De metafysische ingenieur en andere gedichten 1923-1935

'O wat een ellende dat men wil dat je gezellig bent!'

Zeven jaar zou het gaan duren, dacht schrijver-vertaler August Willemsen in 2000. Acht misschien. Daarmee voorspelde hij precies hoeveel tijd hem gegeven zou zijn om het omvangrijke oeuvre te vertalen van de Portugees Fernando Pessoa (1888-1935), die dichter die zich uitsmeerde over 25 'heteroniemen'. Zij bleken alle niet bij machte om Pessoa's wanhoop te bezweren. Maar aan de pogingen daartoe danken we een van de schitterendste oeuvres uit de wereldliteratuur. Het was Willemsen die dit werk voor Nederland bereikbaar maakte.

In november 2007 stierf de vertaler. Niet al het werk van de heteroniemen van Pessoa had hij vertaald. Maar wel de oeuvres van de belangrijkste schijngestalten: Alberto Caeiro, de naïeve landman, Ricardo Reis, de stoïcijnse arts en op de valreep ook nog dat van de scheepsbouwkundige Álvaro de Campos. Gelukkig voorzag hij het van een nawoord, een uitstekende leeswijzer.

Campos neemt de meeste bladzijden in beslag van alle heteroniemen. Hij was de meest breedsprakige. En de meest modieuze. Een dandy - zijn schepper verdacht hem van voorkeur voor de herenliefde - die dweepte met de mode van zijn tijd, het futurisme, het verheerlijken van de machines die het stuntelige mensenwerk spoedig zouden overnemen. Het eerste vertaalde deel van Campos' werk verscheen in 2006. In dit tweede deel, dat de periode 1923-1935 beslaat, is zijn enthousiasme voor techniek en dynamiek verdwenen. 'Hier horen we zijn eigen stem', schrijft Willemsen.

Na de zelfmoord van zijn beste vriend Mário de Sá-Carneiro en zijn geliefde moeder, gaf Pessoa zijn getourmenteerdheid ruim baan in Campos, die hij eerder een hystericus had genoemd. 'De zielepoot', schampert de ik over zichzelf, 'zo weggezakt in de fauteuil van zijn melancholie!'. Hij mijmert over zijn kinderjaren - 'mijn verleden-mouwschort!'- , koestert zijn bohémienschap - 'Wilde u mij getrouwd, nietszeggend, alledaags, belastingplichtig?'-, verwijlt even bij eerder levens - 'Hoevele Caesars ben ik geweest'-, oefent in onthechtheid - 'Niets hecht mij aan niets' - en hunkert ten slotte naar troost: 'O, wees moederlijk!/ O, wees zacht van stem en zwijgzaam.'

Maar wie hem te dicht nadert, wordt afgesnauwd: 'Pak mij niet bij de arm! (...) O wat een ellende dat men wil dat je gezellig bent!'

In Campos' laatste levensjaren, die ook Pessoa's laatste zijn, is de scheepsbouwkundige, inmiddels pensionado in Estoril, gepreoccupeerd door één vraag: Wie ben ik? Het is de vraag die Pessoa's hele oeuvre dooradert: 'Ik ben niets./ Ik zal nooit iets zijn./ Ik kan ook niets iets willen zijn./ Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.' Zo begint Pessoa's beroemdste, mysterieuze Campos-gedicht, 'Sigarenwinkel'.

De tweede obsessie is het verlangen naar de dood, naar dat paradijs waar hij vandaan komt, het speelgoedland dat hem bij zijn geboorte werd afgepakt. Maar wat nu als dat paradijs een luchtspiegeling blijkt? Ook die vraag hangt als een donkere schaduw over het gehele werk, ook als hij niet wordt gesteld. De domme, wijze Caeiro dacht niet na over de dood, hij zou wel zien. De fiere Reis vreesde dat, als eenmaal 'het Gordijn' zou scheuren, zich daarachter Niets zou bevinden, maar verbeet zijn angst. Pessoa en Campos, neurasthenici onder elkaar, konden dat niet.

Toch pakt Campos in 1935 dapper zijn koffers, om scheep te gaan naar 'de Waarheid'. Hij voelt zich niet lekker. Met groot gemak schuift hij van de banale werkelijkheid naar metafysica: 'Ik zal me niet goed voelen tenzij ik op bed ga liggen./ Ik heb me nooit goed gevoeld tenzij ik op het universum ging liggen.' In Campos' laatste gedateerde gedicht, dat Pessoa negen maanden voor zijn dood schreef, is hij het zoeken beu: 'naar de kloten met wat ik wil weten.' Toch noemde hij het voor de zekerheid 'Thuiskomst'. In de maanden voor zijn dood vertoefde Willemsen met deze jammerende dichter, die zwalkte tussen doodsangst en doodsverlangen.

Meer over