Boekrecensie

De meedogenloze radicalisering van een zeventienjarige rukker ★★★★☆

null Beeld Martyn F. Overweel
Beeld Martyn F. Overweel

De Japanse grootmeester Kenzaburo Oë (86) heeft eindelijk toestemming gegeven voor de herpublicatie van zijn controversiële roman Seventeen uit 1961.

De eerste bladzijden van Seventeen, een vroege roman van de Japanse literaire grootmeester Kenzaburo Oë, vergeet je nooit meer. We maken kennis met een naamloze 17-jarige hoofdpersoon die een adoratie voor zijn eigen penis koestert. Althans, zolang deze in stijve toestand verkeert. Dan is hij ‘krachtig en mooi als een raket’. De jongen rukt er op los, kan aan niets anders denken dan masturbatie. Maar komt hij klaar, dan verdwijnt het gelukzalige gevoel als sneeuw voor de zon. Zijn voorhuid verschrompelt tot een ‘gerimpelde, blauwzwarte rups’. De jongen is dan weer gewoon een onzekere, droevige ‘Seventeen’, die de blikken van anderen voortdurend op zich gericht voelt en vreest dat men doorziet hoe weinig hij voorstelt.

Als de tiener op een dag in zijn broek plast bij een hardloopwedstrijd en vervolgens hard door zijn klasgenoten wordt uitgelachen, besluit hij dat het genoeg is. Als de wereld niet goed voor hem is, zal hij ook niet goed voor de wereld zijn. Hij hult zich in een pantser van vijandigheid – en doet daarmee sterk denken aan Ewout Meyster, de angstige en obsessieve hoofdpersoon uit de romancyclus van Wessel te Gussinklo. Een vriend brengt hem in aanraking met een extreemrechtse Japanse club, de ‘Partij van het Keizerlijke Pad’. De jongen voelt zich er direct thuis. Hij gaat op in het geheel. Vergeet zijn onzekerheden, krijgt het gevoel ertoe te doen. ‘Plotseling word ik door vreugde bevangen. Ik krijg er rillingen van. Ik heb mijn ware aard ontdekt. Ik ben Rechts!’

De publicatie van Seventeen, oorspronkelijk in twee delen in 1961 verschenen in een literair tijdschrift, bracht een schok teweeg in Japan. Dag en nacht stonden trucks met woedende fascisten voor de deur van de op dat moment 25-jarige Kenzaburo Oë. Doodsbedreigingen klonken door megafoons. De situatie werd zo gevaarlijk dat Oë en zijn uitgever besloten diep door het stof te gaan. Hoewel het eerste deel van het werk al in boekvorm was verschenen, zagen ze af van de publicatie van het tweede deel. Decennialang hield Oë elk verzoek om het boek alsnog te publiceren tegen.

Nobelprijs

Maar drie jaar geleden gaf Oë toe. Hij had geen bezwaar meer tegen publicatie. Misschien, zo schrijft vertaler Luk van Haute in een lezenswaardig nawoord, vond de Japanner dat hij op zijn leeftijd weinig meer te vrezen had. Oë, die in 1994 de Nobelprijs voor de Literatuur is toegekend, is inmiddels 86 jaar oud. Ook zou er volgens Van Haute een andere overweging kunnen hebben meegespeeld: onder het bewind van de conservatieve premier Shenzo Abe (2012-2020) nam het nationalisme de afgelopen jaren weer met sneltreinvaart toe in Japan. Bovendien is er een stevige extreemrechtse online-cultuur ontstaan van hoofdzakelijk mannen die alleen maar thuiszitten en elkaar met xenofobe teksten opstoken (de zogeheten netto-uyoku). Oës relaas over een geïsoleerde, radicaliserende jongen heeft in die zin alleen maar aan actualiteit gewonnen.

Even terug naar de ontstaansgeschiedenis van de roman, want die is interessant. Op 12 oktober 1960 stak een 17-jarige jongen de voorzitter van de Japanse Socialistische Partij dood. De aanslag vond plaats voor het oog van de nationale pers, tijdens een speech in aanloop naar de verkiezingen. Drie weken later hing de tiener zichzelf op in de gevangenis. Oë schreef Seventeen in de direct daarop volgende maanden. Het boek, volledig geschreven vanuit het perspectief van de jongen, is in feite een poging om te begrijpen hoe iemand in korte tijd zo kan ontsporen.

Seventeen is geen perfecte roman. Afgezien van de hoofdpersoon krijgen de andere personages nauwelijks reliëf. Maar de urgentie laat zich op elke pagina voelen. Op indringende wijze beschrijft Oë hoe de tiener zijn greep op de realiteit langzaamaan verliest. Overal ziet hij een complot van de ‘communisten’. Samen met zijn fascistische vrienden verstoort hij een vredesbijeenkomst in Hiroshima ter herdenking van de atoombom. ‘Mijn werkelijkheid trekt zich terug en mijn film begint’, denkt hij, waarna hij erop los begint te slaan met een knuppel.

Schaamte

Interessant aan het boek is dat Oë, een links geëngageerd schrijver, geen moreel standpunt inneemt ten opzichte van de hoofdpersoon. Hij lijkt de radicalisering eerder oprecht te willen begrijpen vanuit een existentialistisch perspectief (Oë studeerde af op het gedachtengoed van Sartre). Aanvankelijk is de tiener volledig gevangen door zijn schaamte. Hij denkt dat hij niets anders is dan een rukker, en dat zijn klasgenootjes deze ware aard doorzien. De hel, zei Sartre al, dat zijn de anderen. De extreemrechtse partij biedt hem een uitweg: de jongen krijgt de kans zich een andere identiteit toe te eigenen. Hij is geen sukkel, maar een uitverkoren zoon, een ‘held’. Zelfs na zijn vreselijke daad kan hij zijn geluk niet op. ‘Ik heb het op eigen houtje gedaan.’

Ook in de inktzwarte novelle Homo sexualis, twee jaar na Seventeen geschreven en tevens opgenomen in deze uitgave, maakt iemand een extreme transformatie door. Hoofdpersoon ‘J’ schaamt zich dermate voor zijn homoseksualiteit dat hij uiteindelijk geen andere keuze ziet dan zichzelf een heel andere identiteit aan te meten: die van een perverseling die vrouwen in volle metro’s betast (al decennialang een structureel probleem in Japan). Ook hier weigert Oë een standpunt in te nemen. Veel meer lijkt hij geïnteresseerd in de dynamiek tussen een onderdrukkende maatschappij en een getroebleerd individu, en de keuzes die daaruit voortkomen.

Het resultaat is een moreel problematische roman, waarin de lezer geen enkele geruststelling wordt geboden, maar die net als Seventeen een verpletterende indruk achterlaat.

null Beeld Meulenhoff
Beeld Meulenhoff

Kenzaburo Oë: Seventeen & Homo Sexualis. Uit het Japans vertaald door Luk van Haute. Meulenhoff; 239 pagina’s; € 24,99.

Meer over