van anderhalve eeuw oud niet zomaar blootstellen aan de zuurhoudende vingers van willekeurige passanten.

Bij gebruik van de index blijkt dat het vooral de annotaties zijn die het hem doen. Dat maakt de uitgave tot een heuse sleutelbos: de deur naar elk artikel staat als het ware al open. Zo beslaat het lemma 'Brahms', zoals te voorzien is, verscheidene pagina's. Maar er staat telkens bij om welke composities het gaat, en de twee concertreizen die hij door Nederland maakte zijn snel gevonden.

Brahms' optreden op 22 januari 1876 in Utrecht maakt bij de niet met name genoemde recensent een grenzeloze bewondering los, maar de criticus die er op 1 maart in Amsterdam bij was is zuiniger: 'Brahms is naar mijn inzien een man van groot talent, een uitstekend componist; maar dat hij in de geschiedenis der muziek zulk een gewichtige rol vervult als velen zijner vereerders meenen, ontken ik.'

Aardig is het ook om het eerste nummer van 1844 te bekijken, waarin een uitvoerige inleiding van F.C. Kist, de oprichter van het blad, gevolgd wordt door een artikel 'Over de regte behandeling van het orgel' door ene A.G. Ritter, organist te Erfurt. Het net van Caecilia-medewerkers beperkte zich beslist niet tot het binnenland.

Omdat de verwijzingen bij elk trefwoord chronologisch geordend zijn, laten vele lemmata zich lezen als een beknopte geschiedenis. Bij 'Sweelinck' is te zien dat de belangstelling voor onze grootste componist vanaf 1870 significant feit.

En dat heeft inderdaad zijn vruchten afgeworpen: de index op Caecilia is ten dele bekostigd door de KVNM.

toenam. Zo is ook het ontstaan van de (later tot Koninklijk verheven) Vereniging voor Muziekgeschiedenis te volgen vanaf de allereerste plannen, waarvan Caecilia op 15 juli 1868 verslag doet: 'De vereeniging zou zelfstandig moeten trachten het (tot onze schande) zoo slordig braakliggend veld van ons roemrijk kunstverleden te ontginnen en bovenal te redden, wat er in ons land in openbare verzamelingen of bij bijzondere personen nog te vinden zij van nederlandsche muziek-en boekwerken van dien aard!' Een half jaar later al is de oprichting een feit.

En dat heeft inderdaad zijn vruchten afgeworpen: de index op Caecilia is ten dele bekostigd door de KVNM

Meer over