De mythe van de onverschilligheid

Wordt de televisiekijker ongevoeliger voor het wereldleed? De opbrengsten van inzamelingsacties wijzen anders uit. Toch wordt nog krachtig ten strijde getrokken tegen vermeende hardvochtigheid....

door Pieter Hilhorst

EEN LIJK drijft in een modderstroom. Een kind drinkt troebel water uit een oud blikje. In de top van een boom schreeuwen mensen de longen uit hun lijf om aandacht te trekken van de reddingshelikopters. Het is een greep uit de televisiebeelden over de rampspoed in Mozambique. De theorie van de afstomping stelt dat kijkers zich afsluiten voor dit soort ellende. Ze hebben al te veel ontluisterende beelden voorgeschoteld gekregen. Ze zouden ongevoeliger worden voor het wereldleed. Het is een theorie die past bij de populaire klaagzang over het cynisme van de moderne mens.

Het gesomber over de hedendaagse onverschilligheid staat echter in schril contrast met de cijfers. Giften aan liefdadigheidsinstellingen zijn, zo meldt het Centraal Bureau voor Fondsenwerving, gestegen van 753 miljoen gulden in 1990 tot 1.373 miljoen in 1998. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is het ledenaantal van organisaties voor internationale solidariteit tussen 1980 en 1996 gestegen van 1,4 miljoen naar bijna 3,9 miljoen.

Tussen november 1998 en augustus 1999 werden drie grote televisieacties georganiseerd. Tot voor kort vreesden fondsenwervers dat één televisieactie per jaar het maximum zou zijn. De actie voor hulp aan de door de orkaan Mitch getroffen gebieden in Latijns Amerika leverde 82 miljoen gulden op. De campagne voor oorlogsgetroffenen in Kosovo was met 114 miljoen nog succesvoller en ook voor Turkije kwam nog 65,5 miljoen binnen. En nu trekken mensen weer en masse hun beurs open voor Mozambique.

Het is niet moeilijk deze betrokkenheid te relativeren. Een cynicus ontmaskert het engagement met gemak als oppervlakkig en willekeurig. Wie maakt zich druk om de Tsjetsjenen? Waarom wordt er geen actie gevoerd als India te kampen heeft met een helse overstroming? Om nog maar te zwijgen van de ellende elders in de wereld die niet over de drempel van het Journaal komt? Bovendien stellen de genoemde offers niets voor. Een girootje uitschrijven doet geen pijn. Het zijn moderne varianten van het oude ritueel van de aflaat. De weldoeners kopen gewoon hun schuldgevoel af.

Helemaal ongelijk heeft zo'n cynicus niet. Maar dat mensen een schuldgevoel hebben dat ze willen afkopen, betekent dat er wel degelijk een gevoeligheid is voor het leed van anderen. De Amerikaanse filosoof Richard Rorty stelt dat het algemeen menselijk vermogen pijn te lijden, maakt dat we ons tegenwoordig met iedereen kunnen identificeren. Alle tranen zijn zout en ieders bloed is rood.

Het probleem is echter dat we, in de woorden van Bram de Swaan, ons wel met iedereen kunnen identificeren, maar niet met iedereen tegelijk. Hoe goed onze voornemens ook zijn, we schieten altijd tekort. Niet de ongevoeligheid maar deze machteloosheid is het grote probleem. Het enige dat de kijker kan doen, is geld geven en tegen beter weten in hopen op een goede aanwending van de gift.

Maar zelfs dit karige middel is eindig. Het is onmogelijk alle goede doelen te steunen. Veel ellende glijdt dus onbeantwoord over het scherm. De klaagzang over de hedendaagse hardvochtigheid komt voort uit deze kloof tussen het medelijden dat we voelen en onze mogelijkheden er iets aan te doen. Dat we onder deze nalatigheid lijden, is dus geen bewijs van moderne ongevoeligheid, maar een teken van een gegroeid inlevingsvermogen.

Televisiemakers en fondsenwervers trekken echter nog altijd ten strijde tegen de vermeende onverschilligheid. Aad van den Heuvel en Walter Etty hebben zelfs een omroep opgericht om het Nederlandse volk met programma's over de Derde Wereld, het milieu en mensenrechten wakker te schudden. Op de website van De Nieuwe Omroep staat dat ze al 46 duizend van de benodigde 50 duizend leden hebben. Binnenkort zal dus een verse lading idealistische programma-makers de aanval op de onverschilligheid openen.

Ze kunnen daarbij twee strategieën hanteren: choqueren of inspelen op het sentiment. Volgens de theorie van de afstomping van de kijker is het steeds moeilijker kijkers wakker te schudden. Ze hebben immers al zo veel gruwelen aanschouwd. De beelden van Mozambique zijn inderdaad minder schokkend dan bijvoorbeeld het jongetje in een Hutu-vluchtelingen kamp in Zaïre. Zijn ouders hebben hem achtergelaten. Een hulpverlener pakt het kindje met één hand op. Hij neemt niet eens de moeite de papieren weg te leggen die hij in zijn andere hand heeft. Als de hulpverlener de jongen wil terugzetten, lukt dat niet. Het kind is te zwak om te staan of te zitten. Na een paar vruchteloze pogingen laat de hulpverlener hem dan maar omvallen en wandelt het beeld uit.

Deze hemeltergende scène uit Kisangani Diary van Hubert Sauper zal ik nooit meer vergeten. De beelden van Mozambique misschien wel. Toch betekent dat niet dat ze me nu niet raken. Ik heb erger gezien, maar toch blijven de beelden erg genoeg om ze liever niet te willen zien. En dat is het perverse effect van de strategie van het choqueren. De makers willen met geweld de onverschilligheid doorbreken, maar plakken zo beelden achter elkaar die mensen juist omdat ze zich zo goed kunnen inleven, niet willen zien.

De andere strategie is de sentimentele. De Novib probeert bijvoorbeeld geen geld te werven met gruwelijkheden, maar met kleine successen. We zien een kindje. Vader en grootvader gingen op hun 10de werken, maar dankzij de Novib-methode kan dit jongetje naar school. Het zijn campagnes die niet willen choqueren maar ontroeren. Foster Parents hanteert al jaren deze strategie. Mensen geven liever geld aan een kind dat ze kennen, dan aan anonieme slachtoffers. De sentimentele campagne is bedrog, omdat ook bij Foster Parents het geld niet naar het betreffende kindje gaat. Deze misleiding wordt echter geaccepteerd omdat het de vrijgevigheid stimuleert.

In de sentimentele strategie past ook dat bekende sterren tonen hoezeer ze zijn aangedaan door het leed. In het televisiespektakel voor Kosovo brak de stem van Ilse de Lange. André Hazes wilde bij Paul de Leeuw helemaal niet meer zingen. Hij had beelden gezien van kinderen in de Albanese vluchtelingenkampen. In de regen zaten ze in hun tenten, terwijl zijn kinderen in een vakantiehuisje in Zeeland zaten. En die Kosovaarse kinderen hadden niet eens 'een doekie tegen de regen'.

Het probleem van beide strategieën is niet dat ze onsuccesvol zijn. De opbrengsten van de wervingsacties bewijzen het tegendeel. De strategieën richten zich echter op een denkbeeldige vijand: de ongevoeligheid. Terwijl mensen juist overlopen van gevoel. Dat verklaart ook de paradox dat kijkers programma's over Derde Wereld, milieu en mensenrechten mijden, maar wel bereid zijn geld over te maken. Ze hoeven maar weinig te zien om te weten hoe erg het allemaal is.

De kruistocht tegen de hardvochtigheid impliceert bovendien dat medelijden de hoogste deugd is. Het is immers de enige emotie die mensen ertoe aanzet iets te doen. Of het mensen ook aanzet het juiste te doen, valt echter te betwijfelen. In zijn pamflet De politiek van de Goede Bedoelingen klaagt Hans Achterhuis dat op medelijden gebaseerde morele verontwaardiging niet altijd leidt tot menselijkheid.

AAN DE hand van de NAVO-bombardementen in Kosovo laat hij zien dat instinctieve solidariteit met de arme Kosovaarse slachtoffers van de Servische agressie de plaats innam van het politieke oordeel. De slachtoffers - die extra onschuldig zijn geportretteerd om het morele appèl te onderstrepen - mogen niet aan hun lot worden overgelaten. Kijken naar de geschiedenis en de politieke context is dan alleen nog een vals excuus voor passiviteit. Deze op medelijden gebaseerde politiek heeft er helaas toe geleid dat nu de toch zo onschuldige Albanezen de Serviërs terroriseren.

Het onbeholpen idealisme kan zelfs leiden tot een gemoedstoestand die desastreuzer is dan onverschilligheid: weerzin. De Canadese publicist Michael Ignatieff spreekt van de verleiding van morele afkeer: hebben we jullie geholpen, gaat het weer mis, nou dan moeten jullie het de volgende keer maar zelf uitzoeken. Wij trekken onze handen ervan af.

De permanente kruistocht tegen de onverschilligheid brengt ons van de regen in de drup. Sommigen noemen het medelijden waar al het mediageweld toe moet leiden zelfs hardvochtig. Ter wille van de identificatie wordt verdoezeld dat de slachtoffers soms ook daders zijn of waren. Ze worden zo gereduceerd tot wezens die in de termen van Rorty alleen nog maar in staat zijn pijn te ervaren. Van individuen die deels verantwoordelijk zijn voor hun eigen lot, worden zij passieve slachtoffers. De betrokkenen werken dat ook zelf in de hand. Zij weten dat alleen op die noemer steun van het Westen te organiseren is. Het slachtofferschap is bovendien vaak het enige waar de onderworpenen het over eens zijn. Zodra het gaat over hoe het verder moet, breken de ruzies uit.

De mythe van de hedendaagse onverschilligheid stelt programma-makers van bijvoorbeeld De Nieuwe Omroep voor een dilemma. Of ze houden de mythe levend en gaan programma's maken die inspireren tot een medelijden dat eigenlijk beschamend is en het politieke oordeelsvermogen in de weg staat. Of ze nemen er afstand van maar dan ondergraven ze hun eigen bestaansrecht. Dan verdwijnt immers de morele plicht om te kijken.

Het is veel gemakkelijker ten strijde te trekken tegen vermeende onverschilligheid dan tegen reële machteloosheid. Om die machteloosheid te doorgronden, zijn programma's vereist die inzicht bieden in het veelvuldige falen van de hulporganisaties waar De Nieuwe Omroep zo graag mee samenwerkt. Programma's die niet oproepen tot medelijden, maar tot scepsis. Programma's die individuen niet laten zien als slachtoffers, maar als mensen die hun lot in eigen hand willen nemen, zelfs ten koste van anderen.

Meer over