Bespreking

De rock van de sixties had veel te danken aan avontuurlijke managers – en toevallig waren die vaak gay

In zijn boek The Velvet Mafia belicht pophistoricus Darryl Bullock de mannen achter het succes van The Beatles, Cream, Eric Clapton, The Bee Gees en The Who.

Pop singer Billy Fury voor zijn boerderij in Ashford, Kent in 1967. Beeld
Pop singer Billy Fury voor zijn boerderij in Ashford, Kent in 1967.

In april 1963 hadden The Beatles heel even vrij, om het succes te vieren van hun net verschenen eerste langspeelplaat Please Please Me. John Lennon en manager Brian Epstein gingen samen twaalf dagen naar Barcelona. Hierover is later veel gespeculeerd: is daar toen iets seksueels gebeurd? Wat die citytrip in elk geval laat zien, is hoe persoonlijk de band tussen artiest en manager was – en hoe anders die was dan tot dan toe gangbaar in de muziekwereld.

De klassieke rock van de jaren zestig kwam in de eerste plaats uit Engeland. Daar wist een bijzondere generatie jongemannen de muziekwereld voorgoed te veranderen. Maar ze hadden dit nooit voor elkaar gekregen zonder een bijzondere generatie managers, bij wie ze niet alleen zakelijke maar ook vriendschappelijke steun vonden. Veel van die sleutelfiguren achter de schermen waren homoseksueel. In zijn boek The Velvet Mafia vertelt de Britse muziekjournalist Darryl Bullock (in 2017 publiceerde hij David Bowie Made Me Gay – 100 Years of LGBT Music) voor de eerste keer hun complete verhaal.

Dat verhaal begint met Larry Parnes (1929-1989). De geboren Londenaar werd vanaf 1956 de man achter een complete stal van jonge Britse zangers. Die rekruteerde hij in de eerste plaats op grond van hun uiterlijk, waarna hij ze met succes lanceerde als inheemse vertolkers van Amerikaanse rock-’n-roll. Hoeksteen van zijn modus operandi was dat die jongens tot in detail moesten doen wat hij ze voorschreef: de keuze van hun repertoire, wat ze wel en niet tegen de media mochten zeggen, geen vaste vriendinnen of huwelijk. Hij gaf ze ook allemaal een nieuwe naam: Tommy Steele, Vince Eager, Marty Wilde, Billy Fury…

De suggestieve lading van die achternamen is vaak verklaard uit Parnes’ seksuele voorkeur. Maar hij was in de eerste plaats een zakenman, die goed wist dat het publiek voor deze nieuwe muziek vooral bestond uit jonge meisjes die alleen al bij de aanblik van de jongens hopeloos verkocht waren.

Dat in 1960 het zangerstijdperk op zijn eind liep en dat de toekomst was aan groepen, daarvoor miste Larry Parnes de antenne. De vijf jaar jongere Brian Epstein (1934-1967) had die antenne wel. Ook hij was gay, en ook hij kwam uit een succesvol winkeliersgezin, maar dan in Liverpool, met een gevoel voor commercie dat hem met de paplepel was ingegoten.

Toen Epstein vanaf najaar 1961 de nog onbekende Beatles ging managen, besefte hij al snel dat je deze jongens juist niet als marionetten naar je hand moest willen zetten. Dat hun eigenzinnigheid en creatieve talent hier het echte kapitaal vormden. Dat je ze daarom zo veel mogelijk de vrije hand moest laten in hun muzikale keuzen en je je eigen rol diende te beperken tot zo goed mogelijk faciliteren.

The Velvet Mafia Beeld
The Velvet Mafia

Een verschil met de zangers van Larry Parnes was ook dat The Beatles zelf hun muziek schreven. Ze zetten hiermee niet alleen een norm voor alles wat na hen in rock zou komen, maar luidden ook het tijdperk in van een nieuw soort management. Ouderwetse hiërarchie, naar het voorbeeld van Colonel Tom Parker en Elvis Presley, werkte vanaf nu contraproductief en sloeg alle creativiteit dood.

De managers van de nieuwe rock stonden niet alleen in leeftijd relatief dicht bij hun artiesten, maar ook in levenshouding. Ook zij hadden lak aan tradities in beroepsleven en cultuur en hielden er een onconventionele leefstijl op na. Niet allemaal waren ze gay, maar het homoseksuele contingent was groot. Denk behalve aan Brian Epstein aan iemand als Robert Stigwood, afkomstig uit Australië en het zakelijke brein achter Cream (en later Eric Clapton solo) en de Bee Gees. En denk aan Kit Lambert, zoon van een klassiek componist en een actrice, die samen met co-manager Chris Stamp (de broer van acteur Terence) een drijvende kracht was achter de eerste successen van The Who en Jimi Hendrix.

Was het toeval dat zo veel gay mannen achter de schermen vorm gaven aan de opbloei van de Engelse rockmuziek, of is er een verband? Bullock geeft in The Velvet Mafia geen echte verklaring. Maar in het beeld dat uit zijn boek naar voren komt, zitten wel aanwijzingen.

Strafbaarheid van homoseksualiteit was in Nederland al in 1811 afgeschaft, in Groot-Brittannië duurde dit echter tot 1967. De gay men who ran the swinging sixties, in Bullocks woorden, leefden een groot deel van dat decennium nog onder de dagelijkse dreiging van openbare schandalen en gevangenisstraf. Ze waren een makkelijk slachtoffer van beroving, geweld en afpersing. Ze leidden hierdoor een (dubbel)bestaan in de marge van de reguliere samenleving, vol risico, onzekerheid en spanning.

Billy Fury op zijn 21ste verjaardag in 1962. Beeld
Billy Fury op zijn 21ste verjaardag in 1962.
Rock-’n-rollzanger Marty Wilde in Londen. Beeld
Rock-’n-rollzanger Marty Wilde in Londen.

Maatschappelijke avonturiers waren ook de jongemannen die in het voetspoor van The Beatles de rock zouden uitvinden. Ze werden gedreven door een passie voor een nieuw soort muziek waarvan niemand kon voorzien dat er echt een toekomst in zat. Ook toen The Beatles al hun eerste hits hadden gescoord, bleef Ringo Starr nog hopen dat hij er voldoende geld aan zou overhouden om een eigen kapperszaak te beginnen.

Het was daarom een ideale match, gestoeld op een speciaal soort persoonlijke band. Aan de ene kant onbesuisde muzikale pioniers, druk bezig schepen achter zich te verbranden. En aan de andere kant een aantal praktisch, zakelijk en meer nuchter ingestelde mannen, die een paar jaar ouder waren maar perfect begrepen wie die jongens wáren, in een zielsverwantschap tussen outsiders.

Het misschien wel beste album van The Who, Tommy (1969), vertelt een verhaal dat teruggrijpt op pijnlijke jeugdherinneringen van gitarist Pete Townshend. Maar vanzelf kwam dit niet. Als Kit Lambert Pete niet had weten aan te moedigen ‘om eerst tot in de diepten van zijn eigen ziel te spitten’ voordat hij aan het schrijven begon, schrijft Bullock¸ ‘dan was er ook geen Tommy geweest’.

Kit Lambert stierf in 1981, 45 jaar oud en al jarenlang (met ruzie) weg bij The Who, nadat hij in een gayclub zwaar was mishandeld vanwege een niet betaalde drugsrekening. Een tragisch einde voor een man over wie we gerust mogen zeggen, net als over een handvol collega’s: ook zonder hen geen klassieke rockmuziek.

Darryl W. Bullock: The Velvet Mafia – The Gay Men Who Ran the Swinging Sixties. Omnibus Press; 368 pagina’s; ca. € 25,-

Lionel Bart, Alun Owen en Beatles-manager Brian Epstein voor de Cavern Club in Liverpool, 1964. Beeld
Lionel Bart, Alun Owen en Beatles-manager Brian Epstein voor de Cavern Club in Liverpool, 1964.
Mike Sarne en Mike Berry signeren tijdens de Boys and Girls-tentoonstelling in Olympia, Londen, 1962. Beeld
Mike Sarne en Mike Berry signeren tijdens de Boys and Girls-tentoonstelling in Olympia, Londen, 1962.

Joe Meek

De ‘gay men who ran the swinging sixties’ waren in de eerste plaats managers en impresario’s. Maar een prominent lid van hun besloten Londense wereld was ook platenproducer Joe Meek (1929-1967). In zijn ‘home studio’ aan Holloway Road werd hij een invloedrijke vernieuwer in (elektronische) opnametechniek. In 1962 was hij de man achter de wereldwijde nummer-1-hit Telstar van The Tornadoes. Joe Meek was een van de eersten die lieten zien hoe je als producer van popmuziek een artistieke reputatie kon opbouwen.

Meer over