De meester van de schaduw

De prins der schilders hunkerde naar vrede

'Ik beschouw heel de wereld als mijn vaderland', schreef Peter (of Pieter) Paul Rubens begin januari 1625 aan zijn Franse vriend Palamède de Fabri de Valavez, 'ik geloof ook dat ik overal zeer welkom zou zijn.' Il Fiammingo, zoals de schilder werd genoemd, was ontegenzeglijk een knappe man, voor wie vele deuren opengingen, ook aan het hof: lang voor die tijd, met krullend, licht terugwijkend, bruin haar, een keurig geknipte snor en baard en een doordringende blik. Hij beschikte over een ontspannen, slim soort charme, een eigenschap die de Italianen kennen als sprezzatura, en bezat de natuurlijke aanleg van een diplomaat. De schilder sprak vloeiend Nederlands, Frans, Duits, Italiaans, Latijn en Spaans, hij was een 'heer van stand', een voorkomend en ook intelligent man.


In De meester van de schaduw onthult de Amerikaanse journalist Mark Lamster (1969), die voor onder andere The New York Times schrijft, het verborgen diplomatenleven van 'de prins der schilders'. Het boek, jammer genoeg geschreven in de al te vlotte stijl van een spannende historische roman, is een politieke biografie. Lamster schetst met verve hoe Rubens in het geheim vrede trachtte te stichten in het Europa van de aanslepende Tachtigjarige Oorlog en de Dertigjarige Oorlog. Dat hij als geheim agent optrad, zagen we ooit in de film Rubens, schilder en diplomaat (1977) van Roland Verhavert, waarvoor Hugo Claus het scenario schreef. Het boek van Lamster is geen echte onthulling, er is eerder over geschreven, zij het niet zo uitdrukkelijk; het is vooral een relaas van Rubens' politieke visies en zijn vurige verlangen naar vrede.


Het schilderen was een ideale dekmantel voor zijn werk achter de schermen van de macht. Vanwege zijn artistieke werk kon Rubens zich aan elk buitenlands hof vertonen. Zeker tien jaar lang reisde hij, vaak onder valse voorwendselen, van de ene naar de andere hoofdstad om daar te onderhandelen met de staatslieden en vorsten die tevens zijn klanten waren. Als een volleerd diplomaat zocht hij discreet naar mogelijke kansen op een sluitend vredesverdrag.


Dat deed hij, zegt Lamster, vooral uit patriottisme. Omdat zijn vaderland in staat van oorlog verkeerde, zag Rubens zich gedwongen om zijn opdrachtgevers politieke diensten te verlenen. Vanaf het midden van de zestiende eeuw woedde in de zeventien provinciën van de Nederlanden een soms hevig oplaaiende burgeroorlog tussen de separatistische, grotendeels protestantse noordelijke provincies die onafhankelijkheid van Spanje eisten en de meest katholieke zuidelijke provincies die overwegend trouw bleven aan Madrid.


Antwerpen was een verdeelde stad. Toen Rubens uit zijn geliefde Italië terugkeerde, trof hij er een stad aan 'bewoond door geesten'. Al sinds zijn kinderjaren werd het ooit zo welvarende Antwerpen, waar de inwoners zich trots 'sinjoren' noemden, door rampspoed geteisterd. In enkele jaren tijd daalde het inwonertal, dat vroeger door slechts een handvol andere steden werd geëvenaard, van meer dan honderdduizend naar minder dan de helft. De meeste mensen trokken naar het noorden, naar de zeven provincies die enkele jaren later de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zouden vormen.


Rubens was ambitieus. Hij besefte, schrijft Lamster, 'hoe commerciële, religieuze en politieke krachten inwerken op de wankele stabiliteit van de internationale gemeenschap'. Dit was de visie die hem tot de politiek bracht. 'Ik voor mij zou willen dat iedereen in vrede leefde', staat in een van zijn vele brieven, 'dan zouden wij in plaats van een ijzeren een gouden eeuw beleven.' In zijn kunst en met zijn werk als diplomaat hunkerde hij naar vrede en gaf hij die droom kleur, ook al zou hij hem nooit helemaal verwezenlijkt zien.


In zijn brieven, waaruit Lamster veelvuldig citeert, toonde Rubens zich als een spion. Met een cijfercode verhulde hij de identiteit van de personen en de plekken waar hij het over had, de

'Rubenscode' die volgens onderzoekers zo doorzichtig was 'dat die eerder bedoeld leek om de neurotische geest van Jan Brant (een van zijn opdrachtgevers - red.) te kalmeren dan om staatsgeheimen te beschermen'. Dankzij die correspondentie, die in 2006 voor het eerst in het Nederlands verscheen, groeide bij historici de belangstelling voor het diplomatieke verkeer tussen de schilder en de Europese vorstenhuizen.


Rubens was een kosmopoliet, hij was vaak op reis. In Het land van Rubens zegt Conrad Busken Huet overtuigd te zijn dat de schilder het saaie Antwerpen en het kleingeestige Brussel 'in zijn binnenste honderd malen verwenscht heeft'. Brabant of Vlaanderen was 'geen voegzaam vaderland' voor een genie als het zijne. Rubens' huiselijk leven was eentonig. Hij vond het vreselijk 'te moeten dansen naar het pijpen van prelaten zonder verstand, edellieden zonder opvoeding, burgemeesters vol bier en wansmaak'.


Meermalen heeft de kunstenaar zichzelf geschilderd als een zwierige en elegante hoveling, die met prinsen en hertogen correspondeerde, en buitenlandse gasten ontving in zijn stadspaleis. Al in Italië, waar hij als schilder op de loonlijst stond van de hertog van Mantua, volbracht hij voor zijn opdrachtgever volwaardige diplomatieke missies. Hij raakte in de gunst bij de Spaanse koning. In 1609, na zijn terugkeer uit Italië, werd Rubens hofschilder van landvoogd Albrecht en landvoogdes Isabella.


Toen het Twaalfjarige Bestand ten einde liep en de vijandelijkheden tussen Spanje en Holland werden hervat, werd de schilder geheim agent en trad het jaar daarop officieel toe tot de diplomatieke dienst. Hij trok door Holland en voerde geheime besprekingen over vrede met Engeland, hij reisde naar Madrid en Londen om een Engels-Spaans bondgenootschap te bewerkstelligen. Rubens werd zowel aan het Spaanse als het Engelse hof, na de ondertekening van dat verdrag, in de adelstand verheven.


Maar zijn uiteindelijke doel, een verzoening tussen Spanje en de Hollandse provinciën en daarmee het stichten van vrede in de Lage Landen zou Rubens nooit bereiken. Hij stierf in 1640, acht jaar voor de ondertekening van de Vrede van Westfalen die het einde betekende van de Tachtigjarige en de Dertigjarige Oorlog.


Het is een trieste vorm van ironie, besluit Lamster in de epiloog, dat Rubens' vaderland opnieuw een verdeeld land is. 'Chauvinistische stemmen in Vlaanderen en Wallonië dreigen een fragiele federale eenheid te ondergraven die wordt bijeengehouden door een gematigde coalitie die steeds meer onder druk staat.' Het internationalisme van Rubens, zegt de schrijver, kan inspirerend zijn voor iedereen in België die zich bekommert om de vrede en de stabiliteit.


Meer over