De oorlogsherinneringen van Hannelore Grünberg-Klein

Hannelore, de moeder van schrijver Arnon Grunberg, hield een dagboek bij tijdens de oorlog. De fragmenten in deze voorpublicatie worden aan elkaar geschreven door haar zoon. 'Mijn oeuvre is een voetnoot bij dit boek en mijn moeders leven.'

Van links af: Hannelore, opa en Ruth, 1945 in Amsterdam. Beeld
Van links af: Hannelore, opa en Ruth, 1945 in Amsterdam.Beeld

Toelichting Arnon Grunberg

Eind jaren tachtig begon mijn moeder haar herinneringen aan de oorlog op te schrijven. Op de vraag waarom ze dat deed, meen ik me te herinneren dat ze zei dat ze het voor haar kinderen deed, voor mijn zus Maniou-Louise en mij dus. Het heeft bijna 25 jaar geduurd voor ik de tekst echt heb gelezen. Ik was bang voor de confrontatie met haar verleden, dat verleden moest niet te dichtbij komen. Beetje bij beetje heb ik het boek in de loop der jaren gelezen, maar ironisch genoeg heb ik dat pas echt grondig gedaan na haar dood.

Mijn moeder werd op 8 juni 1927 geboren in Berlijn. En daar beginnen ook haar memoires.

Berlijn

Toen ik 3 jaar oud was, verhuisden mijn ouders van het Hallesche Tor naar de Düsseldorfer Strasse, hoek Uhlandstrasse, niet ver van de Kurfürstendamm. We hadden daar een reusachtig grote woning met zeven kamers, waar ook het kantoor van mijn vader was gevestigd. Daar werkten zijn secretaressen en een loopjongen, en mijn vader ontving er zijn klanten. Zodoende was het de gehele dag erg bedrijvig bij ons thuis.

Korte tijd was er ook een meisje speciaal voor mij. Zij moest mij het eten voeren, omdat mijn maaltijden voor mama een wanhoop waren. Ze liepen in elkaar over, omdat ik er zo lang over deed. Er werd een speelgoedcarrousel gekocht, die ronddraaide en muziek maakte, om mij te doen eten. De associatie van de muziek met het eten maakte mij bij het horen ervan al misselijk. Het meisje at het eten dat voor mij was bestemd zelf op en was dus vlug klaar met het 'voeren'.

Met de Kristallnacht, de brandende synagoges en kapotgeslagen winkels en warenhuizen van Joden in geheel Duitsland kwam een einde aan onze schooltijd en daarmee ook aan onze kindertijd. Ruth en ik waren toen 10 en 11 jaar oud.

Ook wij kinderen voelden nu de schrik en angst van deze tijd. Joodse mannen werden uit hun huizen gehaald en naar het concentratiekamp Sachsenhausen gedeporteerd. Mijn vader sliep niet meer bij ons thuis. Papa sliep bij alleenstaande vrouwen, zoals zijn zuster Hertha. Daar zocht de SS niet naar Joodse mannen.

Mijn vaders aanvankelijke tegenzin om te emigreren, eindigde in een hectische jacht naar een visum voor welk land ter wereld ook; samen met zo veel andere Joden stond hij in de rijen voor consulaten. Jodenhaat en Jodenmoordlust waren nu ook voor ons kinderen niet meer verborgen. De droom van de Duits-Joodse burger was uitgedroomd. We hebben toen nog zeven maanden in deze enge atmosfeer in tante Rosi's kleine woning geleefd, met nachtelijke ontvluchtingen naar elders, om mogelijke razzia's te ontvluchten. De dagen werden besteed met aankopen van huisraad en kleren voor de emigratie. Mijn ouders maakten liftkisten klaar en kochten nieuwe meubels en een nieuwe keukenuitzet. Zij hadden het plan in het buitenland een pension te openen.

Nadat de race voor een affidavit voor de Verenigde Staten en voor een certificaat voor Palestina was mislukt, was mijn vader erin geslaagd voor ons alle zeven, ook voor tante Rosi en Ruth en mijn grootouders, een visum voor Cuba te bemachtigen. Het ss St. Louis zou op 13 mei 1939 vertrekken van Hamburg, met bestemming Havana. Op 12 mei arriveerden wij in Hamburg, waar wij in een nonnenklooster mochten overnachten, omdat alle hotels voor Joden waren verboden. De volgende dag gingen we aan boord.

De opvarenden van de St. Louis verging het zoals Mozes met het beloofde land. Ze zagen het, maar zouden het niet betreden.

Hannelore en Ruth, 1939. Beeld .
Hannelore en Ruth, 1939.Beeld .

St. Louis

Op de ochtend van 26 mei berekende de kapitein dat de St. Louis met tweeenhalf uur vertraging de haven van Havana zou binnenlopen. Het schip voer tegen de stroom in, langs de kust van Florida. De passagiers stonden aan de reling, verrekijkers gingen van hand tot hand.

's Middags pakten de passagiers hun koffers. De kapitein kondigde het afscheidsdiner aan. Het ontbijt werd op 03.30 uur in de ochtend gezet. Deze nacht was heet in Havana. Kapitein Schröder seinde de aankomst van het schip voor 04.30 uur. Havenarts, douane, politie en de immigratieautoriteiten belden terug dat ze aanwezig zouden zijn. De St. Louis gooide haar anker uit. Binnen een half uur zou het verschepen beginnen. Maar de tijd ging voorbij en er gebeurde niets. De passagiers passeerden heel snel de havenarts en stonden in lange rijen te wachten met hun paspoorten in de hand. Niemand controleerde de bagage, niemand wilde de paspoorten zien. Niemand begreep waarom de passagiers van de St. Louis niet aan land mochten.

In de bocht van Havana lag de St. Louis in de gloeiende hitte. Een merkwaardige stilte hing boven het schip. De onrust van de passagiers groeide tot het ondraaglijke. Kapitein Schröder vreesde een catastrofe. Op de ochtend van 30 mei ontving kapitein Schröder de eerste brieven uit Havana, alle van familieleden van de passagiers en alle met gelijke inhoud, namelijk dat de passagiers in zeer gespannen toestand verkeerden en velen zelfmoordplannen koesterden als hun enige uitweg. [Er was een postkantoor aan boord. De passagiers mochten daar brieven afgeven voor familieleden aan de wal. De bemanningsleden van het schip hadden in tegenstelling tot de passagiers wel vrije toegang tot de wal. Zij namen dus ook brieven mee naar en van de wal, red.]

De kapitein riep het boordcomité bijeen en stelde voor een scheepswacht van passagiers te vormen. Er werd een wacht van 36 jonge mannen gevormd. 's Middags kwam een vertegenwoordiger van het Hulpcomité aan boord. Hij verzekerde de teleurgestelden dat er niettegenstaande alle moeilijkheden al het mogelijke gedaan zou worden om de terugkeer naar Duitsland te beletten.

Terugkeer naar Duitsland - deze woorden hadden niet mogen vallen. Het bericht verspreidde zich vliegensvlug.

Na langdurige onderhandelingen met diverse landen werden de vluchtelingen in de haven van Antwerpen verdeeld onder Frankrijk, Engeland, België en Nederland.

null Beeld
Beeld

Heijplaat en Lloyd Hotel

Op de ochtend van 18 juni verlieten de 181 passagiers met bestemming Holland de St. Louis. Een sightseeingboot bracht hen naar Rotterdam. Deze tocht door eindeloze sluizen, langs Dordrecht duurde haast negen uur. We hadden allemaal mandjes met koosjere picknick gekregen; voor ons kinderen was het een pleziertocht. Het einddoel was de quarantaine Heijplaat. Hier werden door de vreemdelingenpolitie vluchtelingen uit Duitsland ondergebracht. Met onze oranje bloem opgespeld - we kwamen op uitnodiging van koningin Wilhelmina - verdwenen wij achter het prikkeldraad van Heijplaat. We wisten niet dat wij onze vrijheid voor de komende zes jaren kwijt waren en dat de meesten van ons, ook mijn ouders, de vrijheid nooit meer zouden beleven.

Na de inval van de Duitsers werden mijn moeder en haar ouders vanuit het Lloyd Hotel naar kamp Westerbork overgebracht. Westerbork was een woord dat bij ons thuis vaak viel. Als mijn vader vond dat mijn moeder de keuken niet goed genoeg had opgeruimd, zei hij: 'Jouw keuken is net Westerbork.'

Ruth, 1943. Beeld .
Ruth, 1943.Beeld .

Westerbork

Ik was een knap maar zeer kinderlijk meisje en op de avances van mijn Schülerkreis-vrienden ging ik niet in. Zeer tot spijt van mama, die mij gaarne wat 'gevorderder' had gezien. Een van de jongens bracht mij geregeld iets van zijn levensmiddelenpakjes die hij uit Amsterdam kreeg. Als ik dan aan mama vroeg hoe ik iets terug kon doen, zei ze: 'Ga eens met hem wandelen.' Maar zelfs dat wilde ik liever niet, omdat de jongen mij niet interesseerde. Ik weet niet meer hoe hij heette, zo weinig indruk heeft hij op mij gemaakt.

Mijn opa, mijn moeders vader, had als soldaat in de Eerste Wereldoorlog aan Duitse zijde meegevochten. Hij had daarvoor een onderscheiding gekregen en hij hoopte dat dit hem en zijn gezin zou behoeden voor een transport naar het oosten. Eerst kwam mijn moeder met haar ouders en familieleden in het zogenaamde 'Vorzugslager' Theresienstadt terecht.

Vanuit Theresienstadt zijn in de herfst van 1944 mijn grootouders en mijn moeder naar Auschwitz gedeporteerd.

Hannelore, 1943. Beeld
Hannelore, 1943.Beeld

Theresienstadt

Papa was al met veel andere mannen de zogenaamde Schleuse gepasseerd, de noordelijke buitenkant van de Hamburger kazerne. In de tunnelpoort stonden bewakers van de Joodse Prominenz van Theresienstadt, die de namen van de passerende personen die op transport gingen, afstreepten. Buiten aan die noordkant van de kazerne waren de rails, waar reeds de veewagens met de locomotief klaarstonden voor het transport. Voor de wagons liepen de hoge SS-officieren en ook Oberscharführer Rahm op en neer. Dat was dus de Schleuse. Als er iemand van de lijst gemist werd, werd alles doorzocht op zoek naar die persoon. Als dat niets opleverde, moesten er als represaille anderen in plaats van deze persoon mee op transport.

Achter de poort, die bij het binnenhof begon, mochten wij, de niet-transportgangers, nooit komen. De veewagons stonden klaar om onze mannen te vervoeren. Mama was helemaal uit haar doen van verdriet en ellende. Ze stelde voor dat ik, als blond, leuk uitziend meisje, met overall en rode hoofddoek (de kampkleding) coûte que coûte zou proberen door de Schleuse te komen tot bij de treinen, waar Oberscharführer Rahm stond. Ik zou bij hem een goed woord voor papa moeten doen: dat papa in de Eerste Wereldoorlog Frontkämpfer was geweest met onderscheiding van het Eiserne Kreuz et cetera, et cetera, teneinde papa uit dit transport te halen. Het was bij doodstraf verboden om bij de treinen te komen, en bij de Schleuse was voldoende bewaking om het te beletten.

De grote innerlijke tweestrijd die ik voelde, staat mij nog levendig voor de geest. Ik heb na de oorlog nog jarenlang herhaaldelijk nachtmerries van dit moment in mijn leven gehad, het moment dat ik steeds weer opnieuw beleefde. Meerdere keren nam ik een aanloop om te volbrengen wat mama zo graag wilde. Iedere keer kwam ik onverrichter zake weer terug en vond mezelf erg laf. Ik had niet de moed voor deze onderneming en wist ook dat het tot niet-slagen of misschien zelfs tot erger, namelijk tot mijn dood zou kunnen leiden. Het was een nachtmerrie voor ons allemaal. Zo gingen uren voorbij. Uiteindelijk zetten de veewagons met onze mannen - vaders, broers en echtgenoten - zich op die trieste ochtend van 28 september 1944 in beweging, richting Auschwitz. Ik meen dat het wel enkele duizenden mannen kunnen zijn geweest. De meesten van hen - onder wie ook mijn vader - zijn na aankomst in Auschwitz op 30 september 1944 in de gaskamers vergast.

Toelichting Arnon Grunberg

De laatste tijd zei mijn moeder soms: 'Ik denk veel aan de oorlog, want vroeger had ik daar geen tijd voor.' 'Vind je dat erg', vroeg ik, 'om aan de oorlog te denken?'

'Nee', zei ze, 'het zijn gewoon feiten.'

Mijn moeder moet niet worden gereduceerd tot haar oorlogsherinneringen, het zou een fatale fout zijn haar alleen nog vanuit dit perspectief te willen zien.

Dit reductionisme zou haar onrecht doen. Ze was en is meer dan de oorlog, en niet alleen de oorlog heeft haar bepaald. Als ik haar weleens zei dat ze zo bijzonder en zo goed was, zei ze beslist, en ook een tikkeltje geïrriteerd: 'Ik ben maar een doodgewoon mens.' Maar dapper wilde ze wel zijn. Als ik zei: 'Je bent dapper', antwoordde ze: 'Dat mag je wel zeggen.'

Haar dapperheid heeft veel vormen aangenomen, die dapperheid bestaat ook uit het feit dat zij zich niet door de oorlog heeft laten bepalen, zij is onafhankelijk gebleven. Niet voor niets eindigt haar boek met de woorden: 'Maar dat is een heel ander verhaal...' Ook na de oorlog zijn er andere verhalen te vertellen en die heeft zij verteld, zij het niet op papier.

Niet alleen haar vader, mijn opa, ook mijn moeders moeder werd in Auschwitz vergast. Mijn moeder werd na een kort verblijf in Auschwitz samen met een groep vrouwen 'uitverkoren' om in een vliegtuigfabriek in Freiberg te werken, niet ver van Dresden.

null Beeld
Beeld

Freiberg

Ondanks mijn kale hoofd scheen mijn jonge gezicht toch wat af te steken bij de anderen en het medelijden van mijn Meister op te wekken. Na de eerste paar dagen al fluisterde hij in mijn oor: 'In de rechterlade van mijn werktafel ligt een boterham voor jou, je zult wel honger hebben! Maar laat het niemand merken.' Ik was helemaal in de war van dit grandioze aanbod en bedankte hem op fluistertoon. In de pauze haalde ik zo onopvallend mogelijk de boterham uit de lade en genoot ervan. Dit evenement herhaalde zich enkele keren. Ik ging met het boterhampapier, dat heerlijk rook, naar bed. Als gevolg hiervan kreeg ik dagdromen die bestonden uit denkbeelden, zoals huishoudelijke hulp worden bij de Meister. Zo dacht ik aan de toekomst.

Nu de Geallieerden verder oprukten, werd mijn moeder naar Mauthausen getransporteerd, een concentratiekamp in Oostenrijk.

Mauthausen

Deze laatste weken, waarin wij met de zigeuners in deze ruimte vegeteerden en tussendoor appèl stonden, gingen als een nare droom langs mij heen, zodat ik mij geen verder detail meer kan herinneren. Ik weet alleen nog dat we sedert onze aankomst in het Lager Mauthausen niets meer van de SS-Scharführer noch van zijn helpers of andere SS'ers hebben gezien. Ze moeten al in deze aprildagen zijn gevlucht, nog voordat de Amerikaanse troepen het Lager bevrijdden. Hoe en wat wij te eten kregen, weet ik ook niet meer. Op een ochtend riep iemand plotseling: 'Er waaien witte vlaggen bij het Oberlager; dit moet de bevrijding zijn.' Niemand jubelde. Wij waren volledig afgestompt door alle ellende die wij achter ons hadden. In Theresienstadt had iemand een lied gemaakt:

Wenn die weissen Fahnen wehn

Werden wir uns wiedersehn.

Und die Welt wird schön,

Wird so wunderschön...

Wenn die weissen Fahnen wehn...

Dat lied klonk wel in ons hart, maar we zongen het niet en we waren ook niet blij. Wij waren dodelijk verzwakte skeletten en voor velen kwamen de weissen Fahnen te laat.

Al gauw mochten wij binnen het terrein van het Lager naar buiten gaan. Daar maakten wij ook gebruik van. Het was inmiddels stralend voorjaar geworden. Ik ging alleen op strooptocht naar buiten, eerst kruipend en daarna rechtop lopend. Behalve Reni was er niemand van al onze kennissen uit Westerbork en Freiberg in het zigeunerkamp. Op de wegen van het Lager Mauthausen vond ik onder andere rubberen artsenjassen. Op de een of andere manier schijn ik naald en draad te hebben kunnen bemachtigen. Uit de mouw van een artsenjas naaide ik een buidel, waarin ik de zeepdoos van Reni en de etensvoorraden die wij kregen, zoals brood, kon opbergen. Ik was heel erg trots op mijn buidel.

Toelichting Arnon Grunberg

Na de bevrijding werd mijn moeder naar een opvangkamp in Frankrijk gebracht, voor zogenaamde Displaced Persons.

Repatriëring

Als ik mij niet vergis, zijn wij circa vier weken in dit ontnazificeringskamp gebleven en er zal heus nog wel menige nazi tussen ons hebben gezeten, die dan hopelijk is ontmaskerd. Velen van onze lieve Hollands-Joodse kampgenoten zeiden tegen ons: 'Jullie komen niet naar Nederland terug, jullie zijn geen Nederlanders!' Dat was alles wat zij uit de Holocausttijd hadden geleerd. Deze kreet van leedgenoten, die de diepste ellende met ons hadden meegemaakt, maakte diepe indruk op mij en zou ik nooit vergeten. Ik weet me dan ook nu nog precies de naam van een dezer schreeuwlelijken te herinneren: het was Sera Sajet, die ik jaren later als verkoopster in Maison de Bonneterie weer terugzag. Ze deed toen of ze mij nooit eerder had ontmoet.

Repatriëringskamp bij Angers, 1945. Beeld
Repatriëringskamp bij Angers, 1945.Beeld

Toelichting Arnon Grunberg

Aan het begin van de jaren negentig heeft mijn moeder dit boek naar een uitgever opgestuurd, Loeb als ik me niet vergis. Het manuscript kwam terug. Er was geen interesse voor. Daarna heeft ze het niet meer geprobeerd. Het belangrijkste effect van mijn schrijverschap, en ik zeg dit zonder valse bescheidenheid, slechts met een reële blik op wie ik ben en waar ik vandaan kom - je zult je toch tot je eigen geschiedenis en die van je ouders moeten verhouden - is de uitgave van dit boek.

Mijn moeder en haar boek zijn het centrum, de rest zweeft daaromheen. Mijn oeuvre is een voetnoot bij dit boek en bij mijn moeders leven. Daarmee zeg ik niet dat mijn oeuvre exclusief over de oorlog zou gaan - tegen die lezing zal ik me altijd blijven verzetten - hooguit dat er gaten zijn in de herinneringen, in het geheugen, in het verhaal van mijn moeder en mijn vader, die opgevuld moeten worden. Juist ook met fictie.

Zolang er nog tranen zijn van Hannelore Grünberg-Klein is deze week verschenen bij Nijgh & Van Ditmar. Het zijn de memoires van de moeder van Arnon Grunberg. Ze overleed in februari dit jaar op 87-jarige leeftijd. Alle foto's zijn afkomstig uit het boek.

null Beeld .
Beeld .
Meer over