'De politiek kan best wat romantiek gebruiken'

De Duitse filosoof Rüdiger Safranski is van top tot teen ingesteld op romantiek. Extase, fantasie, poëzie, de natuur. Maar zonder ironie wordt het bloedige ernst....

De hoofdpersoon uit de roman Heinrich von Ofterdingen van Novalis (pseudoniem voor Friedrich von Hardenberg) heeft in zijn droom een blauwe bloem gezien. Hij voelt een innerlijke drang om die bloem te plukken en vervolgens zelf een ‘klankboom’ te worden. ‘Als de werkelijkheid goed wordt begrepen is ze zelf zo fantastisch dat alleen een poëtische geest die het uiterste van zichzelf vergt haar kan vatten’, schrijft Rüdiger Safranski in zijn pas vertaald boek Romantiek – Een Duitse affaire. Eerder schreef Novalis, die op 29-jarige leeftijd stierf aan onstilbaar verlangen naar zijn aan een ziekte bezweken geliefde, Hymnen an die Nacht, volgens Safranski ‘het summum van op de dood verliefde en mystieke romantiek’.

Novalis is een van de vele schrijvers, componisten of filosofen die in Safranski’s zeer erudiete en voortreffelijk geschreven Romantiek de revue passeren. Maar samen met E.T.A. Hoffmann, de sprookjesverteller en ‘grote carnavalsvierder van de 19de-eeuwse literatuur’, is hij Safranski’s favoriet. Niet alleen om het poëtische van de blauwe bloem, vertelt de filosoof als hij een paar dagen in Amsterdam verblijft. ‘Ook omdat Novalis iemand is die volkomen onbekommerd om iedere communis opinio en dogmatische conclusie heen danst. Fantasie en nadenken gaan bij hem in elkaar over. Ik moet echt zeggen: ik ken geen vrijere geest, Novalis is geestelijk nog veel vrijer dan Nietzsche. Hij is de Mozart van de jonge Romantiek.’

In zijn boek formuleert Safranski het wat exuberanter. Hij noemt Novalis ‘een begenadigd speler’, die ‘betoverende lichtzinnigheid’ met diepzinnigheid combineert. ‘Alles wat hij zag en hoorde leek voor hem alleen maar nieuwe () vensters te openen, luidt een zin in Heinrich von Ofterdingen. Elk punt wordt een uitkijktoren, je kijkt uit naar waar zich oneindige perspectieven openen, overal wordt de hemel weerspiegeld en de dingen krijgen een wonderbaarlijk goudkleurige aureool.’

Mooi gezegd, heftig ook. Wat trekt Safransk precies zo aan in die geesteshouding? Safranski aarzelt geen seconde. ‘Verbeeldingskracht. Het vermogen je over te geven aan dromen, je voorstellingen te maken van iets wat nog niet bestaat, als tegenwicht tegen een al te plat realiteitsprincipe. Wat ook heel belangrijk is, maar wel eens over het hoofd wordt gezien, is de ironie, de romantische ironie. Die vloeit voort uit het besef dat de dingen waarmee je zelf bezig bent klein en onbeduidend zijn, in vergelijking met het oneindige om ons heen. Dat inzicht dwingt tot relativering, tot zelfrelativering. En in de derde plaats is er de nieuwsgierigheid, de bereidheid je helemaal open te stellen, je over te geven aan het avontuur, een duik te nemen in de diepte. Zoals Goethe, die overigens zeker geen Romanticus pur sang was, het heeft uitgedrukt: ‘Ich gehe in mich selbst zurück und finde eine Welt.’

‘De Romantiek is een glansvolle periode van de Duitse geest’, aldus Safranski in zijn boek, ‘met een grote uitstraling naar andere nationale culturen. De Romantiek als tijdvak is voorbij, maar het romantische als geesteshouding is gebleven.’ Toch wil hij die door hem gekoesterde mentaliteit niet ongeclausuleerd aanprijzen. ‘Het romantische’, schrijft hij, ‘hoort bij een levende cultuur, maar romantische politiek is gevaarlijk’.

Hij licht die stelling toe en nuanceert haar tegelijkertijd. ‘Wat ik bedoel is: politiek functioneert bij de gratie van compromissen en kunst niet; in kunst en cultuur is juist dringend behoefte aan radicaliteit, die mogen gerust extreem en op avontuur belust zijn. Die beide terreinen worden dus beheerst door een principieel verschillende logica. Maar we zouden die scheiding ook weer niet op de spits moeten drijven. Kijkend naar de politiek van vandaag zou ik zeggen: er mag wel wat romantiek bij. In zo’n crisis als nu, met al die banken die al bankroet waren geweest als de overheid niets had gedaan, is er behoefte aan creatieve oplossingen, dus ook aan verbeeldingskracht.’

In zijn in 1947 geschreven essay ‘Nietzsches Philosophie im Lichte unserer Erfahrung’ blikt Thomas Mann kritisch terug op stellingen die hij zelf ruim dertig jaar eerder had verkondigd. Politiek hoeft niet verheven te zijn, oordeelt de rijpere Mann, die hoort in dienst te staan van gewone mensen, moet hun kansen bieden en hun belangen behartigen. Daarom waarschuwt hij tegen esthetisering van de politiek, spreekt zelfs over de ‘onheilspellende nabijheid’ van ‘estheticisme en barbarij’.

Twee wereldoorlogen eerder, in 1914, had hij er nog heel anders tegenaan gekeken. Aansluitend bij Nietzsche ontwaarde hij in zijn Betrachtungen eines Unpolitischen een kloof tussen het ‘apollinische’ (beschaafde, verlichte, maar ook oppervlakkige) Westen en het meer ‘dionysische’ Duitsland. Volgens de jonge Thomas Mann had de Duitse Kultur meer ontzagwekkende, elementaire kracht dan de westerse Zivilisation. Kortom: liever muziek dan democratie, een opvatting waar de wijzer geworden Mann van gruwde.

Safranski beschrijft deze strijd van Mann tegen Mann en sluit zich aan bij diens latere zelfkritiek. ‘Er is een tegenstelling geconstrueerd tussen Romantiek en westerse beschaving, ook wel uitgedrukt als: hier cultuur, ginds civilisatie. Dat is een zeer invloedrijk denkpatroon geworden, fataal ook. Maar het komt niet voort uit de oorspronkelijke Romantiek.’ Verontwaardigd verwerpt hij dan ook de kritiek van denkers als Isaiah Berlin en Ian Buruma die een verband zien tussen het extatische, ontremde en amorele van de Romantiek en de ‘stalen romantiek’ van het nationaal-socialisme. Safranski: ‘Dat vind ik onzin. Een veel belangrijkere bron van het nationaal-socialisme dan de Romantiek zijn de natuurwetenschappen, in gevulgariseerde vorm. Het idee dat er lebensunwertes Leben zou bestaan, dat men de Joden zou moeten vernietigen als bacillen, dat heeft helemaal niets van doen met het romantische levensgevoel.’

Energiek verdedigt Safranski ‘zijn’ Romantiek ook tegen de aantijging dat ze de neiging heeft het verleden te romantiseren en vijandig staat tegenover de moderniteit. ‘De Romantici waren er al vroeg gevoelig voor dat het moderne niet alleen vooruitgang met zich mee brengt, maar ook de oorzaak is banalisering, trivialisering, commercialisering.

‘De Romantici waren dol op de natuur en ze dachten: mein Gott, als we de natuur nog alleen zien vanuit de optiek van haar economisch nut, dan verliezen we ieder gevoel voor schoonheid! Of neem de kunst, stel je voor dat die alleen nog koopwaar is! Er bestond met andere woorden al vroeg een romantisch anti-kapitalisme, voortgesproten uit het gevoel dat kunst méér is dan een voorwerp dat verkocht kan worden. Mensen, de natuur, kunst, ze hebben een extra waarde die niet in economische termen is uit te drukken.

‘De vroege Romantici waren vóór de Franse Revolutie. Geconfronteerd met de Jacobijnse Terreur namen ze afstand, maar ze bleven krachtige voorstanders van vrijheid en mensenrechten. Ze wilden revolutie op cultureel gebied, een literaire, een filosofische revolutie. In het begin was hun beweging ik-gericht. Later komt uit het Frankrijk van Napoleon, La grande nation, het nationalisme. Overal werd de verheerlijking van het nationale gevoel geïmiteerd, ook in Duitsland. De Romantici verdiepten zich eerst in het individuele subject, daarna gingen ze de diepte van het ‘wij’ in.

‘Het zijn de Romantici geweest die de geschiedswetenschap hebben ontwikkeld, ze publiceerden sprookjes, oude sagen, het verhaal van de Nibelungen. Dankzij de Romantiek ontwikkelt zich een gevoel voor het historische, niet alleen beschrijvend, nee, het gaat hen om een geschiedenis die bijdraagt aan onze identiteit.

‘Als ik wil begrijpen wie ik ben, is het goed als ik naar mijn geschiedenis kijk. Ook om de vraag wie ‘wij’ als natie zijn, jullie als Nederlanders, wij als Duitsers, kunnen we niet heen. Het probleem zit niet in het vragen naar de eigen geschiedenis, de eigen identiteit. Een probleem wordt het, als op die vraag een definitief antwoord wordt gezocht, een antwoord dat geen ruimte laat voor nieuwe ontwikkelingen. Als je met een open blik de Duitse geschiedenis overziet, dan blijkt er helemaal niet zoiets als een zuiver Duitse aard te bestaan. Duitsers zijn altijd een heel gemengd geheel geweest, dat zie je ook aan de taal, aan de namen.’

Hoewel Rüdiger Safranski als gesprekspartner veel weg heeft van een geroutineerd docent, doceert hij in werkelijkheid niet. Hij is niet aan een universiteit verbonden, maar heeft gekozen voor een bestaan als schrijver en daar heeft hij geen spijt van. ‘Mijn hart lag altijd al bij het schrijven, dat het ook financieel goed heeft uitgepakt, is meegenomen.’ Hij studeerde aanvankelijk theologie, stapte over naar filosofie en literatuur. Lachend: ‘Je zou kunnen zeggen dat ook bij mij de Romantiek de voortzetting van de religie met esthetische middelen is.

‘Ik ben in 1964 filosofie gaan studeren in Frankfurt, bij Adorno. Daarvoor was ik al geboeid door Heidegger en Sartre. Ik kom uit Baden-Württemberg, dezelfde streek als Martin Heidegger. Ik begreep indertijd eerlijk gezegd niet veel van zijn filosofie. Maar dat ondoorgrondelijke vond ik juist wel aantrekkelijk. Zoals Friedrich Schlegel heeft gezegd: ‘is onbegrijpelijkheid dan zoiets door en door verwerpelijks?’

‘Theodor Adorno, die in de tijd van Hitler als Jood en marxist heeft moeten vluchten, was toen ik aankwam als eerstejaars al een idool. Fysiek leek hij op een reusachtige baby, klein, dik, met grote, kinderlijke naar bescherming hunkerende ogen. Ik begrijp waarom de vrouwen toch wel voor hem vielen, hij appelleerde aan hun moederlijke instincten. Zijn filosofie vond ik deprimerend. Het kwam erop neer dat je als denkend individu eigenlijk geen schijn van kans had tegenover het systeem. De wereld is vijandelijk terrein, maar er is één klein hoekje waar je vrij kunt zijn: de kunst. Ons, uit de studentenbeweging, met onze hartstochtelijke interesse voor theorie, werd al snel duidelijk dat het afgelopen moest zijn met deze treurigstemmende wetenschap. Weg met de somberheid en de melancholie! Niet voor de honderdste keer moeten horen dat het toch allemaal kansloos is.

‘Zodoende is het tot een symbolische vadermoord op Adorno gekomen. De jonge generatie zei: wij weten het beter.’ In 1969 staakte Adorno zijn colleges. De aanleiding was dat hij op het spreekgestoelte werd belaagd door studentes met ontblote borst. Kort daarop overleed hij aan een hartaanval, nadat hij in Zwitserland, het advies van de arts negerend, een berg van 3000 meter hoogte had trachten te beklimmen.

Safranski herinnert zich een minder tragisch incident waarbij hij aanwezig was. ‘Dat was in Berlijn waar Adorno een voordracht hield in het auditorium van de Freie Universität. Over Iphigeneia van Goethe. Stel je voor, het was in de hoogtijdagen van de studentenbeweging, Benno Ohnesorg was doodgeschoten door een agent, we wilden graag horen wat Adorno te zeggen had, maar Iphigeneia was niet het onderwerp waarnaar wij reikhalzend uitkeken. Tja, typisch Adorno: de kunst als toevluchtsoord, nietwaar? De Kommune 1, zoals een van die groepen heette, had een happening voorbereid; midden in zijn toespraak zou een studente Adorno, die door zijn vrienden Teddy werd genoemd, een levensgrote teddybeer aanbieden. Tegelijkertijd zouden er ballonnen worden opgelaten, enzovoort. Enfin, die studente springt met teddybeer het podium op. Op dat moment staat op de eerste rij een student op die Adorno te hulp wil schieten. Maar Adorno, die niet helemaal volgde wat er gaande was, zag alleen dat een studente werd lastig gevallen door een jongeman. En als echte gentleman verdedigt hij dan de studente die hem wil beledigen tegen de student die hem in bescherming wil nemen. De oude Europese hoffelijkheid

‘De terugblik op 1968 concentreert zich bij ons in Duitsland helemaal op de politieke betekenis van de studentenrevolte en wat daarop volgde. Ik vind dat een eenzijdige benadering. Het hele leven werd op z’n kop gezet, erotiek speelde een rol, muziek. Zeer romantisch was ook het gevoel: hopla, met ons begint een nieuwe tijd. Als je dat allemaal in samenhang beziet, geloof ik dat je beslist van neoromantiek mag spreken. Maar zulke momenten van euforie, Nietzsche zou ze een ‘toppunt van vervoering’ noemen, duren nooit lang. Er komt iets anders na, in dit geval allemaal maoïstische sektes en het terrorisme van de Rote Armee Fraktion. Je kunt zo’n moment van romantische rebellie niet kunstmatig in stand houden.

‘Het romantische aan de Baader-Meinhof Groep zat erin dat ze rover en gendarme speelden. Ze zagen zichzelf als Robin Hood, dat is een geïdealiseerd, romantisch beeld. De reden dat het zo is misgelopen, is alweer dat het hun aan ironie ontbrak. Het werd allemaal bloedige ernst.’

Meer over