Architectuur

De nieuwbouw van Museum Singer Laren oogt alsof hij er altijd heeft gestaan – en dat is razend knap

Bedaux de Brouwer Architecten beheerst de kunst gebouwen geruisloos op hun plek in te passen. Nu verduurzaming belangrijk wordt, heeft het bureau het tij mee.

Kirsten Hannema

Wat hebben de vele Nederlandse museumrenovaties van de afgelopen tien jaar met elkaar gemeen? De aanbouwen zijn steevast blikvangers, die sterk contrasteren met de oudbouw, van ‘de Badkuip’ bij het Stedelijk Museum Amsterdam en ‘de Wolk’ die boven op museum De Fundatie in Zwolle is geland, tot de monumentale nieuwbouw waarmee museum Naturalis in Leiden is uitgebreid.

De gevel van het vernieuwde Singer Museum Laren, ontworpen door Bedaux de Brouwer Architecten. Beeld Loes van Duijvendijk
De gevel van het vernieuwde Singer Museum Laren, ontworpen door Bedaux de Brouwer Architecten.Beeld Loes van Duijvendijk

Bij het vernieuwde Museum Singer Laren, dat op 8 maart opent, is het precies andersom: Bedaux de Brouwer Architecten heeft alles in het werk gesteld om de nieuwe vleugel, ontworpen voor de door Els Blokker geschonken collectie Nardinc (vernoemd naar het voormalige landhuis van het echtpaar Blokker), er uit te laten zien ‘alsof hij er altijd zo gestaan heeft’. Met zijn kap en gevels van rode baksteen voegt het gebouw zich vanzelfsprekend bij het complex dat in de loop der jaren rond de villa uit 1911 is verrezen, en rond de tuin, ontworpen door Piet Oudolf. De twee nieuwe zalen sluiten met hun klassieke vorm, bovenlichten en eiken lijstwerk naadloos aan op de bestaande tentoonstellingsruimten.

Maquette van de nieuwbouw van Museum Singer Laren. Beeld Loes van Duijvendijk
Maquette van de nieuwbouw van Museum Singer Laren.Beeld Loes van Duijvendijk

Verrassend is de nieuwe tuinzaal aan het eind van de museumroute, waar de architecten een ‘levend schilderij’ hebben gemaakt: een reusachtig venster, dat uitzicht biedt op de tuin, de villa en het met het museum gecombineerde theater. Dit architectonische, een terugblik enscenerende gebaar, is symbolisch voor de aanpak van Bedaux de Brouwer, ‘om iets nieuws te maken dat een perspectief biedt op het voorgaande.’ Dat schrijft architectuurcriticus Hans Ibelings in het vorig jaar verschenen boek Bedaux de Brouwer Architecten – Werken 2021-2003. Daarin vertelt hij het verhaal van een architectenbureau, dat niet zozeer bouwt, als wel voortbouwt – op een traditie die teruggaat tot 1937. In dat jaar begint aannemerszoon Josephus (Jos.) Bedaux (1910-1989) zijn architectenbureau in het woonhuis dat hij voor zichzelf en zijn gezin bouwt in Goirle. Zoon Peer (1940) volgt hem op, en vormt samen met architect Jacq. De Brouwer jarenlang de directie, waarna kleinzonen Thomas en Pieter Bedaux in 2006 de leiding overnemen.

Het kantoor van Bedaux de Brouwer Architecten in Goirle, ondergebracht in de voormalige woning  van Jos. Bedaux , die het pand in 1937 zelf ontwierp.  Het pand staat nu te koop.  Beeld Loes van Duijvendijk
Het kantoor van Bedaux de Brouwer Architecten in Goirle, ondergebracht in de voormalige woning van Jos. Bedaux , die het pand in 1937 zelf ontwierp. Het pand staat nu te koop.Beeld Loes van Duijvendijk

In 85 jaar heeft het bureau ruim 2.700 (niet allemaal gerealiseerde) ontwerpen gemaakt: van villa’s tot woonwijken, van kerken tot kantoren, van een hockeyclubhuis tot de universiteitscampus in Tilburg. En nu dus een museum, wat in de architectuur geldt als het hoogste dat een ontwerper kan bereiken. Toch is het bureau bij het grote publiek niet bekend. Wie is deze architectenfamilie?

Laat allereerst gezegd zijn dat Bedaux de Brouwer in architectuurkringen en in de regio een illustere naam is. In Goirle is er bij wijze van spreken geen straat zonder een werk van Bedaux, Thomas Bedaux spreekt grappend over ‘ons openluchtmuseum’. Als je door dat museum loopt, zie je hoe het werk gaandeweg is geëvolueerd. Jos. Bedaux begon als een ‘traditionalistische’ architect die bakstenen huizen met puntdaken en luiken ontwierp, waarna hij zich ontpopte als een ‘postmodernist avant la lettre’ die verschillende stijlen en elementen combineerde en afwisselde. Zo bouwde hij achter zijn romantische woonhuis in de jaren vijftig een modernistische witte ‘doos’ met veel glas. Peer Bedaux borduurde daarop voort in zijn kenmerkende grijswitte woningen. De ommuurde Villa Rotonda in Goirle die Thomas en Pieter Bedaux samen ontwierpen, is met zijn strakke grijze gevels en minimalistische details net weer een tandje moderner.

Buiten Noord-Brabant, waar het bureau minder heeft gebouwd, is het minder bekend. Dat komt ook doordat de architecten niet streven naar originaliteit. ‘Ons werk hoeft het niet te hebben van een ‘schok van het nieuwe’, zegt Pieter Bedaux in het boek. ‘Integendeel. Wij maken onmodieuze gebouwen.’ Ibelings maakt de vergelijking met de Porsche 911, die afstamt van de eerste 911 uit 1963, die op zijn beurt weer trekken heeft van de Porsche 356 uit 1948. ‘Ondanks alle technologische, materiële en esthetische veranderingen zijn alle auto’s van de opvolgers van Ferdinand Porsche in essentie hetzelfde.’ Zo zijn ze bij Bedaux de Brouwer altijd trouw gebleven aan de ‘school’ van Jos. Bedaux.

Het team van Bedaux de Brouwer Architecten vergadert in Goirle.  Beeld Loes van Duijvendijk
Het team van Bedaux de Brouwer Architecten vergadert in Goirle.Beeld Loes van Duijvendijk

In de voormalige eetkamer van het woonhuis in Goirle – tegenwoordig in zijn geheel in gebruik als kantoor – toont Thomas Bedaux de messing huisnummers en lantaarns die zijn grootvader ontwierp, en die in 2014 opnieuw in productie zijn genomen. ‘Het zijn ontwerpen die zich bewezen hebben; die hoeven we niet opnieuw uit te vinden. Zo kunnen we onze energie stoppen in het oplossen van de opgaven van deze tijd.’

Zoals de verduurzaming en verdichting van steden. Want terwijl grootvader en vader Bedaux vooral ontwierpen voor nieuwbouwwijken, bestaat tegenwoordig tweederde van de bouwopdrachten uit transformaties van gebouwen en buurten. Doordat het bureau heeft voortgebouwd op het werk van de oprichter, wist het gemakkelijk de overstap te maken naar het voortbouwen op de bestaande stad. Een mooi voorbeeld is het appartementengebouw waarmee een gat in de Amsterdamse Wibautstraat is gedicht. Goede kans dat als je een Amsterdammer vertelt op welke hoek het staat, hij antwoordt dat hij het nog nooit heeft opgemerkt, zo subtiel is het bakstenen pand met zijn verspringende hoogten en balkons ingepast.

Nieuwbouw van Bedaux de Brouwer Architecten in de Amsterdamse Wibautstraat, pal naast het voormalige pand van de Volkskrant.   Beeld Loes van Duijvendijk
Nieuwbouw van Bedaux de Brouwer Architecten in de Amsterdamse Wibautstraat, pal naast het voormalige pand van de Volkskrant.Beeld Loes van Duijvendijk

Niet dat het bureau geen opvallende gebouwen wil ontwerpen, als de situatie daartoe aanleiding geeft, schromen de architecten niet om een statement te maken. Neem de twee woontorens die Jacq. De Brouwer in 1998 bij het verbouwde klooster Het Cenakel in Tilburg realiseerde. Het eerste hoogbouwproject van de stad bracht destijds de nodige opschudding. Tegelijk hebben de torens met hun donkere bakstenen gevels en enorme spleetramen iets ‘onverstoorbaars’, zoals Ibelings het oeuvre van Bedaux de Brouwer karakteriseert.

Woningbouw – de hoofdmoot van de opdrachten waaraan het bureau werkt – vraagt doorgaans niet om grootse gebaren, eerder om de verbijzondering van het alledaagse. Maar met een mooie erker kom je niet op de covers van de architectuurbladen.

Het Cenakel in Tilburg, nieuwbouw uit 1998. Beeld Loes van Duijvendijk
Het Cenakel in Tilburg, nieuwbouw uit 1998.Beeld Loes van Duijvendijk

Sinds de economische crisis in 2008 een streep zette onder de ‘Superdutch-periode’, waarin bureaus als OMA, MVRDV en UN Studio de wereld veroverden met hun radicale concepten en spektakelbouwwerken, zie je weer meer belangstelling voor typische Bedaux de Brouwer-thema’s als ambacht, comfort en materiaalgebruik. Onder de titel New Dutch maakte het Zwitserse architectuurtijdschrift Modulor een special over deze ‘nieuwe’ stroming, waartoe ook Bedaux de Brouwer wordt gerekend. ‘Toen mijn vader het bedrijf overnam, werd er in Nederland wat lacherig gedaan over puntdaken en dakkapellen, en golden we als degelijk; nu werden we onbewust avant-garde’, vertelt Pieter Bedaux. Dat Museum Singer Laren het bureau uitnodigde voor de ontwerpprijsvraag, is veelzeggend.

De nieuwbouw voor Museum Singer Laren.  Beeld Loes van Duijvendijk
De nieuwbouw voor Museum Singer Laren.Beeld Loes van Duijvendijk

In 2008 is de Stichting Jos. Bedaux opgericht, die zijn in de vergetelheid geraakte werk opnieuw onder de aandacht brengt en een groeiende schare fans heeft. De coronacrisis leidde tot een herwaardering van de thuisomgeving, door de huizencrisis staat woningbouw volop in de belangstelling. Bedaux de Brouwer heeft het tij mee. Aan de muren in het bureau hangen tekeningen voor woonwijken in Groningen en Maastricht, achter de bureaus wordt geschetst aan transformaties. Daaronder de verbouwing van het voormalige kantongerecht in Tilburg – ook weer een werk van Jos. Bedaux – tot het nieuwe kantoor van het bureau. Pieter Bedaux zal niet meeverhuizen. Hij besloot vorig jaar om het familiebedrijf te verlaten en voor zichzelf te beginnen; hij wil meer bezig zijn met het ontwerpen.

Het voormalige kantongerecht in Tilburg (ontwerp Jos. Bedaux, 1969), dat het nieuwe kantoor van Bedaux de Brouwer wordt.  Beeld Loes van Duijvendijk
Het voormalige kantongerecht in Tilburg (ontwerp Jos. Bedaux, 1969), dat het nieuwe kantoor van Bedaux de Brouwer wordt.Beeld Loes van Duijvendijk

De architectuur van Bedaux de Brouwer ‘is niet louter een voortzetting van hoe het altijd is gedaan’, schrijft Ibelings. ‘Elk werk is een kritische reflectie op alles wat eraan vooraf is gegaan.’ Door het vertrek van zijn broer heeft Thomas Bedaux zich de afgelopen tijd, samen met een nieuwe groep jonge architecten, bezonnen op de toekomst en missie van het bureau. Het boek hielp om kritisch terug te blikken. Hij vindt dat de foto’s te veel ingezoomd zijn, te veel detail tonen en te weinig van de omgeving. ‘Daarmee vertellen we ons verhaal niet helemaal goed, want juist door de inbedding van het gebouw kunnen we waarde toevoegen.’

Dat is wat de ontwerpers beoogden bij Museum Singer Laren. Aanvankelijk was de opdracht om een aanbouw met expositiezalen te maken voor de Nardinc-collectie. De architecten constateerden na een analyse dat het veelvuldig verbouwde complex daarmee verder zou verrommelen en stelden voor om het hele museum onder handen te nemen, en de gebouwen en tuin tot een nieuw geheel te smeden. Zo wonnen ze de opdracht: door groter te denken.

Dat wil het bureau nu voor elkaar krijgen in de woningbouw. Bedaux toont een artist’s impression van de wijk in Maastricht, waar de architecten standaard rijtjeshuizen een kwartslag ten opzichte van elkaar hebben verdraaid, zodat een open hoek tussen de woningen is ontstaan. Die ruimte hebben ze benut om woonkeukens aan de woningen toe te voegen. Je kunt je voorstellen hoe je door het raam straks kinderen ziet spelen op de stoepen, die van de voortuintjes worden gescheiden met lage gemetselde muurtjes. Zijn punt is duidelijk; we moeten verder denken dan het getal van 1 miljoen huizen; de opdracht is om daarmee goede straten en wijken te bouwen, voortbouwend op de Nederlandse woningbouwtraditie.

Te koop: Landhuis Bedaux

Door de aanstaande verhuizing van Bedaux de Brouwer Architecten van Goirle naar Tilburg, staat het woonhuis met kantoor dat Jos. Bedaux in 1937 voor zijn familie in Goirle bouwde, te koop. Het romantische huis, dat met een moderne vleugel is uitgebreid, is 565 vierkante meter groot en heeft een grote tuin naar ontwerp van Pieter Buys. Het is een rijksmonument.

Meer over