De lachspiegel der hebzucht

De geschiedenis van de financiële markten is doorspekt met catastrofes, hausses bleken nooit eeuwigdurend. Tegelijk zijn financiële innovaties de motor achter vrijwel alle grote historische ontwikkelingen, betoogt de Brit Niall Ferguson....

Peter Giesen

In november 2006 hield een groep prominente beleggers een congres met de zelfverzekerde naam The Evolution of Excellence. De meeste aanwezigen geloofden in de ‘dood van de grilligheid’: de financiële markten waren nu zo efficiënt georganiseerd dat de risico’s perfect waren gespreid en afgedekt. De ambiance paste bij een sector die zo tevreden was over zichzelf, het luxe resort Lyford Cay op de Bahama’s.

De Britse historicus Niall Ferguson was gevraagd een praatje te houden. Hij probeerde het feestje te verpesten door te wijzen op de risico’s in het systeem, dezelfde risico’s die uiteindelijk tot de kredietcrisis zouden leiden. Zijn gehoor was allerminst onder de indruk. De waarschuwing van Ferguson werd afgedaan als bangmakerij. ‘Een van de meest ervaren beleggers op het congres ging zo ver om de organisatie te vragen volgend jaar geen sprekers meer van buiten uit te nodigen, en in plaats daarvan de film Mary Poppins te laten zien’, schrijft Ferguson in zijn nieuwe boek The Ascent of Money – a Financial History of the World.

Het boek is een waarschuwing tegen de kortzichtige beleggers, roekeloze investeerders en gewetenloze schurken die de financiële markten zo vaak naar hun hand hebben gezet. Tegelijkertijd is het een hartstochtelijke verdediging van de financiële wereld. Door de geschiedenis heen is de financiële sector vaak gezien als een parasiet van de ‘echte’ economie, waar spullen worden gemaakt of gewassen verbouwd. De werkelijkheid is omgekeerd, aldus Ferguson. Banken, beurzen en beleggingsfondsen hebben juist de groei van de ‘echte’ economie mogelijk gemaakt. De uitvinding van het krediet was even belangrijk als de uitvinding van het wiel of de microchip. Zonder aandelen en beurzen is het vrijwel onmogelijk om een onderneming van enige omvang op te zetten. Als er geen financiële sector zou zijn, zouden de meesten van ons nog altijd als keuterboertjes het land bewerken, zichzelf afbeulend voor een opbrengst die nauwelijks genoeg zou zijn om een gezin te voeden.

Het zicht op deze simpele waarheid wordt ons vaak ontnomen door de telkens terugkerende crises en schandalen op de financiële markten. Sinds 1870 zijn er mondiaal maar liefst 148 crises geweest waarbij het bruto binnenlands product van een land meer dan 10 procent daalde. In zo’n crisis worden de voordelen van het financiële systeem maar al te snel vergeten, aldus Ferguson. In werkelijkheid is geld de wortel van bijna alle vooruitgang.

Niall Ferguson (1964) komt uit Glasgow. In zijn jonge jaren gold hij als een ‘Thatcheristisch’ historicus, een geuzennaam in Britse historische kringen, waar de toon veelal werd gezet door linkse kanonnen als Eric Hobsbawm. Tegenwoordig doceert hij, zoals zo veel Europese academische supersterren, aan de Harvard universiteit in de Verenigde Staten. Ferguson is vooral bekend van zijn grote overzichtswerken, zoals The War of the World over de bloedige 20ste eeuw. Van huis uit is Ferguson financieel-economisch historicus. Hij schreef onder meer boeken over het bankiersgeslacht Rothschild, over de Duitse hyperinflatie van de jaren twintig en over de rol van geld in de moderne wereld.

In The Ascent of Money komen beide lijnen op magistrale wijze bij elkaar. Ferguson is een meester van de compositie. Trefzeker wisselt hij anekdote en analyse af, waardoor hij een bijna perfect evenwicht tussen diepgang en leesbaarheid weet te bereiken. Bovendien is hij nooit te bang om de relevantie van de geschiedenis voor het heden aan te geven. Van The Ascent of Money is ook een tv-serie gemaakt.

In The War of the World liet Ferguson dat hij de overbekende catastrofes van de 20ste eeuw van een verfrissende analyse kon voorzien. The Ascent of Money is nog iets beter, omdat het onderwerp origineler is. Achter vrijwel elke grote historische ontwikkeling schuilt een financiële innovatie, betoogt Ferguson. Napoleon werd niet alleen verslagen door Wellington, maar ook door de bankiersfamilie Rothschild die het geld voor de slag bij Waterloo op ongekend efficiënte manier bij elkaar wist te krijgen. De opkomst van de Verenigde Staten in de 20ste eeuw en de groei van het volkskapitalisme was onmogelijk geweest zonder vernieuwingen op het gebied van verzekeringen, hypotheken en consumentenkrediet.

Maar het mooiste voorbeeld is de Gouden Eeuw in Nederland. De handel met Indië was potentieel lucratief, maar veel te duur en riskant voor één investeerder. Het probleem werd opgelost door aandelen uit te geven die voor elke burger te koop waren. Daarmee werd de VOC de eerste naamloze vennootschap. De aandelen konden ook worden verhandeld, zodat in Amsterdam de eerste aandelenbeurs ontstond. Door zulke financiële innovaties kon de Republiek niet alleen een koloniaal rijk opbouwen, maar ook het veel grotere Spanje verslaan.

De Spanjaarden bleven vertrouwen op het ‘echte’ goud en zilver uit Zuid-Amerika. Helaas begrepen zij het principe van inflatie niet. Hoe meer edelmetaal zij aanvoerden, hoe minder de gouden en zilveren munten waard werden. In Amsterdam werd daarentegen waarde gecreëerd. De aandelen van de VOC werden steeds meer waard, omdat beleggers in toekomstige winsten geloofden.

Dat geeft meteen ook het risico van beleggen aan. De gouden bergen hóeven zich uiteraard niet te materialiseren. In 1720 brak in Parijs een volksopstand uit, omdat talloze Fransen hadden geïnvesteerd in Louisiana, dat hun werd voorgespiegeld als een nieuw Hof van Eden. In werkelijkheid was het gebied rond New Orleans een onleefbaar warm en vochtig moeras vol muggen, waar 80 procent van de kolonisten binnen een jaar stierf aan ziekten als de gele koorts.

De geschiedenis van de financiële markten is doorspekt met zulke episodes, van de 17de eeuwse tulpenbollenrage in Nederland tot de dotcom-idiotie in 2000. Telkens weer bieden zich nieuwe mogelijkheden aan om winst te maken. Op de beurs ontstaat euforie, waarop ook onervaren beleggers de kans op gemakkelijke winst niet willen laten liggen. Als de koersen torenhoog zijn, ontstaat de twijfel. De hebzucht slaat om in angst en alle beleggers stormen naar de uitgang.

De huidige kredietcrisis is opmerkelijk, omdat de speculatie zich deze keer richtte op een groep waar ogenschijnlijk niets te halen viel. Arme, veelal zwarte Amerikanen werd een ‘NINJA’-hypotheek aangesmeerd, een lening voor mensen met No Income, No Jobs or Assets. Het verkopen van hypotheken aan arme sloebers werd gesteund door de overheid, die het eigen woningbezit onder etnische minderheden wilde stimuleren. Ook zwarte leiders waren enthousiast. ‘Mensen die eigendom hebben, voelen zich ook eigenaar van hun toekomst en van hun samenleving’, stelde bijvoorbeeld de prominente Harvard-hoogleraar Henry Gates jr.

Voor rechtse commentatoren is de staat, gesteund door actiegroepen van zwarten en Latino’s, daarom de hoofdschuldige van de kredietcrisis. Uit Fergusons verhaal – geschreven in mei 2008, toen de echte crisis nog moest losbarsten – blijkt echter dat het leeuwendeel van de schuld ligt bij de financiële wereld, die onverantwoordelijk en soms gewetenloos te werk ging.

De arme buurten van steden als Detroit of Memphis werden gebombardeerd met reclame voor goedkope hypotheken, overspoeld met makelaars en tussenpersonen die zelfs de armste sloebers een schijnbaar aantrekkelijke deal voorspiegelden. Voor elke transactie streken zij een leuke commissie op, terwijl de risico’s razendsnel werden doorgeschoven.

Slechte hypotheken werden verpakt in bundels met goede hypotheken en vervolgens over de hele wereld doorverkocht. Zo investeerden Narvik en een aantal andere gemeenten rond de Noorse Poolcirkel zo’n 120 miljoen dollar in hypotheek-paketten. De bundels bevatten weliswaar de nodige rotzooi, stelden de verkopers, maar ook genoeg solide hypotheken om een mooie winst te maken. In werkelijkheid was het financiële alchemie, zegt Ferguson. Van lood werd goud gemaakt. Het was de bedoeling om risico’s mondiaal teverspreiden. In plaats daarvan werd de wereldeconomie vergiftigd, omdat niemand meer wist waar de risico’s zaten.

The Ascent of Money is een pedagogisch boek, stelt Ferguson zelf in zijn introductie. De hedendaagse samenleving doet een zwaar beroep op eigen verantwoordelijkheid, ook in financiële zaken. De meeste burgers weten echter niets van financiën. Een derde van de Amerikanen weet niet wat de rente op hun credit card is. Nog eens 30 procent gelooft dat de rente lager dan 10 procent is, terwijl bedrijven als Mastercard en Visa in werkelijkheid veel meer rekenen. Kennis van de geschiedenis draagt bij aan de financiële educatie. Wie bijvoorbeeld weet dat de destijds vooraanstaande econoom Irving Fisher op 16 oktober 1929 nog verkondigde dat de beurskoersen een ‘blijvend hoog niveau’ hadden bereikt, zal beseffen dat aan elke hausse onvermijdelijk een einde komt. Wie weet dat huizenprijzen ook kunnen dalen, zal voorzichtig zijn met het verhogen van zijn hypotheek om luxegoederen aan te schaffen. Zo kan historische kennis de hebzucht van de consument temperen.

Maar moet ook de hebzucht van de financiële wereld niet aan banden worden gelegd? In zijn wat onbevredigende nawoord toont Ferguson zich daar heel huiverig voor. Landen met een innovatieve financiële sector presteren gemiddeld veel beter. Ferguson vergelijkt de ontwikkeling van financiële markten met de evolutie. Slimme jongens bedenken voortdurend nieuwe constructies. Sommige zijn succesvol, andere mislukken. Af en toe wordt er iets bedacht waardoor bedrijven failliet gaan en de economie in een recessie belandt. Dit darwinistische proces hoort echter bij het kapitalisme, waar de meest aangepaste bedrijven voortbestaan en andere afsterven. Het is gevaarlijk als de staat deze ‘creatieve destructie’ verstoort, aldus Ferguson.

In zeer algemene termen heeft Ferguson natuurlijk gelijk. Er is geen alternatief voor de financiële markten, en wie financiële innovatie verstikt, gooit het kind met het badwater weg. Maar wie Fergusons schurkenparade doorleest, verlangt toch naar een scherper toezicht, hoe moeilijk dat in de praktijk ook zal zijn.

Volgens Ferguson moeten we de financiële sector accepteren, met zijn goede én slechte kanten. ‘De financiële markten vormen een spiegel van de mens. We kunnen de spiegel niet de schuld geven dat zij onze lelijke kanten net zo duidelijk weergeeft als onze mooie’, concludeert Ferguson. Dat is een wel erg neutrale karakteristiek van de financiële wereld. Hij constateert zelf dat de sector de laatste decennia wel erg groot en machtig is geworden, omdat de opbrengst van kapitaal sterker is gestegen dan de opbrengst van arbeid. Veel werknemers hebben gezien dat hun arbeidsplaats handelswaar is geworden, bij opbod verkocht door hedgefondsen, durfkapitalisten of andere investeerders die slechts in korte termijnwinst geïnteresseerd zijn. Het gevoel een speelbal te zijn in een darwinistisch dobbelspel is mede oorzaak van de angst voor de toekomst, die de sfeer in de westerse landen de afgelopen jaren zo kenmerkte.

Hebzucht is een menselijk trekje, maar het verlangen naar stabiliteit en voorspelbaarheid ook. Als financiële markten volledig de vrije teugel krijgen, vormen zij geen spiegel, maar een lachspiegel die onze meest hebzuchtige trekjes tot in het oneindige versterkt. Het falen van de financiële markten in de kredietcrisis biedt de samenleving een kans om het beeld weer in evenwicht te brengen.

Meer over