De laatste roddels aan de mahjongtafel

Onder het motto Van twee werelden presenteren de Volkskrant en Meulenhoff een serie van tien romans over het begin van een nieuw leven in een nieuwe omgeving....

Hans Bouman

Met haar boek De vreugde- en gelukclub (The Joy Luck Club) zette Amy Tan in 1989 in één klap de zogeheten ‘Amerasian Literature’ op de kaart. Niet dat ze de enige of eerste was die uiting gaf aan de identiteitscrises en de gevoelens van verscheurdheid die veel in de Verenigde Staten opgegroeide kinderen van Aziatische immigranten ervoeren.

Dertien jaar eerder had Maxine Hong Kingston al het thematisch verwante The Woman Warrior gepubliceerd, en ook auteurs als Frank Chin, David Wong Louie en Cynthia Kadohata waren rond het debuut van Tan al literair actief. Ook in hun werk speelde de Amerikaans-Aziatische ervaring een rol van betekenis. Maar op Maxine Hong Kingston na waren deze auteurs vrijwel onopgemerkt gebleven.

De vreugde- en gelukclub vormde de doorbraak van Tan naar het brede lezerspubliek. Het boek was niet alleen een bestseller die overal ter wereld in vertaling verscheen, het werd ook met veel succes verfilmd. Vrijwel van meet af aan is De vreugde- en gelukclub in Amerikaans-Aziatische kringen zeer omstreden geweest.

Tan werd ervan beticht het stereotiepe beeld van de Aziaat te bevestigen, en in te spelen op de behoefte van een blank middenklassepubliek aan exotische verhalen, gekke gewoonten, kleurrijke tradities. De schrijfster werd in eigen kring van ‘verraad’ beschuldigd, iemand die haar achtergrond in de uitverkoop deed. Vooral Tans collega Frank Chan had geen goed woord voor het boek over.

Tegelijk werd het succes van De vreugde- en gelukclub door verschillende jonge Amerasian collega-auteurs toegejuicht. Zij zagen de plotselinge belangstelling voor hun culturele achtergrond als een stimulans, en menigeen constateerde dat hij ineens veel gemakkelijker dan ooit een uitgever voor zijn werk kon vinden.

De vreugde- en gelukclub was ontstaan tijdens een cursus creative writing die Tan volgde in haar woonplaats San Francisco. Aanvankelijk bestond het boek uit een reeks vertellingen waarin haar moeder en een aantal Chinese vriendinnen, ‘tantes’, een centrale rol speelden. Op advies van haar docente groepeerde Tan de verhalen rond de wekelijkse mahjongavonden die de vrouwen organiseerden, waarop ze de laatste roddels uitwisselden, de opvoeding van hun dochters bediscussieerden en terugblikten op het verleden. Het structurerende principe van de mahjongtafel gaf de verhalen eenheid, zodat er gesproken kon worden van een roman.

Tan was overigens niet de enige die althans door een deel van haar peer group als verraadster werd beschouwd. Integendeel. Het is een bijna klassiek te noemen ervaring die auteurs als V.S. Naipaul, Salman Rushdie, Pearl Abraham en Hanif Kureishi, om er maar een paar te noemen, alleszins vertrouwd is.

Een dergelijk oordeel is vrijwel altijd politiek en niet literair van aard. Nu kan De vreugde- en gelukclub geen literair meesterwerk worden genoemd, maar Tan is er wel in geslaagd in dit boek op een aanstekelijke en bekwame wijze twee generaties Chinese immigranten te portretteren. Daarbij diept ze niet alleen de tegenstellingen uit tussen de in relatief isolement levende oudere generatie met haar oosterse plattelandsmentaliteit en de in Amerika geboren generatie die die traditie als een last ervaart, maar behandelt ze ook grondig de aloude, min of meer ‘cultuur-onafhankelijke’ scheidslijn tussen moeders en dochters, ouders en kinderen.

Hans Bouman

Meer over