De terugkeer van traditie

De figuratieve schilderkunst was lang verguisd, maar is inmiddels bezig aan een revival. Haalt voorvechter Diederik Kraaijpoel zijn gelijk? Niet echt....

Door Merlijn Schoonenboom

Het is zondagmiddag in museum Jan van der Togt als er een, laten we maar zeggen, nogal onmuseale handeling plaatsvindt. Een middelbare man, keurig in zondagse trui, zet een handtekening.

De museummedewerker feliciteert hem, zijn vrouw maakt een foto. Hij heeft zojuist één van de potloodtekeningen gekocht die aan de museummuur hangen. Een naaktstudie, 1850 euro, van Evert Thielen.

Van wie? Van Evert Thielen, ‘één van Nederlands bekendste kunstenaars’, zegt de museummedewerker. De kopers knikken ijverig. Ze volgen Thielen al jaren, via lezingen, of bij Ivo Niehe op tv.

‘Wat zou hij met dit naakt toch bedoeld hebben’, zegt de vrouw. Een grap natuurlijk. Want bij Thielens kunst hoeft ze zich dat niet af te vragen. Thielen hééft helemaal niets bedoeld met zijn naaktstudies. De vrouwen op de tekeningen lachen als op de Nivea-reclame, de huid glimt dankzij een vleugje wit krijt, de borsten staan altijd op Playboyniveau.

Op zijn website geeft Thielen de verklaring van het succes: ‘Evert Thielen. Het beste bewijs dat de authentieke schilderkunst nog steeds leeft. Sterker nog: het werk van Thielen zorgt voor een ‘‘revival’’ van de figuratieve kunst.’ Het is een constatering die opeens overal opduikt, en onmiskenbaar gepaard wordt aan een gevoel van triomf. Iets verderop, in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem (MMK), staat op een persbericht een dergelijk statement: ‘Traditie, daar schrikt het kunstpubliek niet meer van. Figuratieve, ja zelfs realistische voorstellingen zijn weer tamelijk populair.’

De aanleiding: een tentoonstelling van werk van Diederik Kraaijpoel. De man die Nederland ‘het Albanië van de moderne kunst’ noemde: nog strenger in de leer van de abstractie dan elders. Al twintig jaar ideoloog der realisten, en zelf schilder van ‘romantische landschappen’: ‘In het begin van zijn loopbaan, in de jaren zestig, hadden mensen daar moeite mee’, constateert het MMK: ‘Intussen is de smaak aan het veranderen.’

De miskende kunstenaar van de 20ste eeuw, zo hebben wij immers begrepen uit Kraaijpoels boeken als De Nieuwe Salon, en Was Pollock kleurenblind ?, was niet de vernieuwer, maar de conservatief. Ja, de rollen waren zelfs volledig omgedraaid: vernieuwing werd dogma, klassieke traditie werd beschimpt. Lees de catalogus van kunsthandelaar Loek Brons over Thielens academietijd: ‘Het schilderen was dood verklaard, het grote experimenteren was begonnen. Thielen voelde zich buitengesloten. Gefrustreerd en ontgoocheld verliet hij halverwege zijn studie de academie.’

De tijd van revanche lijkt echter aangebroken: de figuratie is aan een flinke opmars begonnen. En niet alleen in de wereld van de oude garde figuratieven. De figuratie wordt immers ook door een jonge generatie kunstenaars weer gebruikt, door hen die door, om Kraaijpoels woorden te gebruiken, ‘de officiële kunstwereld’ als vooruitstrevend worden omarmd.

De Engelse kunstpaus Charles Saatchi heeft de haai op sterk water van Damien Hirst verkocht en maakte een tentoonstelling over The Triumph of painting, alsof hij wil zeggen: de tijd van de installaties is voorbij, terug naar verf, ja zelfs figuratie, op doek. Marlene Dumas wordt voor miljoenen verkocht, uiteenlopende figuratieven als Ronald Ophuis, Natasja Kensmil en Erik van Lieshout zijn overal te zien.

Zelfs de academische kunstgeschiedschrijving is in rap tempo aan het veranderen. De decennia lang bejubelde vernieuwers worden vermoeid terzijde geschoven ten gunste van de traditionelen: het Van Goghmuseum kiest al lang niet meer alleen voor Monet, maar scoorde met Redon, Von Stuck en Rossetti, en als het opeens een aartsconservatief als de Franse Salonschilder Alexandre Cabanel tentoon zou stellen, zou dat zeker ‘verfrissend’ worden genoemd.

En dat terwijl figuratie en traditie in Nederland lang synoniem werd gevonden met dat wat het ‘tweede circuit’ werd genoemd. Kleine enclaves in de jaren zeventig, zoals Galerie Mokum in Amsterdam, en een vriendenclubje op de Academie Minerva in Groningen. Zij koesterden hun geuzennaam ‘figuratieven’, waarmee echter een zeer diverse groep werd aangeduid: magisch-realisten, landschapschilders, schilders die het doek vulden met potjes in stemmige lichtval, of erotische droomvisoenen in surreële (Melle) of fin-de-siècle stijl (Wout Müller).

Ook die markt trekt aan. Sinds vorig jaar is er de beurs Realisme in Amsterdam, opgericht door voormalig KunstRAi-directeur Erik Hermida. De passagiersterminal werd met gemak gevuld: waren er tot 1995 in Amsterdam slechts vijf galeries voor figuratieven, nu is dat aantal flink gegroeid. Het laatste decennium zijn er opeens overal exposities: van het door de club zelf opgerichte Museum De Buitenplaats in Eelde tot het Noordbrabants museum in Den Bosch, van het Cobra Museum in Amstelveen tot het Drents Museum in Assen. En Henk Helmantel, schilder van stillevens en kerkinterieurs, is één der best verkopende kunstenaars van het land.

Het wachten was op de bezegeling van de ontwikkeling. Dat gebeurde eind februari, toen bekend werd gemaakt dat in Groningen de eerste Klassieke Academie voor Schilderkunst (geschreven met krulletters) zal worden opgericht, te beginnen in september. Een kunstenaar zal hier allereerst ‘ouderwetse’ schildertechnieken leren. Want: ‘In de 21ste eeuw is de vraag naar de klassieke benadering in het kunstvakonderwijs sterk gegroeid’, zegt oprichter Tom S. Hageman. ‘Niet alleen omdat deze traditie meer en meer waardering geniet, maar ook omdat de perspectieven voor de kunstenaar hier gunstiger zijn dan in de andere richtingen.’ Onder de docenten de usual suspects uit het oude circuit: Matthijs Röling, Diederik Kraaijpoel, Henk Helmantel. Veelal voormalig Academie Minerva Groningen, dat zijn klassieke afdeling had bekort.

En dus: triomf. ‘Als je maar genoeg treuzelt in de achterhoede, kom je bij het volgende bataljon vanzelf voorop te lopen’, zei Kraaijpoel ooit. Nu stuurt het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem deze woorden rond bij zijn tentoonstelling. Directeur Max Meijer noemt hem zelfs bewonderend ‘de meester’. Want heeft hij geen gelijk gekregen?

Ja, maar niet zoals hij zelf denkt.

De huidige tijd kenmerkt zich door morele onzekerheid, geeft de Schirn Kunsthalle in Frankfurt als onderbouwing van een komende tentoonstelling over Nieuwe romantici: relatief jonge kunstenaars die traditioneel werken, en soms zelfs uitgesproken romantische voorstellingen maken.

De terugkeer van traditie in de kunst is het resultaat van een bredere culturele ontwikkeling, analyseert Schirn. Ook kunstenaars weten het allemaal niet meer, door het wegvallen van sociale structuren, door terreur en door vervuiling. Verzet was ooit een optie, nu zijn er een flink aantal kunstenaars die zich terug hebben getrokken in Wunschwelten: ze delen een hang naar oude tradities, een hang naar Duitse romantiek. Maar, zegt het museum er nog wel even bij, we hebben hier te maken met ‘hoogst actuele kunstenaars’: Peter Doig, David Thorpe, Christopher Orr.

Diederik Kraaijpoel zal zich thuis voelen bij het statement. Hij ziet zichzelf immers ook graag als schilder in de traditie van Caspar David Friedrich. Hij schildert óók natuur, liefst dramatisch. Een natuur die tot bezinning moet manen.

Maar toch. Juist op het moment dat alles zo op elkaar begint te lijken, valt er een aantal heel grote verschillen op. Dat is het mooie van het MMK in Arnhem, waar door een aantal uiteenlopende tentoonstellingen over figuratie de kloof zich voor je ogen opent.

Hier hangt bijvoorbeeld een potloodtekening van een vrouwlijk naakt, net als van Thielen in het museum Jan der Togt. Deze is echter van Kinke Kooi – zelf docent aan de Academie Minerva – en heet Cellulitis deel II (1992). Benen en billen van een vrouw, niet karikaturaal drillend, maar subtiel gepokt. Het verschil is direct duidelijk: deze tekening steekt niet alleen de draak met het belegen jonge-meisjesnaakt van Thielen, maar stelt tegelijk ook prangende vragen over werkelijkheid, kunst en schoonheid. Dit is geen poging ooit academisch naakt na te doen, dit is hedendaags naakt. En toch traditioneel getekend.

Want dat is, zo blijkt nu ook weer, toch het grote verschil gebleven. Het verschil zit ’m er niet in dát de oude technieken gebruikt worden. Het verschil zit ’m in hoe.

Neem de landschappen van Peter Doig (in Frankfurt), en zie hoe een sereen, soms zelfs realistisch landschap op een subtiele manier spannend kan zijn. Een landschap als Lunker (1995), een eenzame man in een bootje op een meer, reflecteert niet alleen aan de ervaring van de natuur zelf, maar ook aan de beeldcultuur van de laatste decennia die rondom de beleving van de natuur is ontstaan: analyse van romantische clichés vermengen zich met echt ontzag voor de schoonheid. Maar met distantie.

Logisch: de hedendaagse figuratie die de afgelopen decennia van conceptuele kunst, populaire beeldcultuur en internet in zich opneemt, is heel wat anders dan figuratie die zich van die erfenis afkeert. Veel realisten, die zich zonder schroom in de lijn der oude meesters plaatsen, vergeten dat ook de oude stijlen in die tijd een nieuw levensgevoel in beeld vatten. In plaats daarvan worden de oude eigenschappen vet aangezet: Thielen maakt het naakt van Ingres nóg gladder, nog glimmender, maar de enige lading die hij erin weet te leggen is een belegen vorm van soft-erotiek.

Kraaijpoels landschapstekeningen laten nog suggestie toe, maar de schilderijen niet. Een schilderij als Boven de wolken (2002) heeft alles uit de kast getrokken: fikse wolkpartijen, een enorme rotskrater en de vervreemdende rode kleur die vroeger wel bij SF-plaatjes van de planeet Mars te zien waren. Hij lijkt de kijker toch vooral het idee te willen geven dat zijn kunst heus betekenis heeft. Nóg desolater, nóg romantischer dan Friedrich. Maar het blijft steken bij melodrama en platte symboliek.

Traditie is terug in de kunst, maar wel ná honderd jaar cultuurgeschiedenis. Het is net zoals in de mode: daar komt deze zomer de plooirok weer op, zoals dat past in een nostalgische tijd. Maar Margaret Thatcher zal zich toch niet melden als trendsetter. Het is de tragiek van Kraaijpoel en veel realisten: de hegemonie van de abstractie is gebroken, maar ze zijn ondertussen ook zelf door de geschiedenis ingehaald.

Meer over