De tentoonstellingscatalogus

Dat was even wennen. Die zinnen, de bijvoeglijk naamwoorden. Het zijn er net te veel, en ze zijn ook zo.......

Wieteke van Zeil

Tederheid, diepe emotie, onzekerheid. Moet dat? Dit gaat over Gerard ter Borch, een 17de-eeuwse schilder. Maar ook het lef waarmee wordt beweerd wat de schilderijen met ons als kijker zouden doen. Bij Hollanders komt dan al gauw een dat-maak-ik-zelf-wel-uit weerstand opborrelen.

De auteur is dan ook een Amerikaan. Arthur Wheelock schreef de tekst bij de Ter Borch-tentoonstelling in Washington, in 2005. Veel van de Engelse woorden – compelling, hauntingly evocative – hebben een meervoudige betekenis. Daarmee geven ze extra ruimte aan de verbeelding van de lezer.

Zoals er in de loop van de jaren patronen opdoemen in tentoonstellingen, zo vallen ook de overeenkomsten tussen al die catalogi na een tijdje op. Deze was een echte uitzondering.

Wat is de mores? ‘Zoals Lammertse en Van der Veen opperen, komt een ongesigneerd schilderij in Stockholm nauw overeen met het werk dat bij Uylenburgh was gestald. Dit werk werd door Sumowski aan Lambert Jacobsz toegeschreven...’ Zo staat het in de catalogus bij Jacob Backer in het Rembrandthuis, 2008. Het gaat eindeloos door met namen die veelal niets met 17de-eeuwse schilders te maken hebben: het zijn collega’s van de schrijver.

Nog een,de catalogus De Gouden Eeuw begint in Haarlem, 2008: ‘Steen heeft een geliefd Haarlems thema gekozen, dat al eerder door Jan Miense Molenaer en Isack en Adriaen van Ostade in hun schilderijen was toegepast.’ Alinea na alinea wordt de ene schilder vergeleken met de ander. Context wint het steeds van de voorstelling zelf.

Ik moest denken aan acteur John Malkovich, die eens vertelde over zijn leraar op de toneelschool. Als er ook maar iets te veel rek of herhaling in zijn prestaties zat, riep de docent vanuit zijn stoel: ‘Boooooooring!’

Wat is er aan de hand met Hollandse kunsthistorici? Tentoonstellingen maken, dat lukt prima. Maar als ze gaan schrijven lijkt het of ze een kikker ontleden in de brugklas, en dat zo emotieloos mogelijk moeten rapporteren aan de meester. Wie kan er worden meegesleept in woorden als ‘motief’, ‘invloed op’, ‘stofuitdrukking’, ‘penseelvoering’, en ‘kleurschakering’? Wie kan het schelen welke andere auteur welk ander detail anders interpreteerde, behalve de collega’s op wie je indruk wilt maken?

Er zijn natuurlijk een paar frisse uitzonderingen. Maar vaak lijkt het of Hollandse kunsthistorici zich, in de kramp om zo wetenschappelijk mogelijk te zijn, hebben vastgebeten in de feiten. Een boeiend verhaal? Laat dat maar aan de museumrondleider over. Terwijl juist een boek voor altijd in je kast staat. Steeds weer die herinnering aan het zien van de schilderijen zou moeten oproepen.

Dan is het lef van Wheelock – en met hem meer buitenlandse kunsthistorici – toch een verademing. Verplaats mij maar in de voorstelling. Trek me maar aan de haren de geschilderde emoties in. Maak er maar poëzie van, of muziek. Wat zou het fijn zijn als zij die er verstand van hebben, dat als taak naar hun publiek, én hun collega’s zouden zien.

Meer over