De plaat voor de kop van de sportjournalist

Mijn kennismaking met de sportjournalistiek dateert van zo'n dertig jaar geleden, toen ik door de redactie binnenland van het Brabants Dagblad op zondagavonden werd uitgeleend aan de sportredactie....

GERARD MULDER

Onuitroeibaar was het gekmakende: 'Na de thee waren de bordjes verhangen.' Eerst probeerde ik nog wel iets anders te verzinnen, maar later volstond ik met 'thee' te vervangen door 'rust'. 'Je leert het al', mompelde de chef-sport wanneer hij mijn werk nakeek. Maar tussen mij en het lederen monster zou het nooit iets worden.

Ik zou dan ook een verhaal in deze krant over het zojuist geboren voetbalblad Sportweek hebben overgeslagen als mijn oog niet was gevallen op een mij intrigerend detail. Achteloos bekent hoofdredacteur Frans Lomans dat hij de verslaggevers voor zijn nieuwe blad 'deels' heeft geselecteerd op hun adresboekjes. 'Tot wie heb je toegang, was een van onze vragen.' Cynisch als ik ben, neem ik automatisch aan dat dit ook de enige vraag was die ertoe deed.

Lomans' openhartigheid herinnerde mij aan die van een andere hoofdredacteur van een sportblad, Johan Derksen van Voetbal International. Deze onthulde eind februari in Het Parool dat hij de interviews die zijn verslaggevers middels hun adresboekjes met bekende voetballers hadden gearrangeerd, liet herschrijven door de trainers en pr-bobo's van de clubs. 'We zullen wel moeten', verzuchtte Derksen. 'Gaan we niet akkoord, dan krijgen we geen interview. Dan kunnen we de tent wel sluiten.'

Hoe komen journalisten ertoe zichzelf en hun vak zo te kakken te zetten? Er zijn twee denkbare verklaringen: a) de wanhoopskreten zijn in dronkenschap en in vertrouwen geuit tegenover bevriende journalisten, die ze vervolgens in de krant hebben gezet; of b) de sportjournalisten zijn door het verlies van hun integriteit al zo afgestompt dat het ze niets meer uitmaakt. Alhoewel variant a in de sportjournalistiek vaker voorkomt, zoals we weten, neig ik toch meer naar verklaring b.

Geen tak van de journalistiek staat zo onder druk van belanghebbenden als de sport. Het subtiele machtsevenwicht dat de verhouding tussen de pers en bijvoorbeeld de politiek of de financiële wereld kenmerkt, gebaseerd op de wetenschap dat beide partijen elkaar nodig hebben, ontbreekt in de sport. Dat komt doordat de media hier pressie van twee kanten voelen, de sportwereld enerzijds en het om beelden van en verhalen over de sterren schreeuwende publiek aan de andere kant. Op het ervaringsfeit dat berichtgeving over sport kijkers en lezers trekt, komen steeds meer tv-programma's en nieuwe bladen af. Dat de markt onverzadigbaar schijnt, blijkt niet alleen uit de komst van Sportweek en het op weekfrequentie overgaan van het maandblad Sport International. Het Algemeen Dagblad heeft voor de komende wereldkampioenschappen voetbal zelfs een speciaal nummer van 144 pagina's op stapel staan. Maar deze steeds koortsachtiger activiteiten spelen zich af op hetzelfde relatief kleine trapveldje van de topsport. De concurrentie is moordend geworden. Alleen door zich te laten vernederen, kunnen journalisten nog aan het begeerde spul komen.

Zonder het onderhouden van kleffe, tot alles verplichtende vriendschapsbanden mogen verslaggevers niet eens meer in de buurt van topsporters komen, laat staan er een gesprek mee voeren. Censuur is kennelijk vanzelfsprekend, een verschijnsel dat zich volgens bevriende sportredacteuren aan het uitbreiden is naar sporten die minder in de volksgunst staan, zoals atletiek en tafeltennissen. Wie zich niet onderwerpt, wordt geboycot. VI-chef Johan Derksen moest, zoals hij zelf toegeeft, stoppen met zijn kritische column omdat de verslaggevers van zijn blad geen toegang meer tot de clubs kregen. De vraag is waarom de sportjournalisten zich dat allemaal laten aanleunen.

Volgens mij is hun achilleshiel dat ze zichzelf te veel met hun onderwerp identificeren. Daarin onderscheiden ze zich van journalisten op andere terreinen. Weinigen koesteren op hun tiende de ambitie commentaren over kunstbeleid of buitenlandse politiek te schrijven, maar allemaal - nou ja, ik niet - willen ze dan Marco van Basten zijn. Een opstapje naar de sportjournalistiek, via wat gratis aangeboden wedstrijdverslagjes, is snel gemaakt, en vervolgens worden ze de gevangenen van hun eigen passie. Het is begrijpelijk, maar 'je moet wel een plaat voor je kop hebben om nu nog als sportjournalist te werken', zoals Derksen concludeert. Inderdaad, de bordjes zijn verhangen, en dat is een reden om aan iets anders dan aan de thee te gaan.

Meer over