De omgekeerde divan

‘Laat ik meteen zeggen’, schreef Vladimir Nabokov halverwege de vorige eeuw in zijn autobiografie, ‘dat ik de vulgaire, armzalige, op middeleeuwse leest geschoeide wereld van Freud verwerp, met zijn bizarre zoektocht naar seksuele symbolen en met zijn verbitterde kleine embryo’s die, vanuit hun natuurlijke schuilplaats, het liefdesleven van hun ouders bespioneren.

Freud had zich de haat van Nabokov – en van talloze andere schrijvers – op de hals gehaald door vanuit zijn zelfverklaarde wijsheid met stellige eenzijdigheid over literaire meesterwerken te oordelen. Steevast reduceerde hij de rijke beeldentaal van verhalen – of het nu ging om Hamlet, de vertellingen van Hoffmann of De Gebroeders Karamazov – tot de verhulde uitdrukking van thema’s als castratieangst, incestverlangens en het oedipuscomplex.

Was dat alles waartoe creativiteit diende? Moesten schrijvers in feite allemaal in psychoanalyse om hun metaforen en verzinsels in te wisselen voor een ‘gezond’ inzicht in hun vroegkinderlijke, seksuele wensen? ‘Moeten we de mensen werkelijk beroven van het beste wat zij bezitten?’, schreef Italo Svevo, die na serieuze bestudering de psychoanalyse verwierp, en dat met zijn Bekentenissen van Zeno onderstreepte. Dat beste wat schrijvers bezitten, hun creativiteit, vreesde Virginia Woolf inderdaad kwijt te raken als ze in psychoanalyse zou gaan om zich van haar waanzin te laten genezen. Dat de psychoanalyse haar ook werkelijk zou genezen, betwijfelde ze overigens. Met een verwijzing naar de vogels die ze Grieks had horen praten tijdens een van haar episodes van waanzin, schreef ze spottend over de psychoanalyse: ‘Een patiënt die geen kanarie kon horen zingen zonder een toeval te krijgen, kan nu – doordat hij onder ogen gezien heeft dat zijn moeder hem in de wieg gekust heeft – door een laan vol vogelkooien lopen zonder een spier te vertrekken.’ Ze mocht dan met haar man, Leonard Woolf, het werk van Freud in het Engels uitgeven, in analyse is ze nooit gegaan.

Tegenover het vitriool van Nabokov en de scepsis van Woolf, staan de schrijvers die Freuds inzichten enthousiast omarmden. Zoals de confessional poets – een groep Amerikaanse dichters waartoe onder anderen Sylvia Plath en Anne Sexton gerekend worden – die nadrukkelijk in hun kindertijd op zoek gingen naar de wortels van hun waanzin. Wat Freud met zijn theorie aanreikte – het onbewuste, de gecompliceerde verhoudingen tussen vaders, moeders en kinderen, de vaardigheid van de geest om conflicten te verdringen – bood hen de mogelijkheid om een als chaotisch ervaren gevoelsleven in de vorm van gedichten en romans betekenis te geven.

Psychoanalytici waren vanaf de eerste gevalsbeschrijvingen van Freud interessant voor schrijvers, omdat ze hetzelfde terrein ontgonnen: het levensverhaal van de mens. Daarnaast behoorden ze – zeker in de eerste helft van de twintigste eeuw – tot dezelfde culturele elite. Veel schrijvers gingen in analyse, niet omdat ze zo heel veel mankeerden, maar gewoon omdat het erbij hoorde. Met als bijna onvermijdelijk gevolg dat psychoanalytici in de verhalen van schrijvers opdoken.

Ze deden dat in uiteenlopende vermommingen. Soms als mistige, neutrale figuren op de achtergrond, soms als de kwaaie pier van het verhaal. Opvallend mistig is bijvoorbeeld de psychiater in het ironische Portnoy’s complaint van Philip Roth. In dit verhaal laat Portnoy in een lange monoloog op de divan van zijn analyticus het hele arsenaal aan Freudiaanse verwikkelingen langs-komen: de overheersende, castrerende moeder, de geconstipeerde, slappe vader die weggewenst wordt, het onophoudelijk en schuldbewuste masturberen als puber en het onbevredigende seksleven als volwassene. Pas als Portnoy na 200 pagina’s uitgeraasd is, krijgt de psychiater – onvermijdelijk Joods en met Duitse tongval – de laatste regel tekst: ‘So. Now vee may perhaps to begin?’

In Erica Jongs Fear of Flying zijn de psychoanalytici nadrukkelijker aanwezig, maar hun rol is weinig verheffend. De journaliste Isadora Wing bezoekt een psychiatriecongres in Wenen met haar man, een psychoanalyticus van onvervalst freudiaanse snit. Al vanaf haar veertiende is ze onder behandeling geweest van psychoanalytici die haar wijsheden voorhielden als ‘het paard waarvan je droomt is je vader’ en ‘de lijkkist waarvan je droomt is je moeder’. De wijsheden van haar man zijn nauwelijks genuanceerder. Als Isadora in Wenen een verhouding begint met een psychiater uit de tegendraadse school van Ronald Laing schermen beide psychiaters met de beproefde oneliners van hun vaktaal om haar in hun eigen bed te houden.

Psychoanalytici in de literatuur mogen een gevarieerd gezelschap vormen, ze hebben gedurende de twintigste eeuw één ding gemeen: we leren ze kennen in een tamelijk karikaturale vorm en zelden als mensen van vlees en bloed.

Aan die eenzijdigheid lijkt sinds kort een einde gekomen te zijn. In een groeiende stroom romans is een psychoanalyticus de hoofdpersoon die van binnenuit beschreven wordt. En in plaats van de opportunisten of wijsneuzen van weleer zijn deze psychoanalytici gewone, aardige mensen met bescheiden pretenties. ‘Ik doe beroepshalve wat jij als vanzelf doet voor degenen om wie je geeft’, zegt Charlie Weir in Trauma van Patrick McGrath. Hij is als traumaspecialist betrokken bij de zelfmoord van een zwaar beschadigde Vietnamveteraan, zijn zwager Danny. Het vinden van Danny’s lijk, zijn schuldgevoel daarover en de resulterende scheiding van zijn vrouw brengen hem aan de rand van de totale ineenstorting. Wat hij niet beseft, is dat wat hem werkelijk hindert een veel groter, verdrongen, jeugdtrauma is. Het is zijn broer die hem met een ‘verdomme man, jij bent hier de psych’, op het goede spoor zet.

Het feit dat je ‘psych’ bent, betekent niet dat je gevrijwaard bent van problemen, noch dat je je eigen problemen kunt oplossen. Zodra Charlie doordrongen is van de omvang van het trauma dat hij als zesjarig jochie meemaakte, vlucht hij dan ook in de veilige haven van een vertrouwde psychiater. McGrath weet van Charlie een geloofwaardige therapeut te maken die met hart en ziel bij zijn patiënten betrokken is, maar ze niet echt kan helpen als hij niet eerst zijn eigen problemen heeft opgelost.

Datzelfde geldt tot op zekere hoogte voor Leo Liebenstein, de psychiater in Rivka Galchens Atmosferische storingen. Ook hij heeft problemen die erg lijken op die van een patiënt met wie hij therapeutisch weinig succes boekt. Treurig genoeg is dat wel een patiënt die aan wanen lijdt. Leo’s problemen beginnen als hij een exacte kopie van zijn vrouw Rema ziet binnenkomen. Ze praat als Rema, ziet er uit als Rema, zegt ook dat ze Rema is, maar Leo trapt daar niet in: hij weet dat ze het niet is. Omdat vanuit die aanname zijn hele wereld begint te kantelen, vraagt hij zich op een gegeven moment af of hij gek aan het worden is. Hij besluit zichzelf te analyseren zoals hij dat met een patiënt zou doen. Voor iedere andere psychiater zou de diagnose duidelijk zijn: het syndroom van Capgras, de waan dat geliefde personen vervangen zijn door gekloonde of robotachtige kopieën. Leo komt echter geen moment op deze diagnose, omdat een waan nu eenmaal inhoudt dat je er in gelooft. Zo belandt hij in een eigen logica van cirkelredeneringen waarin iedere toevallige associatie betekenis krijgt. Het is knap hoe Galchen de lezer meevoert in een geest die wegwijs probeert te worden in een gekantelde werkelijkheid – de werkelijkheid van zijn patiënten en misschien ook wel van zijn moeder.

En passant roept hij het beeld van haar op dat hij met zich meedraagt: dat van een eenzame vrouw met zware stemmingswisselingen die zich in een keurig mantelpakje op de bank ligt af te vragen of haar hele leven er niet anders uit zou zien als ze de bank met een satijnen stof zou overtrekken. Maar Leo heeft het te druk met zijn eigen logica om aan zijn kinderjaren belang toe te kennen.

Dat die kinderjaren van betekenis zijn, is voor de meeste psychoanalytici in de literatuur een gegeven. Ook Erik Davidsen, de psychiater in Siri Hustvedts The Sorrows of an American, is er van doordrongen dat het voor een beter begrip van zijn eenzaamheid en angstaanvallen geen kwaad kan terug te keren naar zijn jeugd. Samen met zijn zus begint hij aan de hand van een nagelaten brief een speurtocht naar de geheime geschiedenis van hun zwijgzame vader. Naarmate de vader zich duidelijker begint af te tekenen, groeit bij Erik het inzicht in zichzelf. Jammer is dat Hustvedts boek wankelt onder een teveel aan verhaallijnen waardoor je aan het einde nog steeds nauwelijks kan volgen waaruit Eriks gegroeide inzicht nu precies bestaat.

Niet minder gecompliceerd is de wereld van Jamal, hoofdpersoon van Hanif Kureishi’s Dit moet je weten. Jamals jeugdjaren in Londen zijn chaotisch, met een alleenstaande Engelse moeder, een wilde zus, en een Pakistaanse vader die al vroeg naar het thuisland is vertrokken.

Kureishi laveert de volwassen Jamal met vaardige hand door zijn tumultueuze bestaan terug naar de jaren waarin hij volwassen werd. Geobsedeerd door een jeugdliefde en door een moord waaraan hij zich mede schuldig weet, belandt hij al jong op de divan van een psychoanalyticus en besluit ter plekke dat dit beroep hem op het lijf geschreven is. Kureishi schildert Jamal tegen de wervelende achtergrond van een multiculturele samenleving en maakt van zijn hoofdpersoon misschien niet de eerste therapeut die je zou raadplegen, maar wel de meest sympathieke. Al was het maar vanwege zijn bekentenis dat het vak hem vooral zo goed past omdat hij een nieuwsgierige roddelkont is die niets liever doet dan luisteren naar de verhalen van mensen.

Luisteren en praten is wat we nog altijd geneigd zijn te beschouwen als de kern van psychotherapie. Wie problemen heeft, praat daarover. Toch is in de huidige, door managers gestroomlijnde zorg nauwelijks ruimte voor het levensverhaal. Onbeperkt praten is duur, vaag en het nut is onbewezen. Pillen en cognitieve gedragstherapie hebben van de omslachtig werkende psychoanalytici dan ook een bedreigde soort onder de therapeuten gemaakt. Deze marginalisering heeft ongetwijfeld bijgedragen aan de gegroeide sympathie van schrijvers voor de beroepsgroep. Psychoanalytici zijn met hun hardnekkige belangstelling voor wat mensen drijft en het loslaten van de eenduidige verklaringen van weleer, eerder bondgenoten van schrijvers geworden dan concurrenten.

En wie weet, geeft de omkering van rollen ook wel een zekere genoegdoening: niet Hamlet en de gebroeders Karamazov liggen op de divan onder de alwetende blik van Freud. Het zijn nu de psychoanalytici die op de sofa liggen, met een schrijver aan het hoofdeinde. Van zijn wijsheid en grillen is hun lot afhankelijk.

Meer over