De omwenteling van Parijs

Nergens gedijde de bohème beter

Ooit was Jean Louis Ernest Meissonier 'de koning onder de schilders', gerenommeerd en populair bij het publiek, verzamelaars en critici, berucht en beroemd, en gewaardeerd voor zijn minuscule schilderijtjes van musketiers.

Zijn werk was opgedoft met struisveren, wambuizen en kaplaarzen; hij werkte aan grootse Napoleontische taferelen. Meissonier genoot respect en bewondering in de Académie. 'Hij is onbetwistbaar de grootste van onze tijd', verklaarde Eugène Delacroix. De nu haast volkomen vergeten Meissonier, in roem en rijkdom de Picasso van zijn tijd, was dé schilder van Frankrijk.

Nu is Meissonier 'verstoft in de opslagruimtes van de musea', schrijft Ross King in De omwenteling van Parijs - Over de geboorte van het impressionisme, dat deze week bij De Bezige Bij verschijnt; hij is 'uit de geschiedenis van de Franse kunst gewist'. In zijn Olympia - Paris in the Age of Manet (1992), net zo'n fresco van het Parijs in de tijd van het Tweede Keizerrijk als het boek van King, vernoemt Otto Friedrich hem welgeteld een enkele keer als 'de populaire schilder van taferelen met soldaten, die door Edgar Degas ooit was omschreven als de reus onder de dwergen'. Maar in 1983, nog geen honderd jaar na zijn dood in 1891, pleitte een kunstliefhebber er zelfs publiekelijk voor 'zijn totaal waardeloze schilderijen te verbranden'.

King, die merkwaardig genoeg in zijn uitvoerige bibliografie Friedrich niet noemt, maakt een heel ander verhaal over het Second Empire, over de geboorte van het impressionisme én over Édouard Manet. Hij portretteert Manet in de schaduw van de grootmeester van toen, Ernest Meissonier. In 1863 - het jaar waarin Kings verhaal begint - was het volgens hem 'niet eenvoudig te overdrijven als het om Meissoniers reputatie of vermogen' ging. Hij woonde in La Grande Maison, een landgoed in Poissy, en bezat nog een appartement in de Parijse rue des Pyramides, op enkele passen van het Louvre. Meissonier had acht paarden en een grote verzameling rijtuigen; hij was zelfs eigenaar van een echte postkoets met een eigen wapenschild met de trotse inscriptie: Omnia labor, oftewel 'alles door werk'.

Als je iets goed genoeg vond om te doen, verkondigde Meissonier, 'dan moet je het ook goed doen'. Een historisch getrouwe weergave moest er onberispelijk uitzien. Meissonier was een deskundige op alle terreinen van Napoleons leven - hij is uitgerekend in 1815, het jaar van Waterloo, geboren - en wist zelfs de kleinste details uit diens verborgen leven: de 'verlegen' keizer, wist hij, trok dagelijks een schone kuitbroek aan 'omdat hij zich bezoedelde met snuiftabak' en kleedde zich uitsluitend in het volslagen donker uit. Meissonier was een liefhebber van antiek, en zei zelf dat zijn huis en zijn mentaliteit 'stammen uit een ander tijdperk'. Dat zette ook de toon van zijn kunstzinnige credo.

Manet (1832-1883), zeventien jaar jonger dan Meissonier, werkte in een klein atelier in Batignolles. Nergens in Parijs gedijde de bohème beter dan in die wijk. Eigenlijk was de jonge Manet radicaal ondanks zichzelf, want hij had - onderkennen zowel King als Friedrich - een sterke behoefte om zich te conformeren en verlangde ook naar de goedkeuring van het gezag. Zijn schilderijen werden door het publiek en de critici beschimpt. Toen zijn Olympia voor het eerst op de Salon van 1865 werd getoond, schreef La Presse, 'dromden mensen om Manets ranzige Olympia alsof ze zich in het lijkenhuis bevonden'.

Op de Champs-Élysées zag het voor de Salons zwart van de karren en wagens waarmee kunstenaars hun werk 'ter beoordeling' naar het Palais brachten. Het was een doolhof van schilderslinnen. De selectie ging snel. In nauwelijks een minuut werd een doek beoordeeld. Schilderijen die waren afgewezen, kregen een rode letter 'r' op de achterkant gestempeld, die stond voor refusé, geweigerd. Het was een ware slachting: in 1863 werden van de vijfduizend ingezonden werken er iets meer dan tweeduizend aangenomen. Toen Manet aan Paul Cé

zanne een keer vroeg of hij iets voor de Salon zou inzenden, antwoordde de schilder: 'Ja, een pot met stront!'

Mozart en Salieri, dat is Manet versus Meissonier. De schrijver Émile Zola ergerde zich aan die tegenstelling. Hij schreef spottend over de populariteit van Meissonier en veroordeelde bitter 'de geestdriftige menigte die om mij heen dromde alsof ze me wilde vermorzelen, kreten slakend en, haast met religieus ontzag, elkaar de fabelachtige prijs van deze lappen linnen toefluisterend'. King maakt met zulke uitspraken, citaten en commentaren een pittig vertelde 'sociografie' van het schildersgilde in die tijd. Zijn boek is in zekere zin het pendant van het onlangs verschenen L'élite artiste - Excellence et singularité en régime démocratique van 'kunstsociologe' Nathalie Heinich, waarin de ontwikkeling van de onstuimige Parijse bohème wordt geschetst, van kunstenaars die op den duur toch weer académiciens worden.

Het relaas van King, die flaneert door het Parijs van keizer Napoleon III, heeft iets van de allereerste fotoreportage met onderschriften die ooit in een tijdschrift is verschenen. De beroemde Nadar interviewde in 1886 de toen honderdjarige scheikundige chemicus en kleurentheoreticus Michel Eugène Chevreul; zijn zoon Paul fotografeerde hen. De heren herinnerden zich de hele voorbije en opwindende eeuw, en rakelden dat verleden weer eens gezellig op met gossip, ongezouten kritiek, praatjes en kleine historietjes.

Dat doet de verteller King ook: hij verzamelt allerlei encyclopedische kennis en weetjes en schetst daarmee een panoramisch beeld van die tijd: dat de beruchte Marie Duplessis, la dame aux camélias, een ketellappersdochter was; dat bezoeksters van het monumentale graf en het beeld van de vermoorde rokkenjager Victor Noir op Père-Lachaise over de bult van zijn opvallend uitpuilend kruis wrijven om geluk af te smeken bij het stichten van een gezin; dat Manet en de criticus Edmond Duranty bij een duel niet met elkaar de degens kruisten maar wel een hand gaven (Manet stond als blijk van welwillendheid ook zijn paar nieuwe schoenen af, maar Duranty weigerde 'omdat hij grotere voeten had dan ik'); dat Nadar tijdens de Frans-Duitse oorlog met zijn ballon nog boven het Pruisische belegeringskordon was opgestegen om pamfletten boven de vijandelijke soldaten af te werpen; dat Victor Hugo in die dagen van schaarste olifantbiefstuk en antiloop at uit de diergaarde van de Jardin des Plantes en dat er een van de kanonnen tijdens het oproer van Montmartre Le Courbet was gedoopt omdat het was gekocht met de opbrengst van een zeegezicht dat door de schilder aan de opstandelingen was geschonken. Dát was het Second Empire.

Nadar heeft bijna alle kopstukken uit die tijd gefotografeerd, ook Meissonier en Manet. Enkele van die foto's staan in Kings boek. In 1874 - daar eindigt het verhaal van De omwenteling van Parijs - werd in Nadars voormalige fotoatelier aan de boulevard des Capucines de eerste tentoonstelling gehouden van de impressionisten. De eens zo bejubelde Meissonier is nog maar een schim uit de kunsthistorie. Manet, berichtte Les Contemporains, was ontegenzeglijk de nieuwe roerganger van een schare discipelen. Hij was 'koning van de impressionisten'.

Meer over