De sfeer van een patronaatsgebouw ontstegen

Leiden zweette er peentjes voor een examen. Fuifde, houste en recipieerde er. En af en toe was er ook nog een concert in de Stadsgehoorzaal....

JAAP HUISMAN

Van onze verslaggever

Jaap Huisman

LEIDEN

Met Residentie Orkest en Aldo Ciccolini, en met Jaap van Zweden en the Blues Brothers is de afgelopen maand de wederopstanding van het lelijke eendje begonnen. De gemeente Leiden heeft een streep gezet onder het patronaats-stigma, het interieur uit de jaren zestig is eruitgeslagen en vervangen door dat van de jaren negentig.

En er is een hoop techniek onder de vloer en het plafond geslopen, waarmee de Stadsgehoorzaal tot een volwaardig concertpodum is opgeklommen, dat op één lijn staat met zalen als Musis Sacrum in Arnhem en de Vereeniging in Nijmegen. Akoestisch bureau Peutz constateerde een nagalmtijd van 1,8 seconde. R. Metkemeijer van dat bureau: 'Dat is prima voor kamermuziek en een orkest als The Academy of St. Martin in the Fields, maar problematisch voor Bruckner en Sjostakovitsj.'

De Stadsgehoorzaal is gemodelleerd naar de 'zaal der zalen', het Gewandhaus in Leipzig. Vermoedelijk is de architect, D. Knuttel, bij zijn oriëntatie ruim honderd jaar geleden ook op bezoek geweest in het Concertgebouw. Want de Stadsgehoorzaal lijkt daarvan een replica in het klein, een u-vormig balkon en een u-vormige omloop achter het halfronde podium. Verder houdt de gelijkenis op: de versiering van het Amsterdamse podium is veel rijker, de foyers ruimer, en de trappen majestueuzer.

Knuttel, toen stadsarchitect van Leiden, overschreed bij de bouw het budget met 25 duizend gulden, dat hem zo zwaar werd aangerekend dat hij een bedrag van 642 gulden moest terugbetalen. Het heeft Knuttels carrière niet getorpedeerd: later zou hij rijksbouwmeester worden.

Leiden moet die valste start van Knuttel nog steeds in gedachten hebben gehad, toen de gemeente besloot de zaal op te knappen en daarvoor tien miljoen gulden uit te trekken. Het Zeeuwse 'ons bin sûnig' is in zwang geraakt als het om culturele accommodaties gaat. Tijdens het bouwproces schrapte het college ook nog eens een kleine zaal uit het programma. Het architectenbureau Zaanen Spanjers uit Amsterdam moest dus roeien met een gebroken riem, het zou reden zijn geweest de opdracht terug te geven.

Kees Spanjers formuleerde de beperkingen alsvolgt: 'Zeven miljoen gulden is uitgegeven aan luchtbehandeling, fundering, verwarming, ventilatie en de stoelenberging onder de tribune in de zaal. Daarvan zie je als publiek niets, nodig zijn ze daarentegen wel.' Spanjers leidt het bureau na de dood van Pieter Zaanen, die bij leven naam heeft gemaakt met de restauratie van de Beurs van Berlage. Daarvan vormt de AGA-zaal nog steeds de bekroning, een zaal als een long die met succes tussen de tegel- en baksteenwanden van Berlage is getransplanteerd.

Zoals Zaanen de hermetische Beurs als het ware binnenste buiten heeft gekeerd, zo heeft Spanjers de Stadsgehoorzaal opengegooid. Het travertin uit de negen boogvormige deuren is ingewisseld voor glas, daarachter spreidt zich een royale foyer uit, waarin het Leidse Uitbureau een plaats heeft gekregen.

De Stadsgehoorzaal doet dus weer mee in de Breestraat, ook al past een gebouw met zo'n drukke gevel beter aan de kop van een plein dan in een smalle straat.

Er lijkt geen zegen op de Stadsgehoorzaal te rusten. De concertzaal mag een prima akoestiek hebben, ze mist allure. Het uitzicht op een podium waar men vergeten is het monsterlijke orgel te verwijderen, is ronduit een straf, zeker nu het gezelschap heeft gekregen van grove akoestische panelen.

En dan is er paars. Het paars ligt op de vloer, in de foyer, in de gangen, op het balkon en bedekt de stoelen. Paars mèt rood. Rode foyerstoelen en rode sponsor- en richtingbordjes die oplichten als de bewegwijzering van een supermarkt. Kleurgebruik wordt door architecten niet meer geschuwd; het duikt te pas en vooral te onpas op. Een uitgesproken kleur maakt een gebouw op slag tijdgebonden of modieus.

Een Riagg met een oranje vloer ziet er uit als een grand café, politiebureaus zijn tegenwoordig ronduit gezellig te noemen, en in de theaters zijn sinds het rose tapijt van het Muziektheater de remmen losgegooid. Dat maakt het uitgaan een onvoorspelbaar avontuur: welke feestjurk overleeft immers een paars decor?

Het triplex van 1961 is de meubelplaat bij wijze van lambrizering nu. Veel geld was er niet, maar veel vindingrijkheid evenmin. Statafels en spiegels getuigen van armoe. Maar het had erger gekund: de Stadsgehoorzaal als parkeergarage, zoals in 1990 nog werd voorgesteld.

Meer over