De laatste driehonderd meter

Als het spannend wordt in Uruzgan nemen soldaten liever geen fotograaf mee. Zelfs niet de eigen defensiefotograaf. Soms maken militairen privékiekjes, al is dat officieel verboden....

‘Het was wel leuk’, zegt de Amerikaanse fotograaf Tyler Hicks na terugkeer van een vuurgevecht in Uruzgan. De fotojournalist van The New York Times belandde samen met zijn schrijvende collega in een hinderlaag. Daarbij raakten twee Afghaanse militairen en een Nederlandse soldaat gewond.

De journalisten liepen mee met een patrouille, die op een kale akker aan de rand van een dorp, van drie kanten onder vuur werd genomen. Zij zochten dekking achter een muurtje, totdat de kogels ook aan hun kant insloegen. ‘We zijn toen maar een rondje gaan rennen over dat veldje. Gelukkig kunnen ze hier niet mikken.’

Dat vuurgevecht leverde de eerste foto op van een gewonde Nederlandse soldaat in Uruzgan. Weliswaar lichtgewond, en ook nog eens door eigen vuur, maar de persofficier op Kamp Holland noemde het toch een doorbraak. Hij probeerde publicatie niet tegen te houden.

De totstandkoming van deze foto, onder meer afgedrukt op de voorpagina van de Volkskrant, typeert het werk aan het front. Van de Amerikaanse burgeroorlog tot en met de huidige operaties in Irak en in Afghanistan: de indrukwekkendste foto’s worden vaak gemaakt ‘in de punt’. Door fotografen die voorin meelopen – inclusief de laatste driehonderd meter, het bereik van de kalasjnikov – en die zich niet te veel aantrekken van voorschriften en onwaarschijnlijk veel mazzel hebben.

Hicks sprong achterin een pick-up van het Afghaanse leger, toen dat nog gewaagd was in Uruzgan. Zo sloot hij aan bij een traditie die begon met legerchirurg John MacCosh die tijdens de Tweede Birmaanse oorlog (1852) juist veroverde steden fotografeerde. Die traditie werd voortgezet door de Hongaar Robert Capa die in 1944 met de tweede aanvalsgolf op het strand van Normandië landde. Zijn befaamde motto: ‘Als je foto’s niet goed genoeg zijn, was je niet dichtbij genoeg.’

Dat vonden ook befaamde fotografen als Sean Flynn, Dana Stone en Tim Page die op Honda-motoren naar het front scheurden in Vietnam, of de Brit Don McCullin, die zich daar ingroef met mariniers. Zijn door een kogel doorboorde Nikon groeide uit tot een persrelikwie.

Het valt niet mee deze traditie voort te zetten in Uruzgan. Het eerste jaar wilde Nederland alleen defensiefotografen in het operatiegebied. Hun, vaak technisch goed gemaakte, foto’s werden verspreid via het persbureau ANP. Sergeant Sjoerd Hilckmann won er een derde plaats mee bij de Zilveren Camera. Zijn nominatie leidde tot discusie en tot een roep om meer onafhankelijke fotografen in het gebied.

En dus waren afgelopen jaar dertien externe fotografen te gast. Onder wie Raymond Rutting van de Volkskrant. Die vroeg voor de zekerheid voor zijn vertrek met een meerdaagse patrouille: ‘Kan ik alles fotograferen als er wat gebeurt?’ Het antwoord van de luitenant: ‘Zolang je je hoofd maar laag houdt.’

De officiële lijn van Defensie: foto’s die de operationele veiligheid in gevaar brengen worden tegengehouden, zoals foto’s van geraakte voertuigen. Ook foto’s van doodskisten zijn niet toegestaan, totdat de nabestaanden de kist met eigen ogen hebben gezien. Die restricties zijn licht, vergeleken met eerdere conflicten of met die van andere landen.

Dus rijst de vraag: waarom heeft deze missie na tweeënhalf jaar zo weinig indringende foto’s opgeleverd? Ondanks 700 vuurgevechten en honderden doden en gewonden. Vooral aan Afghaanse zijde.

In de eerste plaats is het werk gevaarlijker geworden, erkennen ook oude rotten als Don McCullin en Tim Page. Moslimextremisten mikken juist op buitenlanders aan het front, en niet eerder was de kans onthoofd of ontvoerd te worden zo groot. Het was al onverstandig om op je Honda naar het front te rijden. Maar nu helemaal.

Fotografen zijn ook niet meer jarenlang ter plekke, zoals in Vietnam gebeurde. De gastvrijheid van het Nederlandse leger duurt meestal twee weken. Trek daar de reistijd vanaf en een fotograaf kan hooguit mee met twee patrouilles. Dan moet er maar net wat interessants gebeuren.

En als het écht spannend wordt, is de kans klein dat de fotograaf mee mag. ‘Ben je gek, we gaan echt los daar!’, is een gebruikelijke reactie. Zelfs defensiefotografen klagen hierover. Een jonge luitenant die een gevaarlijk missie moet leiden, vindt vaak dat hij al genoeg kopzorgen heeft. Dat een persofficier aandringt, of de defensiefotograaf zijn geweer meeneemt, maakt dan niet veel uit.

‘Ik ben in mijn eerste maand één keer de poort uit geweest’, vertelde defensiefotograaf Dave onlangs. Hij mocht mee naar het nabijgelegen Tarin Kowt. De persofficier eiste dat hij eerst een half uur durend filmpje voor het thuisfront afmaakt. ‘Daar moeten vooral heel veel gezichten in.’ Daarna kon hij geregeld mee op patrouilles.

Dave stuurt zijn foto’s naar Den Haag en naar de Audiovisuele Dienst in Amsterdam. De Haagse voorlichters screenen de foto’s op actualiteitsgehalte en politieke gevoeligheden. Amsterdam eist onder meer dat afgebeelde militairen aan de tenuevoorschriften voldoen. ‘Ik moet soldaten dus eerst vragen of zij hun jasje aan willen doen’, zegt de fotograaf. ‘Ook al loopt niemand er hier zo bij.’

Het zijn tegenwoordig de soldaten zelf, zo lijkt het, die de meest besproken foto’s maken. De eerste doodskisten uit Irak, de mishandeling van Iraakse gevangenen in de Abu Ghraib-gevangenis, de eerste Talibanlijken in Uruzgan – allemaal gemaakt door militaire amateurfotografen.

Officieel mogen Nederlandse soldaten geen foto’s nemen buiten de poort. Maar het wordt gedoogd. Veel compagnieën verzamelen gemaakte kiekjes – vele honderden – en branden na afloop van de missie een herinnerings-cd. ‘Ik ga dat niet verbieden’, zegt een pelotonscommandant. ‘Dit is een belangrijk moment in ons leven. De mannen willen een tastbaar bewijs meenemen van wat ze hebben meegemaakt.’

Op dergelijke cd’s staan veel groepsfoto’s van stoer kijkende infanteristen, kiekjes van Afghaanse kinderen en van militaire colonnes door een woest landschap. Ook altijd goed: een auto met twee vrouwen in burka in de achterbak en een ezel op de achterbank. Of die geit op het dak met spanband om zijn middel.

Harde foto’s ontbreken. Maar wie ernaar vraagt, mag stiekem meekijken op laptops van infanteristen. ‘Kijk, dit zijn nou dode Talibanstrijders’, zegt een korporaal. Zonder spoortje triomfantelijkheid. Twee bebaarde mannen in Afghaanse kledij liggen half over elkaar heen bij een muurtje. ‘We hadden ze daar maar neergelegd.’ Een bloedig hoopje armen en benen.

Leerzaam is het kiekje van het lichaam van een Afghaanse zelfmoordenaar in de berm van IED-alley. Een beruchte route voor bermbommen en aanslagen. De man heeft een lange zwarte baard, een grimas op zijn gezicht, en geen onderlichaam. Een rode smurrie kleurt daar de aarde. Het gerucht dat zelfmoordenaars zich altijd eerst scheren en een wit gewaad aantrekken, blijkt niet waar.

Professionele fotografen die dergelijke beelden willen vangen, zullen gewoon vaak mee moeten met de soldaten. Ook over de riskantere routes en te voet door Talibanbolwerken. Inclusief de laatste driehonderd meter.

Zo belandde de New York Times-fotograaf Tyler Hicks ooit in een greppel buiten Kabul. Van alle vuurgevechten die hij heeft meegemaakt, was dat de ergste. ‘We lagen urenlang onder vuur en konden geen kant op’, vertelt hij. Een soldaat naast hem richtte zich even op, en werd geraakt in zijn borst. ‘Hij viel op mijn schoot en hoestte bloed bij elke ademhaling. Het duurde en uur voordat hij dood was.’ Van dat vuurgevecht, stelt Hicks, komt hij nooit meer los.

Nederland helpt met veertig andere landen de Afghaanse regering bij de ontwikkeling en het veiliger maken van Afghanistan. Sinds 2006 is Nederland verantwoordelijk voor Uruzgan, een van de armste provincies.

Meer over