De tijd zelf

De Onvoltooide van Mulisch

Arjan Peters

In de nalatenschap van Harry Mulisch (1927-2010) bevond zich een onvoltooid verhaal van 22 pagina's. De tijd zelf verschijnt volgende week, met meer dan honderd pagina's dagboekaantekeningen en commentaar.

Met de symboliek zat het wel goed. 'Daarna niets meer', luidde de laatste zin van de roman Siegfried (2001) van Harry Mulisch, en in de daaropvolgende jaren afficheerde hij zich ontspannen als de uitgeschreven schrijver, die heel goed niets kon doen. Vorig jaar mei zat ik bij hem aan tafel in het Amstel Hotel te Amsterdam, waar de uitreiking van de Libris Prijs zou plaatsvinden. 'Anders ga ik me vervelen thuis', zei hij, 'en dan zou ik op de tv gaan kijken - naar wat hier gebeurt. Ben ik er liever bij.'

Ook zijn naaste vrienden wisten niet dat hij in de eerste jaren na Siegfried bezig is geweest met een verhaal dat een novelle of roman zou moeten worden. Titel: De tijd zelf. De eerste aanzetten dateerden van 1983; twintig jaar en vijf versies later waren er nog maar tien pagina's, die in druk 22 pagina's beslaan. In de jaren na 2003 kwam daar niets meer bij, maar toen Mulisch in de vorige zomer wist dat hij niet lang meer zou leven en twee beheerders van zijn nalatenschap aanwees (Marita Mathijsen en Arnold Heumakers), attendeerde hij hen onder meer op De tijd zelf. Hij wist dus dat die titel aan zijn oeuvre zou worden toegevoegd: een onvoltooid boek, feitelijk een nog maar net begonnen boek, het bewijs dat een schrijver weliswaar kan sterven maar dan slechts zijn leeftijd kwijt is, omdat er aan de schrijftijd nooit een einde komt. De onvoltooide staat van het manuscript lijkt dat zelfs te illustreren.

Een jaar na zijn dood verschijnt het nieuwe boek van Harry Mulisch. De voorgaande zin zou hem deugd hebben gedaan. Het is voorstelbaar dat hij, toen hij De tijd zelf bestempelde als eventueel publicabele kopij, gedacht heeft aan Marcel Proust (1871-1922) wiens romancyclus Op zoek naar de verloren tijd pas vijf jaar na zijn dood werd voltooid, door de publicatie van het slotdeel De tijd hervonden. In dat deel spreekt de auteur de vrees uit dat hij zijn project niet zou kunnen voltooien: 'Ik wist heel goed dat mijn brein een rijk ertsbekken was, waar zich een immense en veelsoortige laag kostbare afzettingen bevond. Maar zou ik de tijd krijgen om die te exploiteren? Ik was de enige persoon die het doen kon. Om twee redenen: met mijn dood zou niet alleen de enige mijnwerker, in staat om die mineralen op te delven, verdwenen zijn, maar ook de ertslaag zelf.'

Proust en Mulisch kampten tegen het eind van hun leven met gezondheidsproblemen. Maar Proust wist waar hij naar toe wilde. Mulisch had zijn verhaal al in 2003, bij gebrek aan een kern, of een overkoepelend idee, in de steek gelaten.

Toch wilde hij dat De tijd zelf werd uitgegeven, en zei hij op 29 augustus 2010 tegen Marita Mathijsen dat zijn Onvoltooide moest worden opgedragen aan Tonio van der Heijden (1988-2010), de zoon van Adri van der Heijden en Mirjam Rotenstreich die een paar maanden eerder vlak vóór het huis van Mulisch 's nachts werd aangereden, waarna hij in het ziekenhuis was gestorven. Zo staat het vóór in De tijd zelf: 'Een groet van de dode aan de dode.'

Mulisch was ten dode opgeschreven, maar zou nog twee maanden leven. Met zijn opdracht deed hij iets buitengewoons: om de dode te groeten plaatst hij zich naast hem, noemt zich dood, alsof ook hij de tijdsgrens al was gepasseerd. Vermoedelijk zou Mulisch zich hebben kunnen vinden in de Twentse uitdrukking voor doodgaan: uit de tijd komen.

En zo werkt alles mee om van de uitgave van De tijd zelf, 22 pagina's tekst, gevolgd door meer dan 100 pagina's met commentaar, kladjes, dagboekaantekeningen en eerdere versies, iets substantieels te maken.

Het verhaal heeft niet veel om het lijf: de publicist Melchior Post, die een aparte theorie heeft over de tijd, gaat in Londen in debat met een filosofieprofessor - ware h

et niet dat hij 's nachts zijn wekker omstoot.

Mulisch wilde voorts iets schrijven over zijn moeder (die pas in 1996 in Amerika was overleden), over zijn ervaringen op het vulkaaneiland Lanzarote in 2001, en iets over een man met een omgekomen zoon of dochter.

Dat laatste onderwerp intrigeerde hem al veel langer: in 1983 had Mulisch zich gestort op de gedichten die Stéphane Mallarmé in 1879 voor zijn gestorven zoon Anatole had geschreven (onvoltooid).

Ouderschap, dood, tijd: daar zou het over zijn gegaan. Met de suggestie dat de fantasie, de droom en de kunst in staat zijn zich tegen de tijd te verweren, een gedachte die het hele werk van Mulisch doortrekt. Het gaat er dus niet zozeer om wát hij ons nog had willen vertellen, maar vooral: hóe hij het dit keer zou hebben gedaan.

Op 30 maart 2003 leek de oplossing nabij, toen hij in zijn dagboek over De tijd zelf (TZ) noteerde: 'Eindelijk, ik heb het! Het overkoepelende idee voor TZ: de zich openende horizon, uit 1971, tweeëndertig jaar geleden, zo oud als Anna. Pythagoras!' Anna, de dochter van Mulisch, werd geboren in 1971. Verder noemt bezorgster Mathijsen deze passage duister. Maar een bezorger is geen mijnwerker. We krijgen een glimp te zien van Mulisch' binnenste, van de ertslaag, dát is er bijzonder aan. Dat het daar in onze ogen duister aan toe kan gaan, spreekt vanzelf.

Bezorger Heumakers werkt zelfs op de lachspieren, wanneer hij Mulisch citeert over melodieën ('de abstractste, droomachtigste verhalen aller verhalen') en dan kribbig opmerkt: 'Het klinkt prachtig, maar veel schieten we er niet mee op.' Een beroepsuitlegger die van kladjes en aanzetten verlangt dat hij er zélf 'iets mee op schiet', heeft niet begrepen dat het al heel wat is dat Mulisch hem in zijn mijn heeft laten afdalen.

We weten nu ook (uit zijn dagboek) dat Mulisch in 2000 naar heeft gedroomd over Theodor Holman, 'een tweederangs columnist bij Het Parool', dat hij Herman Brood 'graag mocht', en dat hij in 1999 dacht dat zijn horloge stil stond, een nieuw kocht, en toen bleek dat zijn horloge niet stil stond het nieuwe twee dagen later als Sinterklaascadeau aan zijn vriendin gaf.

Als er één boek is dat een open einde moet hebben, waarbij zelfs een open begin is geoorloofd, dán De tijd zelf, een niet-bestaand boek dat toch deel uitmaakt van het oeuvre, precies een jaar nadat de maker ervan uit de tijd gekomen is.

Om symboliek zit Mulisch nog steeds niet verlegen.

undefined

Meer over