Interview

De Steinway is een ‘oceaan van hout met een tosti-ijzer erin’: internationaal geliefd pianofluisteraar Michel Brandjes over de geheimen van het vak

Michel Brandjes wordt als pianotechnicus en -stemmer door de beste pianisten over de hele wereld ingevlogen om aan hun piano’s te sleutelen. Hij is geregeld hele nachten in het Concertgebouw om maar precies het viltje van een toets op de juiste halve millimeter afgesteld te krijgen. Maar wat doet hij nu precies?

Pianostemmer Michel Brandjes aan de piano in de Westvestkerk, Schiedam. Beeld Erik Smits
Pianostemmer Michel Brandjes aan de piano in de Westvestkerk, Schiedam.Beeld Erik Smits

Wanneer hij tijd heeft voor een interview? ‘Even zien’, zegt Michel Brandjes (59). ‘In maart ben ik veel in Duitsland... Vind je het anders leuk om mee te gaan naar Reykjavik? Begin april, dan werk ik met Víkingur Ólafsson, een hartstikke goeie, jonge pianist uit IJsland. Is dat niet leuk voor de krant?’

Michel Brandjes is ook in coronatijd een van de drukst bezette mensen in de wereld van de klassieke muziek. Hij rent van de ene naar de andere PCR-test. En in de tussentijd sleutelt hij, gewapend met zijn zwarte Samsonite-koffer vol gereedschap en reserveonderdelen, aan de mooiste concertvleugels op aarde. Brandjes is pianotechnicus: hij zorgt ervoor dat de instrumenten in optimale conditie verkeren en stelt ze af naar de wensen van de meesterpianisten die erop spelen.

Weinigen in zijn vakgebied hebben zo’n reputatie als Brandjes. Sommige pianisten eisen dat hij hun vleugel stemt en afregelt voor een concert. Grote namen als Alfred Brendel, Daniel Barenboim, Maria João Pires en Arcadi Volodos namen hem mee op hun tournees. Dat roept de vraag op: wat doet Brandjes nou precies? Het is tijd voor pianoles.

Reykjavik wordt het niet: Brandjes blijkt ook nog een klus te hebben in Schiedam. In de Westvestkerk – Byzantijnse elementen, veel hout en een akoestiek die al tientallen musici heeft verleid om hier op te komen nemen – regelt hij de blinkende Steinway af voor een cd-opname van Naum Grubert. Deze vleugel komt uit 2003, weet Brandjes uit zijn hoofd.

‘De piano’s in grote zalen gaan meestal zo’n tien jaar mee’, zegt hij. ‘De snaren voor de hoogste toetsen moeten boven een orkest uit kunnen blijven komen. Daarna kunnen ze naar de kleinere zalen en zijn ze geschikter voor kamermuziek. Ze verliezen iets aan volume, maar de klank wordt rijker. Deze Steinway heeft zich prachtig ontwikkeld, die is cognacachtig van klankkleur.’

Het stemmen is maar het kleinste onderdeel van zijn werk. ‘Het moet gewoon zuiver en gelijkmatig zijn. Bij de hoogste tonen heb je drie snaren per toets, je moet geen zweving horen. Mijn werk gaat om de hele ketting van het moment dat een pianist de toetst indrukt tot het moment dat een hamertje de snaren raakt en weer terugschiet. Per toets zijn er vijftien scharnierpunten, dus op al die plekken moet zo min mogelijk wrijving zijn. Ik werk de onvolkomenheden weg. Maar hoe schoner je gazon wordt, hoe meer blaadjes je ziet.’

Hij houdt een blokje tussen zijn vingers. ‘Dit is tien millimeter. Dit is de maximale afstand als je een toets indrukt. Tien millimeter heeft een pianist om zich te onderscheiden van een andere.’

Michel Brandjes groeide op als een-na-jongste in een rooms-katholiek gezin in Uitgeest met twaalf kinderen. Zijn vader zat in de interieurverzorging en maakte aquarellen. Iedereen was met zijn handen bezig. Brandjes speelde piano, alleen deed eenderde van de toetsen het niet of niet goed. Hij loste het op: steeds liep hij weer de werkplaats in om weer een dopsleutel te halen. Na een vakopleiding tot pianotechnicus, een baan bij pianozaak Ypma in Alkmaar en een opleiding bij de Berlijnse afdeling van Steinway in 1988 kon Brandjes aan de slag voor de serie Meesterpianisten in het Amsterdamse Concertgebouw.

‘Ik had de sleutel en kon er dag en nacht terecht om aan die vleugels te werken. Die aliens van de platenhoezen waren nog blij met wat ik deed ook. Wat me steeds weer opviel, was dat die verschillende pianisten op datzelfde instrument zo anders konden klinken. Die Steinway werd een soort sudoku die ik wilde oplossen.’

Hoewel elk onderdeel door zijn handen is gegaan, blijft de Steinway voor hem iets raadselachtigs houden. Wat verbazing wekt als je hem hoort praten over ‘de oceaan van hout met een tosti-ijzer erin’. De Steinway, legt Brandjes uit, is van buiten naar binnen gebouwd: de zijkant is van geperst tropisch hardhout. Aan de onderkant zit een plaat van gelijkmatig gegroeid sparrenhout, de zangbodem, die 8 à 10 millimeter dik is – die moet zoveel mogelijk kunnen trillen. ‘Doordat het hout aan de zijkanten zo stug is, verliest die plaat geen energie, daardoor blijft-ie trillen.’

Hij gaat onder de piano liggen. ‘Zie je die kleine balken die in de breedte lopen? Hout trilt in de richting van de nerven. Die balken zorgen er dus voor dat de hele zangbodem meetrilt. Toonvoortplanting, noemen we dat.’

En dat tosti-ijzer? Wie onder de klep kijkt, ziet een stalen pantserraam met daarboven 250 kruislings gespannen snaren. ‘Het is gietijzer met veel koolstof. Het moet stevig zijn, want er staat 19 duizend kilo aan trekkracht op, vergelijkbaar met 19 Volvo’s op elkaar. Dat moet je natuurlijk in newton uitdrukken, maar dat zegt bijna niemand iets. Dit deel onder de klep noemen we het klanklichaam, maar ik ben het meest bezig met het mechaniek, dat wat er achter de toetsen gebeurt.’

Ja, wat doet hij daar?

Zijn koffer – het moest er een zijn waar ze op het vliegveld flink mee kunnen smijten – ligt al open. Er zit staalgereedschap in voor als de snaren moeten worden vervangen, er zijn doosjes met schoonmaakmiddeltjes en smeerolie voor de scharnierpunten, hij heeft een zwik reserve hamerstelen (‘die trekken krom als een banaan’) en een haakje om te zorgen dat in de hoogte de drie snaren per hamer even goed worden geraakt. Maar wat het meest in het oog springt, is een soort kaasfondueset. Een stel prikkers. Intoneernaalden.

Het gereedschap van Michel Brandjes. Beeld Erik Smits
Het gereedschap van Michel Brandjes.Beeld Erik Smits

De kunst van Brandjes, kortom, bestaat voor een groot deel uit prikken – prikken en luisteren. ‘Het is acupunctuur voor de piano’, zegt hij. Hij drukt een toets in en laat de toon klinken, een a. ‘Een beetje dof, hè?’ Dan haalt hij een lange naald uit de koffer en steekt die in de vilten kop van het hamertje dat net de toon heeft uitgelokt. ‘Je moet het niet doen op het contactpunt, maar er net naast. Nog een prikje hier...’

Dan slaat hij de a nogmaals aan. Verrek.

‘Hoor je? Het geneest, het heelt.’

Dan doet hij het voor bij een andere toon. ‘Ik prik erin, meer shine.’

Oké, de klank verandert, maar mol je zo niet het vilt? ‘Het is omkeerbaar. Met aceton kan ik het vilt weer harder maken. Sommige pianisten houden van een ronde toon, andere van een meer briljante.’

Brandjes blijkt zelf ook een verdienstelijk pianist: met zijn vrije hand zie je hem luchtdirigeren. Meer nog dan aan het prikken, is hij aan het spelen, om te kijken hoe zijn werk uitpakt. Hij speelt verschillend repertoire, omdat de componisten door de eeuwen heen allemaal hun eigen gebied hadden op het klavier waarbinnen het meest gebeurt. Hoe verder in de Romantiek, hoe meer het centrum naar de hogere toetsen opschuift.

‘De tijd zit vooral in de behandeling van het sopraangebied, daar worden de melodieën gespeeld en hebben de pianisten vaker specifieke eisen voor. De meesten willen een lange stralende toon, voor Martha Argerich moet het juist sprankelend, flamenco-achtig zijn. Wat ik doe, hangt ook af van het repertoire, de grootte van de zaal, de lucht.’

Dan duikt hij weer in de piano. ‘Don’t try this at home’, zegt hij. Met een paar bewegingen heeft hij het mechaniek losgemaakt. Hij tilt het blok met de rij toetsen uit de piano en laat het gewicht rusten op zijn schoot. ‘Zie je, onder de toets zit een laagje vilt, daar kan ik nog een klein stukje papier onder leggen, dan hoef je minder diep in het klavier te tasten.’

Hij plaatst het blok weer terug en duwt het mechaniek aan de linkerkant nog een tikje extra naar binnen. De plaats waar de hamertjes de snaren raken, verschilt nu een fractie. Millimeterwerk. ‘Als ik dit doe, wordt de klank in de regel wat milder, gecondenseerder. Dat is fijn voor als je andante moet spelen. Trek je hem terug, dan krijg je meer volume, klinkt het wat bronziger.’

Vijftien contactpunten tussen toets en snaar, dat biedt vele mogelijkheden tot aanpassing. ‘Aan het begin van mijn carrière dacht ik: ik ga verder waar Steinway gestopt is. Maar hun maatvoerinkjes bleken toch allemaal wel te kloppen. Het is een geslepen fenomeen, je moet de spelregels eerbiedigen. Ik wil de pianist het gevoel geven dat het instrument er niet is. Het belangrijkste voor musici op dit niveau, is dat er geen bijzaken zijn.’

Michel Brandjes aan het werk Beeld Erik Smits
Michel Brandjes aan het werkBeeld Erik Smits

Wat opvalt als je met Brandjes praat, is dat hij nog veel gefascineerder lijkt over de de techniek van de bespeler dan van het instrument. De handhoudingen, het toucher. Zijn vrouw, de pianist Olga Khoziainova, helpt hem daarmee. ‘Je leert van al die grootheden. Vaak willen ze horen wat de piano doet in de zaal, dan vragen ze of ik iets voorspeel. Tegenover iemand als Radu Lupu voel ik me sowieso een melaatse, dan heb ik ook geen schaamte om iets voor hem te spelen.’

Voor het interview heeft hij foto’s doorgestuurd van kaartjes die hij kreeg voor zijn vijftigste verjaardag. Tot de afzenders behoren wijlen Aldo Ciccolini, Nelson Freire en Jevgeni Kissin. Waarom komen ze steeds bij hem uit? ‘Ik weet dat niet. Ik heb iedere keer het gevoel dat ik opnieuw het vertrouwen moet winnen. Het is niet wetenschappelijk wat ik doe, hè. Ik doe iets en het blaft.

‘Ik heb weinig slechte ervaringen met toppianisten. Sommige kunnen korzelig zijn, want ze zijn allemaal uitgerust met grote vertwijfeling. Maar ze moeten performen, en dan zit je niet op slechte vibes te wachten. Ze blijven onzeker. Je ziet ze lijden, allemaal. Elke Grammy is een vloek erbij, de verwachtingen komen steeds hoger te liggen. Veel van de pianisten met wie ik werk, lopen in trance over straat. Vele hebben ook geen rijbewijs. De muziek zuigt hen op, dan zie je de stoeptegels niet meer.’

Dan loopt hij weer naar zijn koffer en haalt er twee stemhamers uit van hetzelfde type. Hij zet er één op een draaidop en zet er druk op. Hij slaat de toon aan, voor en na. ‘Hoor je het?’ Ja, de toon klinkt langer door. ‘En nu pak ik die andere sleutel, moet je opletten.’ Hij maakt dezelfde beweging, drukt de toets weer in. Een vragende blik. Nu klinkt de toon korter door. ‘Snap jij het?’, vraagt Brandjes. ‘Ik niet, hoor.’

Pianomonopolie

Hoewel er meerdere pianofabrikanten zijn in het topsegment (zoals Fazioli en Yamaha) en de meeste patenten al zijn verlopen, is Steinway nog altijd de standaard in de grote concertzalen. Sinds ongeveer 1916 is aan de vleugel nauwelijks nog iets veranderd. De piano’s worden zowel gemaakt in New York als in Hamburg, toch hebben de laatste de beste reputatie. In de Europese concertzalen kom je nooit ‘Amerikanen’ tegen, terwijl pianisten in Carnegie Hall in New York ook voor een ‘Hamburger’ kunnen kiezen.

Meer over