De kracht van de Keltische cultuur

W AAROM RAAKTEN zo veel Britten buiten zichzelf van verdriet, toen Lady Di bij een auto-ongeluk in Parijs om het leven was gekomen?...

Dit zijn slechts enkele van de vele vragen waarop John King in zijn Kingdoms of the Celts een antwoord probeert te geven. De auteur heeft het zich niet gemakkelijk gemaakt.

King woont in de Verenigde Staten, waar hij hoofd is van een school voor moeilijk lerende kinderen in de staat Vermont, maar hij is geboren in het Britse Cornwall. Hij verloochent zijn herkomst niet. Hij spreekt niet alleen vloeiend Cornisch, de Keltische taal die zich tot op de dag van vandaag in delen van Cornwall heeft gehandhaafd, maar hij zingt het ook. Vol trots laat hij zijn lezers weten dat hij lid is van het genootschap van Cornische barden en dat hij zijn vrouw heeft ontmoet bij het jaarlijkse Feile Pan Cheiltach, een internationaal Keltisch festival van zang, dans en vrolijkheid.

In de loop der jaren heeft King zich verdiept in de geschiedenis van de Keltisch sprekende volken. Daarbij is hij steeds meer doordrongen geraakt van de kracht en de invloed van de Keltische cultuur. Het met aanstekelijk enthousiasme geschreven Kingdoms of the Celts getuigt daar evenzeer van als het in 1994 verschenen The Celtic Druids' Year.

King (nomen est omen) interesseert zich in het bijzonder voor het koningschap van de Kelten. Centraal in zijn boek staat de stelling dat de oude Kelten een speciaal vertrouwen stelden in hun koningen en, niet te vergeten, koninginnen. Ze geloofden dat deze vorsten en vorstinnen goddelijke machten personifieerden, waardoor vruchtbaarheid en voorspoed werden gebracht aan hun onderdanen.

Keltische koninkrijken waren in de Oudheid her en der te vinden, van Gallië in het westen van Europa tot aan Galatië in wat nu Turkije heet (de termen Kelten, Galliërs en Galaten zijn inwisselbaar). Maar, legt King uit, vooral de Keltische koninkrijken in Groot-Brittannië en Ierland hebben bewerkstelligd dat de normen en waarden die aan de basis liggen van het Keltische koningschap, gemeengoed zijn geworden in de westerse beschaving. In het bijzonder de middeleeuwse verhalen rond koning Arthur en zijn Ridders van de Tafelronde hebben hiertoe bijgedragen. Daaraan wordt in Kingdoms of the Celts dan ook veel aandacht besteed.

Voor King is de sprong van koning Arthur naar Lady Di niet moeilijk te maken. Het Keltisch ideaalbeeld van een monarch werd door wijlen Diana Spencer belichaamd, beweert hij, meer dan door haar echtgenoot, al had prins Charles dan enkele zinnen in het Welsh uit zijn hoofd geleerd in verband met zijn investituur tot prins van Wales. De kwaliteiten waarover Lady Di beschikte, doen King denken aan Camelot (het slot waar koning Arthur resideerde) en aan Avalon (het eiland waarheen Arthur zich na de slag van Camlan had laten overbrengen om er zijn wonden te laten behandelen door de fee Morgen).

Met deze onzin besluit King het verhalende gedeelte van zijn boek. Er volgt nog een appendix met een opsomming van de namen van de belangrijkste Schotse clans, 73 in getal, maar het verband hiervan met het voorafgaande wordt niet duidelijk gemaakt. Zo eindigt Kingdoms of the Celts uiterst onbevredigend.

Het boek was aardig begonnen. King zegt in de eerste hoofdstukken geen onverstandige dingen. Wetenschappelijke pretenties heeft hij niet, al ontbreekt het niet aan voetnoten (van het soort waaraan men onmiddellijk de amateur herkent). Hij begint met te vertellen wat er zoal bekend is over de taal van de vroege Kelten, hun woonplaatsen en hun religieuze gebruiken. Dat doet hij niet onverdienstelijk, in aanmerking genomen dat hij van professie geen keltoloog is.

Jammer alleen van de vele slordigheden en fouten. Die treden vooral aan het licht als King zich waagt aan het interpreteren van de geschriften van Griekse en Romeinse auteurs. Hij verwart bijvoorbeeld vader en zoon als hij spreekt over de laatste koning van Rome. Hij geeft een verkeerde datering van de slag bij Arausio (Orange). Hij meent dat Strabo een Alexandrijnse boekenwurm was, die waarschijnlijk nooit een stap buiten de deur van zijn bibliotheek heeft gezet, terwijl in werkelijkheid deze geograaf veelvuldig op reis ging.

Hij beweert dat bewezen kan worden dat de Griekse filosoof Pythagoras de Britse eilanden heeft bezocht en zijn denkbeelden daar heeft verbreid, maar hij noemt de bewijzen hiervoor niet (dat zou ook moeilijk gaan). Zo is er meer. De talloze spelfouten in eigennamen en niet-Engelse woorden zijn irritant en, helaas, tekenend voor het niveau van het boek. Eén keer (om een voorbeeld te geven) wordt een woord in het Grieks geciteerd: in dat ene woord zitten drie fouten.

Na de inleidende hoofdstukken volgen gedeelten over Keltische vorsten die zich op het gebied van oorlogvoering onderscheiden hebben. Vercingetorix bijvoorbeeld, het stamhoofd van de Arverni, die in 52 voor Christus het verzet in Gallië tegen Caesar bundelde. Aanvankelijk had hij succes, maar nadat zijn laatste toevluchtsoord, Alesia (Alise-Sainte-Reine), door een blokkade tot overgave was gedwongen, werd Vercingetorix zelf aan de Romeinen uitgeleverd. Naar Rome overgebracht is hij daar uiteindelijk in een gevangenis gewurgd.

Boudica ontbreekt uiteraard niet. Deze koningin van de stam der Iceni (in het huidige Norfolk) voerde oorlog tegen de Romeinen tijdens de regering van keizer Nero. Haar echtgenoot Prasutagus had in zijn testament Nero tot mede-erfgenaam gemaakt, in de hoop daardoor zijn rijk en zijn vrouw te vrijwaren tegen onrecht. Het kwam anders uit. Na Prasutagus' dood werd Boudica door Romeinse soldaten met zweepslagen toegetakeld. Haar beide dochters werden verkracht. In de opstand die volgde, wist Boudica steden als Camulodunum (Colchester) en Londinium (Londen) te veroveren en een bloedbad aan te richten onder de Romeinen. Maar ook hier trokken de Kelten uiteindelijk aan het kortste eind. Boudica pleegde zelfmoord met vergif.

King is op zijn best in dit soort hoofdstukken. Maar ze kunnen zijn Kingdoms of the Celts niet redden.

Meer over