boekrecensie

De romans van Janet Lewis (1899-1998), voor het eerst in het Nederlands vertaald, zijn een openbaring ★★★★★

In Het proces van Sören Qvist (1947) moet een dominee boeten voor een moord die hij niet heeft begaan.

Janet Lewis  Beeld Jose Mercado
Janet LewisBeeld Jose Mercado

Vorig jaar is voor het eerst werk van de Amerikaanse schrijver Janet Lewis in het Nederlands vertaald. Wat een ontdekking. Lewis gaf les aan universiteiten, ze schreef een bundel korte verhalen, een handvol romans, libretti, en veel poëzie. Haar leven omvatte bijna de hele 20ste eeuw: ze werd geboren in 1899 in Chicago en stierf in Los Altos in Californië in 1998. Het bekendst werd ze met haar drie romans die gebaseerd zijn op historische rechtszaken, en dan vooral met de eerste, De vrouw van Martin Guerre uit 1941, die in 1993 werd verfilmd met Richard Gere en Jodie Foster in de hoofdrollen.

Voor deze en de volgende romans putte Lewis inspiratie uit Famous Cases of Circumstantial Evidence, een juridische studie uit 1873. Hoewel het in dit overzichtswerk louter om spectaculaire zaken gaat, is Lewis niet uit op spektakel. Haar stijl is puur, met krachtige beelden die zich aan je opdringen, en doet in die zin denken aan die van haar tijdgenoot John Steinbeck, al zit er meer beweging in zijn zinnen. En hoewel ook Lewis’ tweede roman, Het proces van Sören Qvist (1947), zich afspeelt in een ver verleden, lijken de levensechte personages, mede dankzij de verstilde stijl, buiten de tijd te staan. Dominee Sören, boer en geleerde tegelijk, zijn bevallige dochter Anna en rechter Thorwaldsen met zijn heldere blauwe ogen: bij een mindere schrijver zou het schematisch en bedacht lijken, maar niet bij Lewis.

Waterkoud

Net als in haar poëzie geeft ze ruimte aan de natuur, de weersgesteldheid en de seizoenen. Soms zegt die natuur iets over de personages. De zachtjes uitgesproken naam ‘Anna Sörensdochter’ zweeft door de lucht, ‘als een bloemblaadje dat zich aan het eind van de lente van een bloeiende tak had losgemaakt’. En soms lijkt die natuur een vingerwijzing naar wat komen gaat. De waterkoude, al schemerige novembermiddag in Jutland in 1646 waarmee Het proces van Sören Qvist opent, voorspelt niet veel goeds.

Net als in Martin Guerre is sprake van iemand die na lange tijd naar huis terugkeert. Een eenarmige bedelaar komt in Aalsö terecht bij dominee Juste, waar een oude huishoudster hem in de keuken van een maaltijd voorziet. Wanneer hij zegt dat hij Niels Bruus is, broer van de gehate en inmiddels dode Morten Bruus, verandert haar gastvrijheid in weerzin en daarna in doodsangst. Ze roept dominee Juste en smeekt hem diezelfde avond nog rechter Tryg Thorwaldsen te gaan halen. Hij moet de bedelaar identificeren.

Die avond krijgen huishoudster Vibeke, de dominee en rechter Tryg Thorwaldsen van de bedelaar te horen wat er toentertijd werkelijk is gebeurd. Zij begrijpen dat er een gruwelijke fout is gemaakt, dat dominee Qvist is gestraft voor een moord die hij niet heeft begaan. Hoe dat zo is gekomen lezen we in de bloedstollende rest van het boek.

Eenentwintig jaar eerder ziet dominee Sören Qvist in Niels Bruus een beproeving van God om hem te leren zijn woede in toom te houden en vergevingsgezind te zijn. Nadat Niels’ lijk is opgegraven in de tuin van de dominee wordt hij opgesloten met de doodstraf in het vooruitzicht. Dominee Qvist begint te twijfelen aan Gods genade. Het moment dat hij er zelf, overtuigd door aangedragen bewijs van derden, van doordrongen raakt dat hij de jongen heeft vermoord, wordt hij overvallen door gelukzaligheid. God heeft hem niet verlaten, zijn straf is terecht. Het is ontroerend en waarachtig. Een parel.

null Beeld Cossee
Beeld Cossee

Janet Lewis: Het proces van Sören Qvist. Vertaald uit het Engels door Paul van der Lecq. Cossee; 301 pagina’s; € 24,99.

Meer over