De teloorgang van een schilderachtig kuuroord

Bij toeval stuitte Wijnanda Deroo op het zieltogende Sharon Springs, ooit een chique plek waar de welgestelde, voornamelijk joodse, bevolking uit New York zich kwam laven aan geneeskrachtige zwavelbronnen....

Geen levende ziel is er te bekennen op de hoofdstraat van Sharon Springs. Aan weerszijden van Main Street liggen hopen sneeuw en op de ijskoude wind wordt een zware zwavelgeur door het dal gevoerd. De wind blaast door de talrijke vervallen, houten gebouwen in koloniale stijl - hotels, pensions, personeelsverblijven, badhuizen. Kreunende karkassen zijn het, waarin het treurige heden het roemrijke verleden ruimschoots overschaduwt.

Het kuuroord, tweehonderd kilometer noordelijk van New York (in de gelijknamige staat) vlakbij de eenzame Catskill Mountains en in de greep van de polaire kou die uit Canada komt geblazen, is ten dode opgeschreven. Het dak van een hotel is een paar jaar geleden bezweken onder het gewicht van een dik pak sneeuw. Het is een kwestie van tijd tot ook andere gebouwen zullen imploderen.

Het White Sulphur Bathouse zou zo maar het volgende slachtoffer kunnen zijn van de decennialange veronachtzaming. Zijwanden zijn al deels ingestort, zodat je moeiteloos naar binnen kunt sluipen. Aan weerszijden van de lange centrale gang liggen de ongeveer dertig kamertjes, in feite niet meer dan door schotten afgeschermde badhokjes, waarin de geëmailleerde baden wegroesten. Boven de deuren zitten de fittingen van de lampjes die ooit rood oplichtten ten teken dat de cabine bezet was. Schimmel en vochtplekken trekken hun sporen over de plafonds. In een wandkastje heeft een zwaluw een nest gebouwd.

Iets verderop staat de Zwavel Watertempel, een romantisch, carrévormig bouwseltje waarvan de houten pilaren verzakken. Ze trekken de fraai gesneden, afbladderende ornamenten mee. In het midden van de vloer borrelt het water onstuimig. Dit is de bron van de kwalijke dampen in het dal en van de veronderstelde geneeskracht die hier zolang voorspoed bracht. In oude tijden werden de indianen al gelokt door het Magische Water. Vanaf 1850 togen vooral welgestelde, joodse New Yorkers naar Sharon Springs om zich er te laten behandelen tegen reuma en artritis.

Op een richel staan een paar koffiekopjes die aantonen dat het geneeskrachtige stinkwater nog steeds wordt gedronken - het smaakt zoals het ruikt. Het magnesiumrijke water dat aan een altaartje tien meter verderop ontspingt, proeft nauwelijks beter.

Een kuur in Sharon Springs bestond uit 21 baden. De tussenliggende tijd werd aangenaam verpoosd met wandelingen in de omliggende heuvels. De grote hotels - in de hoogtijdagen, rond 1900, waren er zestig - hadden ruime eetzalen, theaters waar hun eigen bands optraden, een koosjere keuken en een eigen synagoge.

Drie maanden per jaar - de zomers duren hier kort - ademde Sharon Springs de grandeur van de New Yorkse chic. In september werden de vensters en deuren op de benedenetages dichtgespijkerd. De gordijnen werden van de roeden getild en vochtvrij opgeborgen. De muzikanten gingen terug naar New York. Het veelal jeugdige personeel, dat in de zomermaanden zeven dagen per week, achttien uur per dag had gewerkt, begon aan een nieuw schooljaar. Het lange wachten op de volgende julimaand nam een aanvang.

De faciliteiten werden alleen in de zomer gebruikt, en daar zijn ze ook op gebouwd. Het verklaart de snelle teloorgang van de gebouwen. Kregen de planken niet tijdig een verfbeurt, dan begonnen ze te rotten en krom te trekken - een nauwelijks te keren proces. De meeste gebouwen hier hebben al tientallen jaren de streling van een verfkwast niet meer gevoeld.

Wat achteraf staat een imposant gebouw waarvan de gevels waren bedekt met stucwerk. Het is in de loop van jaren afgebrokkeld, zodat de ondergrond van planken er overal doorheen gluurt. Hier was ooit een joods jongensinternaat gevestigd. New Yorkse jongetjes die op het verkeerde pad dreigden te raken, werden hier met straffe hand opgevoed. Het was de bedoeling dat het internaat het hele jaar door open zou blijven, maar al gauw bleken de dunne wanden de winterkou onmogelijk buiten te kunnen houden. Nu is het pand hermetisch dichtgetimmerd. Achter de ramen op de bovenverdiepingen zijn de stalen beddenframes te zien waarop de schoffies moeten hebben liggen rillen.

Anderhalf jaar geleden begon de Nederlandse, op een uur rijden van Sharon Springs wonende, fotografe Wijnanda Deroo het treurige maar in artistiek opzicht glorieuze verval vast te leggen met de technische camera. Bij toeval was ze achter het bestaan gekomen van het zieltogende kuuroord en nieuwsgierigheid dreef haar naar de panden waar het verleden lijkt te zijn gestold. Van sommige gebouwen kreeg ze de sleutel te leen. Andere panden waren, net als nu, door een gat in de gevel of door al jaren openstaande deuren moeiteloos, hoewel niet helemaal zonder risico's, te betreden.

Wie Deroos foto's van toen bekijkt, kan constateren dat er sindsdien weinig is veranderd, en dat de gebouwen onbetreden zijn gebleven. Nog steeds staat er een halfvolle fles wijn op de lange tafel in de synagoge van het Central Hotel, waar de wind door de kapotte ramen vrij spel heeft. Nog steeds liggen er joodse geschriften op het omgevouwen tafelkleed. Zelfs de mysterieuze, met water gevulde plastic zakjes hangen nog aan de bovenlichten. Een brandalarm geeft elke halve minuut een piepje - overbodig geworden waarschuwing dat de batterij het bijna begeeft.

'Toen we jong waren, gingen we altijd naar het station om de avondtrein van half zeven uit New York op te wachten. Vonden we interessant, om al die honderden nieuwe joodse gasten te zien. Nee, veel contact hadden we niet met ze. Zij waren op zichzelf, wij ook.' Malcolm Lynk, een kwieke tachtiger, heeft zijn hele leven in Sharon Springs gewoond en heeft de rise and fall voor zijn ogen zien voltrekken.

Malcolm, voormalig eigenaar van het plaatselijke benzinestation, woont met zijn vrouw Grace in zo'n typisch Amerikaanse plattelandswoning. Garage met oprijpad, een tuin van een acre (met de trippelsporen van het hert dat Malcolm gisteravond onbeschroomd aanstaarde), een hallway en voordeur die nooit worden gebruikt omdat iedereen achterom komt. Een vensterbank met kerstminiaturen. Het huis is, net als vrijwel alle andere paar honderd nog bewoonde woningen, gebouwd op the Rocks, die zich verheffen boven de kuurhotels in het dal, door de dorpelingen kortweg the Springs genoemd.

Malcolm herinnert zich hoe voor de oorlog in de winter ijs werd gezaagd voor de hotels. 'Koelkasten waren er niet, en dus haalden we ijs uit de vijvers. Dat werd opgeslagen in de kelders van de hotels.' Grace werkte als bediende in het Roseboro Hotel. 'Ons werd ingeprent dat we de spijswetten moesten respecteren. De keukens waren streng gescheiden in het melk- en vleesgedeelte. En wee je gebeente als je daar fouten maakte! Dat veroorzaakte altijd groot rumoer, dus je keek wel uit.' Ze paste ook veel op de kinderen van de hotelgasten: 'Het was niet de gewoonte dat die in de eetzalen kwamen en dus hadden wij ze onder onze hoede.'

Malcolm haalt aan de keukentafel een dikke stapel ansichtkaarten tevoorschijn, die in de loop van vele jaren door kuurgasten vanuit Sharon Springs zijn verstuurd naar familie in New York, of elders. Prachtige ouderwetse afbeeldingen zijn het, zwart-wit foto's die met de hand zijn ingekleurd en daarmee lichtelijk geromantiseerd. De kuurgasten poseren meestal in groepen, op de veranda van hun hotel, te midden van lommerrijk geboomte en grazige velden.

Malcolm heeft de kaarten in de loop der jaren verzameld, in winkeltjes, op markten en bij particulieren en aldus een prachtcollectie opgebouwd. Het had niet veel gescheeld of zijn zoon had de verzameling in pure onschuld - 'wat moet je er nog mee?' - bij de vuilnis gezet, maar dat wist zijn vader nog net te voorkomen.

De economische crisis eind jaren twintig ging niet aan Sharon Springs voorbij. De rijke families bleven weg, er kwamen minder gasten en zij die wel kwamen, hadden veel minder dollars te besteden. In de jaren dertig gaven hoteleigenaren er de brui aan. Jean Bakkom, goede bekende van de Lynks en bestuurslid van de Historic Society van Sharon Springs, weet nog dat de welgestelde mevrouw Gardner riep dat ze haar Pavilion Hotel Complex zou laten afbreken als president Roosevelt zou worden herkozen. 'En toen dat gebeurde, heeft ze het inderdaad laten slopen. Misschien óók omdat het niet meer in al te beste staat was', zegt Jean.

Na de Tweede Wereldoorlog beleefde Sharon Springs nog een bloeiperiode, die wrang genoeg nauw samenhangt met die oorlog. 'Iedereen die een tatoeage met een nummer op zijn arm had, kon hier komen kuren', zegt Malcolm. Hij legt uit: 'Na de oorlog kwamen heel veel joden uit Europa naar Amerika. De joden die in een concentratiekamp hadden gezeten, mochten hier op kosten van Duitsland kuren en bijkomen van de ellende.' Duizenden en duizenden kwamen er, maar Malcolm, Grace noch Jean praatten ooit met de uitgemergelde gasten over hun belevenissen. Malcolm schudt zijn hoofd: 'Het was allemaal too sad.'

In de jaren vijftig ging het snel bergafwaarts met Sharon Springs. Diverse hotels gingen in vlammen op - altijd in de winter, altijd als er niemand logeerde, als de elektriciteit was afgesloten. Mysterieuze branden waren het, en hoewel de oorzaak officieel bijna altijd onopgehelderd bleef, is er weinig twijfel bij de dorpelingen. 'Brandstichting', zegt Jean stellig: 'De eigenaren zagen geen toekomst meer en streken de verzekeringscenten op.'

Malcolm waagt zich niet aan speculaties. Hij toont een volgende ansichtkaart, en nog een. De teksten die de gasten op de achterkant hebben geschreven aan de familie thuis weerspiegelen soms hun uitgelaten stemming: 'Hier, in de kamer waar ik een pijltje heb gezet, zit ik nu!' 'Een heerlijke tijd, jullie Auntie Bess.' Meer dan honderd kaarten passeren gedurende de middag, en gezien de aandacht waarmee Malcolm ze koestert, zijn ze een langer leven beschoren dan de gebouwen die erop zijn afgebeeld.

Tegen vieren valt de schemering in. Helemaal aan de andere kant van Sharon Springs staat op een steile heuvel het reusachtige Adler Hotel. Met zijn zes verdiepingen en zijn zwierige gevel, zijn ruime veranda en majestueuze bordes is het de onbetwiste blikvanger van het spookdorp. Het is een van de weinige hotels die in de zomer gasten ontvangt, die er in de kelder heilzame baden kunnen nemen. Nu oogt het Adler, met de dichtgetimmerde ramen en deuren, net zo treurig als de andere gebouwen.

Ooit was er sprake van dat Stanley Kubrick zijn horrorfilm The Shining in het Adler zou opnemen, met Jack Nicholson als de doorgedraaide schrijver die zijn vrouw en kind naar het leven staat. Uiteindelijk koos de filmer voor een andere locatie en volhardde Sharon Springs in zijn inerte staat.

De neiging is groot om je voor te stellen hoe het Adler er over pakweg tien jaar bij zal staan: naar te vrezen net zo treurig als de andere kuurhotels hier. En toch, en toch: er gloort een sprankje hoop voor Sharon Springs. Koreaanse investeerders hebben een optie genomen op een aantal hotels, waaronder het Adler. Ze schijnen hier een kuuroord naar Aziatische stijl te willen opzetten. Helemaal zeker is het allemaal nog niet, maar een velletje papier op de deur die toegang biedt tot de baden in de kelder, toont aan dat er buitenlanders zijn geweest. Er staan Aziatische karakters op geschreven en daaronder: 'Thank you and good luck!'

Meer over