De oorlog die gelukkig koud bleef

Wat is het toch heerlijk om een boek te lezen waarvan je al na een paar alinea’s zeker weet dat de auteur zijn onderwerp volledig beheerst en dat hij bovendien is gezegend met een stilistische trefzekerheid die maakt dat je met plezier doorleest tot de laatste pagina. The Cold War van John Lewis Gaddis is zo’n boek.

De gerenommeerde Yale-historicus Gaddis draagt de Koude Oorlog als het ware in de palm van zijn hand. Hij heeft studies over verscheidene episoden geschreven. Die waren overwegend bestemd voor een academisch publiek. The Cold War is zijn slotakkoord, gericht op een bredere groep lezers. Het vat samen, trekt lijnen, geeft gebeurtenissen een context, typeert hoofdpersonen en probeert tot een oordeel te komen over het tijdperk dat zich al in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog aandiende en in 1989 op spectaculaire wijze eindigde met de val van de Berlijnse Muur.

Gaddis kan worden gezien als representant van een derde generatie Koude Oorlogsvorsers. De eerste was onmiskenbaar beïnvloed door het politieke conformisme waarvan de late jaren veertig en vroege jaren vijftig waren doortrokken. Het wereldwijde conflict tussen de Sovjet-Unie en het ‘vrije Westen’ werd praktisch geheel toegeschreven aan communistische overheersingsdrang en Sovjet-manipulatie. Deze zienswijze lokte in de jaren zestig en zeventig een ‘revisionistisch’ tegengeluid uit, dat de verantwoordelijkheid voor de toespitsing van de internationale tegenstellingen evenzeer – of zelfs veeleer – legde bij de Verenigde Staten en kapitalistische expansiedrift. Hierop volgde weer een ‘anti-revisionistische’ reactie van historici die het kunstmatige en repressieve karakter van het Sovjet-rijk benadrukten, zij het zonder de ideologische preoccupatie die de eerste generatie kenmerkte. Een benadering die mede werd gevoed door het feit dat in de jaren negentig de Sovjet-archieven toegankelijk werden.

Politieke voorkeuren zijn natuurlijk niet helemaal vreemd aan de verschillende visies op de ontstaansgeschiedenis en het verloop van de Koude Oorlog. Ook Gaddis is geen waardenvrije observator; hij verheelt niet dat indamming van het Sovjet-rijk in zijn ogen noodzakelijk was, hetgeen de Koude Oorlog onvermijdelijk maakte.

Maar niet alles wat noodzakelijk en onvermijdelijk is, voltrekt zich vervolgens met een ijzeren logica of een totale onafwendbaarheid. Het knappe van Gaddis’ geschiedschrijving is dat hij weliswaar causale verbanden blootlegt en de rode draad in het verloop van de Koude Oorlog laat zien, maar niet met terugwerkende kracht een wetmatigheid construeert die zou betekenen dat de dingen wel moesten lopen zoals ze liepen. De ongerijmdheden, de toevalsfactoren en vooral de hoogstpersoonlijke interventies van bepaalde hoofdrolspelers komen ruimschoots aan bod.

Een van die ongerijmdheden, bepalend voor de Europese constellatie na de Tweede Wereldoorlog, was de obsessieve behoefte aan een veiligheidscordon die achtereenvolgende Sovjet-leiders aan de dag legden, een behoefte die echter gepaard ging met een curieuze onderschatting van de westerse saamhorigheid. Het is anno 2006 nauwelijks voorstelbaar, maar bij alle relativering van de marxistisch-leninistische leerstellingen die hij zich permitteerde, bleef Stalin er wel van overtuigd dat de kapitalistische wedijver de westerse landen binnen de kortste keren uiteen zou drijven. Hij verwachtte met name een breuk tussen de VS en Groot-Brittannië, daarbij over het hoofd ziend dat de Britten door de oorlog blijvend waren verzwakt.

Een soortgelijke wereldvreemdheid speelde de Sovjet-dictator parten toen hij instemde met een deling van het overwonnen Duitsland die hem de controle over slechts eenderde van de bevolking en een nog kleiner deel van het (resterende) Duitse industriële apparaat opleverde. Op grond van de materiële verliezen die de Sovjet-Unie had geleden, had hij allicht meer kunnen eisen. Maar ook hierbij liet hij zich leiden door ideologische wensdromen. Hij was ervan overtuigd dat de marxistisch-leninistische regering in de Sovjet-zone als een ‘magneet’ zou werken op de rest van de Duitse bevolking. Duitsland zou dan ten langen leste de proletarische revolutie beleven die Marx juist hier had voorzien.

Behalve dat ze de politieke verhoudingen in het Westen door een verkeerde bril bekeken, vielen Sovjet-leiders geregeld ten prooi aan zelfoverschatting, of althans aan de behoefte om zich machtiger voor te stellen dan ze in werkelijkheid waren. Destijds zal er zelden om gelachen zijn, maar in retrospectief is het goed voor enige geestige anekdotes, door Gaddis met smaak opgedist.

Zo had Chroesjtsjov er een handje van om hoog op te geven van de omvang en vernietigingskracht van het kernwapenarsenaal dat Moskou ter beschikking stond. Westerse bezoekers van het Kremlin kregen te horen dat de Sovjet-raketten verre superieur waren aan de Amerikaanse en dat in een handomdraai een complete westerse stad in de as kon worden gelegd. Tijdens een gesprek met senator (en later vice-president) Hubert Humphrey vroeg Chroesjtsjov plotseling uit welke stad hij ook alweer afkomstig was. Op een kaart wees Humphrey Minneapolis aan. De Sovjet-leider omcirkelde de stad met een dik blauw potlood en verzekerde zijn gast dat hij zijn generaals de opdracht zou geven Minneapolis te sparen ‘wanneer de raketten worden gelanceerd’.

De Amerikanen kwamen er spoedig achter dat Minneapolis bepaald niet de enige stad was die bij een nucleaire confrontatie de dans zou ontspringen. Die ontdekking was te danken aan de U-2, een spionagevliegtuig dat vanaf grote hoogte scherpe foto’s kon maken van militaire objecten op de grond. Na diverse vluchten kwamen inlichtingenexperts in 1959 tot de slotsom dat de Sovjet-Unie over zes operationele lanceerinstallaties voor lange-afstandsraketten beschikte. Aangezien het lanceerklaar maken van de raketten twintig uur duurde, in welke periode ze kwetsbaar waren voor een Amerikaanse luchtaanval, betekende dit dat Chroesjtstov bij een first strike zegge en schrijve zes raketten kon inzetten.

Al zijn gebluf had wel een ander, mogelijk onbedoeld effect. Het voedde in 1960 de campagne van de Democratische presidentskandidaat John Kennedy, die de regering-Eisenhower verweet een missile gap te hebben laten ontstaan. Na Kennedy’s aantreden werd er niets meer van vernomen, want de nieuwe president kwam al snel tot de conclusie dat die kloof helemaal niet bestond. Pas in de jaren zeventig, toen de Amerikanen hun Vietnam-wonden likten en Sovjet-leider Brezjnev een straf bewapeningsprogramma doorvoerde, kon Moskou inderdaad bogen op een nucleair arsenaal dat het Amerikaanse, althans kwantatief, overtrof.

Vielen de gevolgen van dit pokerspel met virtuele raketten uiteindelijk wel mee, dat gold niet voor een aantal andere misrekeningen die zijn toe te schrijven aan een getroebleerde kijk op de krachtsverhoudingen en de stemming van de tegenpartij. Zo’n fatale misrekening maakte Stalin in 1950 toen hij aan Kim il-Sung het groene licht gaf voor diens opmars naar het zuiden, hoewel hij de veroveringsdrang van de Noord-Koreaanse leider tot dan toe had ingetoomd. Maar hij veranderde van gedachten nadat hij uit een geheim Amerikaans regeringsdocument de (verkeerde) conclusie had getrokken dat Washington niet van zins was de Zuid-Koreanen te hulp te schieten.

Op hun beurt verkeken de Amerikanen zich in de jaren zestig volledig op de kracht van Noord-Vietnam en de Vietcong. Londen en Parijs overschatten hun slagkracht tijdens de Suez-campagne van 1956, die door president Eisenhower werd doorkruist omdat hij niets van dit avontuur moest hebben.

Toch bleef bij al deze gewapende conflicten een rechtstreekse confrontatie tussen de twee nucleaire supermachten achterwege. Het gevaar daarvan dreigde twee keer tijdens de Koude Oorlog. De eerste keer voor het oog van een sidderende wereld: de Cuba-crisis van 1962, toen de regering-Kennedy besloot tot een zeeblokkade nadat foto’s het bewijs hadden geleverd voor de stationering van Russische raketten op het eiland. De tweede keer buiten het licht van de schijnwerpers in 1983, toen in het Kremlin grote consternatie ontstond over een ongebruikelijk omvangrijke NAVO-oefening en de vrees toesloeg dat een aanval ophanden was; de Amerikanen kregen lucht van de paniekstemming en via diplomatieke kanalen kon de nodige opheldering worden gegeven. Het was overigens dit incident dat Reagan sterkte in zijn overtuiging dat de tussen Washington en Moskou overeengekomen doctrine van de gegarandeerde wederzijdse vernietiging (Mutual Assured Destruction oftewel MAD) op de lange duur geen recept voor veiligheid kon zijn, omdat in een klein hoekje van de nucleaire afschrikking altijd de kans op een ongeluk zou zitten.

Ronald Reagan, door Gaddis treffend getypeerd als een unieke kruising van een havik en een duif, speelt een hoofdrol in wat zonder meer het meest gepassioneerde hoofdstuk van The Cold War is. Namelijk over de ‘acteurs’ die met een mengeling van visie, persoonlijke moed, overtuigingskracht en theatraal talent de vanzelfsprekendheid van de Koude Oorlogsconstellatie en dus van de onderdrukking van miljoenen mensen in de communistische wereld doorbraken. Naast Reagan plaatst Gaddis paus Johannes Paulus II, Lech Walesa, Margaret Thatcher, Michael Gorbatsjov en Deng Xiaoping in deze ereloge van de contemporaine geschiedenis.

Het is een gezelschap waarin een aantal namen opvallend ontbreekt. Zoals die van Henry Kissinger, de architect van de détente tussen Oost en West. Ook Willy Brandt, de peetvader van de Ostpolitik, brengt het niet verder dan een terloopse vermelding. Voor diverse kopstukken uit Azië, Afrika en Latijns-Amerika is zelfs dat laatste niet weggelegd – hun deel van de wereld, waar de Koude Oorlog toch ook zijn sporen heeft getrokken, komt er in dit boek wel wat bekaaid af.

Gaddis geeft duidelijk de voorkeur aan de ‘saboteurs van de status quo’ boven de systeembeheerders. Zijn toonzetting verraadt een speciaal genoegen bij de nominatie van de Poolse paus tot een van de topacteurs van de Koude Oorlog. Deze leidde immers een institutie waarover Stalin zich ooit schamper afvroeg hoeveel divisies ze in het veld kon brengen. Het bleken er in de jaren tachtig toch aanzienlijk meer te zijn dan gedacht, en hoewel ze onbewapend waren, wisten ze Stalins erfgenamen een zware nederlaag toe te brengen.

Het is een van de redenen waarom Gaddis zijn boek afsluit met een uitgesproken positief oordeel over het tijdperk van de Koude Oorlog. De oorlog bleef inderdaad koud – althans in de hoofdarena. De betekenis daarvan wordt gemakkelijk onderschat, betoogt Gaddis terecht. De tweede helft van de 20ste eeuw heeft een einde gemaakt aan het automatisme van oorlogvoering als middel voor grote mogendheden om hun wil door te zetten. Voorts heeft de Koude Oorlog de dictatuur moreel gediskwalificeerd en tot de terugtocht gedwongen. Tegelijk heeft het democratisch ideaal een wereldwijde opgang gemaakt.

Het kost geen moeite, schrijft Gaddis, om een lange lijst te maken van het bloedvergieten en het onrecht dat in de Koude Oorlog heeft plaatsgevonden. Maar de simpele waarheid is dat het veel erger had kunnen zijn. En het tijdperk dat ‘begon met de terugkeer van de angst, eindigde met een triomf van de hoop’.

Dat Gaddis de Koude Oorlog met zoveel overtuiging kan afschilderen als een epoche die per saldo bevrijding en vooruitgang heeft gebracht, geeft aan hoezeer ze al is verzonken in de geschiedenis, schreef een recensent in het tijdschrift Foreign Affairs. Dat heeft natuurlijk toch iets vreemds, want per slot van rekening ligt het einde nog geen zeventien jaar achter ons. Hoe kan het majeur-slotakkoord van Gaddis zo snel hebben plaatsgemaakt voor de mineur-klanken die het huidige tijdsgewricht te horen geeft? Onttrok de Koude Oorlog de nu zo scherpe religieuze en etnische tegenstellingen simpelweg aan het zicht? Missen we het houvast dat het machtsevenwicht tussen Oost en West ons bood? Is de democratie veel kwetsbaarder dan we in de euforie na de vrijmaking van Oost-Europa dachten? Kortom, waarom is die ‘triomf van de hoop’ zo snel vervaagd? Dat zijn vragen waarmee Gaddis in zijn aangekondigde toegift (een biografie van George Kennan, de geestelijk vader van de indammingspolitiek) best nog eens mag terugkomen.

John Lewis Gaddis: The Cold War. Penguin Books; 333 pagina’s; € 25,- ISBN 0 713 99912 8.

Meer over