InterviewsSlavernijexpositie

De komende grote expositie over slavernij in het Rijksmuseum draait om gewiste verhalen. Ze worden verteld door nazaten van bij slavernij betrokken families

Remy Bonjasky: ‘Op school had ik wel meer over Suriname willen horen, maar ik durfde mijn geschiedenisleraar er niet naar te vragen.’ Beeld Erik Smits
Remy Bonjasky: ‘Op school had ik wel meer over Suriname willen horen, maar ik durfde mijn geschiedenisleraar er niet naar te vragen.’Beeld Erik Smits

De Volkskrant sprak alvast vijf van de vertellers in het Rijksmuseum over de rol van slavernij in hun familiegeschiedenis en het belang van deze tentoonstelling.

De langverwachte tentoonstelling in het Rijkmuseum, Slavernij – tien waargebeurde verhalen, die 12 februari zou openen, laat door de verlengde lockdown nog langer op zich wachten. De nieuwe openingsdatum is nog onzeker. In elk geval wordt de expositie tot eind augustus verlengd.

Hoe groot de internationale belangstelling is voor de omvangrijke tentoonstelling, die het museum al sinds 2017 voorbereidt, bleek tijdens de online persconferentie begin december. Zeventig journalisten van over de hele wereld luisterden naar de toelichting van directeur Taco Dibbits, hoofd geschiedenis Valika Smeulders en senior conservator geschiedenis Eveline Sint Nicolaas. Dibbits vertelde over de ambitie van de tentoonstelling over dit gevoelige onderwerp: ‘We hopen dat mensen zich meer bewust worden van het verleden en dat ze elkaar daardoor beter gaan begrijpen en samen verder kunnen gaan.’

De geschiedenis van slavernij wordt in de tentoonstelling verteld aan de hand van tien persoonlijke verhalen. Verhalen van mensen die slaafgemaakt waren, die vochten tegen slavernij of die rijk zijn geworden dankzij slavernij. Niet alleen wordt de slavernij getoond die door Nederland werd opgelegd in Suriname, de Antillen en Brazilië, maar ook die in voormalige kolonies als Indonesië en Zuid-Afrika. Onderdeel van de tentoonstelling is een audiotour. Die is voor de verandering niet ingesproken door een stemacteur of museummedewerker: het Rijksmuseum zocht mensen die een band hebben met de geschiedenis van slavernij. Bij elk verhaal werd een geschikte ‘vertolker’ gevonden.

De Volkskrant sprak alvast met vijf audiotour-vertellers over de rol van slavernij in hun familiegeschiedenis en het belang van deze tentoonstelling.

Remy Bonjasky (45), voormalig wereldkampioen kickboksen en eigenaar van Bonjasky Academy waar hij nieuwe talenten traint.

‘Ik kwam op mijn vijfde naar Nederland uit Suriname. We woonden in Tilburg, Zwijndrecht en Lelystad, altijd in vrij witte wijken. Ik was niet trots op mijn huidskleur, had het gevoel dat ik door mijn kleur soms niet als volwaardig werd gezien. Het was nog net niet zo dat ik dacht: was ik maar wit. Dat veranderde toen ik in Amsterdam Zuidoost kwam wonen. Daar ging een wereld voor me open, er waren veel meer mensen zoals ik.

‘Mijn ouders gingen uit elkaar toen ik 10 was, ik bleef bij mijn moeder wonen. Zij was een bescheiden vrouw, deed eerder een stap naar achteren dan naar voren. Ze was analfabeet. Ze sprak niet over onze voorouders. Mijn vader wel. Die vertelde me dat onze achternaam ‘sterke man’ betekent, dat vond ik mooi klinken, al twijfelde ik of het waar was.

‘Op school had ik wel meer over Suriname willen horen. Het ging voor mijn gevoel alleen maar over de Eerste en Tweede Wereldoorlog of over Indonesië, maar ik durfde mijn geschiedenisleraar er niet naar te vragen. Het zelfvertrouwen dat ik nu heb, had ik toen niet.

‘Op mijn 25ste ging ik voor het eerst terug naar Suriname. Ik voelde me vervreemd. Vrienden die elk jaar teruggingen spraken de taal, kenden de straten en wijken – ik niet. Dat was gek, voor de sport reisde ik de hele wereld over en voelde me overal op mijn gemak, maar in het land van mijn ouders niet. Pas na een paar bezoeken begon ik me meer thuis te voelen.

Toen mijn moeder overleed, ik was 30, ben ik me meer gaan verdiepen in de geschiedenis van mijn voorouders. Ik wist dat we marrons waren, maar ik wist nooit precies wat het betekende. Als jongen van 14 vond ik het tegenover Surinaamse vrienden niet stoer om te zeggen dat we uit het binnenland van Suriname kwamen waar de marrons leven, ik was liever uit Paramaribo gekomen. Ik werd wel eens djoeka of bosneger genoemd, door andere Surinamers. Dat was niet iets om trots op te zijn, voor mijn gevoel.

‘Voor het tv-programma Verborgen verleden ben ik vorig jaar voor het eerst het binnenland in geweest, samen met mijn vrouw Renate. We kwamen in het marrondorp waar mijn moeder gewoond heeft en haar ouders, dat was super emotioneel, om haar eenvoudige houten huisje te zien.’

‘De naam Bonjasky komt van ‘bong a siking’, wat ‘beenderen aan het lichaam’ betekent of vrij vertaald: sterke man. Dus toch. De vader van mijn opa heette Poi Bonajasking, hij werd Da Ayee genoemd, man met de grote vuist. Prachtig.

‘Mijn voorouders zijn waarschijnlijk ontsnapt tijdens de opstand van 6 juli 1707 op de plantage Palmeneribo. Ik ben er nu juist trots op dat ik als marron afstam van mensen die weigerden om onderdrukt te worden.

Remy Bonjasky’s  stamboom.  Beeld Erik Smits
Remy Bonjasky’s stamboom.Beeld Erik Smits

‘Ik ben blij dat mijn kinderen in een andere tijd opgroeien, dat er nu zwarte poppen bestaan waar mijn dochter Skye van 4 mee kan spelen, dat er boekjes bestaan met kinderen met verschillende huidskleuren. Ik zie aan mijn zonen, Dean (11) en Cassius (17) dat ze meer zelfvertrouwen hebben dan ik op die leeftijd.

‘We zijn in 2019 met het gezin naar de tentoonstelling over Suriname geweest, in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Ik vind het belangrijk om mijn kinderen te laten zien hoe het eraan toe ging tijdens de slavernij.

‘Na zo’n bezoek voel ik me de hele dag ellendig. Het gevoel dat mensen zoveel kwaad kunnen doen, kruipt in me. Ik heb vrienden die veel bezig zijn met racisme, die elke film of documentaire over het onderwerp kijken, maar ik ben daar te gevoelig voor.

‘Als ik met emotionele zaken of pijn bezig wil zijn, wil ik zelf mijn moment kiezen. Ik heb dat ook met foto’s, ik heb zelfs geen foto van mijn moeder thuis aan de muur. Want dan kan ik zomaar overvallen worden door verdriet en dat wil ik niet.

‘Ik hoop dat een tentoonstelling als deze helpt om kennis te vergroten over het koloniale verleden. Met kennis voorkom je misverstanden en onbegrip. En ik hoop dat mensen meer met elkaar praten. Niet dat elk gesprek bij elke coffeecorner over slavernij of racisme moet gaan, en als iemand niet wil praten mag dat ook. Zolang iedereen maar weet waar we vandaan komen. Slavernij wordt vaak klein gemaakt, maar het heeft wel 400 jaar geduurd en Nederland is erop groot geworden.’

In de tentoonstelling geeft Bonjasky zijn stem aan Wally, een vermoorde slaafgemaakte op plantage Palmeneribo, een van de vele suikerplantages aan de Surinamerivier. Om opstanden en ontsnappingen te voorkomen, hielden plantagehouders showprocessen. Op 11 augustus 1707 werden enkele mannen, onder wie Wally, veroordeeld tot een ‘dood door langzame, levende verbranding’. Ze werden gemarteld met gloeiende nijptangen om hun lijden zo pijnlijk mogelijk te maken.

Gijs Stork Beeld Erik Smits
Gijs StorkBeeld Erik Smits

Gijs Stork (53) is kunsthistoricus en richt tentoonstellingen in.

‘Als kind en tiener kwam ik vaak en graag bij mijn grootmoeder. We deelden een interesse in geschiedenis. Mijn grootmoeder was gefascineerd door twee portretten in haar huis, van voorouders. Zij is op zoek gegaan naar hun levensverhaal. Ik was 17 toen ze daarmee begon en werd haar hulpje. Uiteindelijk heb ik haar tien jaar geholpen met haar onderzoek.

‘Via mijn moederskant kom ik uit een regentenfamilie, met burgemeesters van Amsterdam, oprichters van de VOC en andere hooggeplaatsten. Onze familiestamboom was vrij goed uitgezocht voor de 17de, 19de en 20ste eeuw, maar de 18de eeuw bleek een gat. Daar ben ik me in gaan verdiepen. Ik stuitte op in Suriname geboren familieleden, plantage-eigenaren, slavenhouders. Ik dacht meteen: ik moet naar Suriname om dit verder te onderzoeken.

‘Via via ontmoette ik slavernij-onderzoeker Nancy Jouwe en de oprichter van de Black Heritage Tours Jennifer Tosch, nazaat van Surinaamse slaafgemaakten. Ik stelde me voor als Gijs Stork, nazaat van slaveneigenaren. Na een kort moment van ongemak en riepen ze enthousiast: dat gaan we verder uitzoeken.

‘In Suriname heb ik de voormalige suikerplantage van mijn voorouders bezocht, het Vertrouwen in district Commewijne. Het maakte veel indruk om rond te lopen op die beladen, schuldige grond – ik weet niet zo goed welke woorden erbij horen. Het kwam binnen, ik realiseerde me dat het een plek was geweest waar mensen 300 jaar lang onder dwang in de bloedhitte hebben moeten werken.

‘De plantage is nu een overwoekerde plek met alleen nog resten van een steiger en bakstenen her en der. Een van die bakstenen heb ik meegenomen naar huis. De steen is waarschijnlijk in Nederland gebakken is, per schip naar Suriname naar gebracht, waar slaafgemaakten er huizen mee moesten bouwen. Dichterbij tot de geschiedenis kan ik niet komen.

‘Mijn voorouders keerden in 1750 terug naar Amsterdam. Ik ontdekte dat ze een slaafgemaakte vrouw meebrachten uit Suriname: Susanna Dumion (1713-1818). Zij heeft bij vier generaties van mijn familie gewoond en gewerkt, in Amsterdam en Haarlem. Er bestaat een tekening van haar omdat ze 100 is geworden. Als je in de 19de eeuw 100 werd, werd er een tekening van je gemaakt .

 Portret van Susanna Dumion (1713-1818) op 100-jarige leeftijd, door Jacob Ernst Marcus. Dumion werd door Storks voorouders als slaafgemaakte meegenomen naar Nederland. Beeld Collectie Teylers Museum
Portret van Susanna Dumion (1713-1818) op 100-jarige leeftijd, door Jacob Ernst Marcus. Dumion werd door Storks voorouders als slaafgemaakte meegenomen naar Nederland.Beeld Collectie Teylers Museum

‘Vorig jaar heb ik mijn ooms, tante en moeder bij elkaar geroepen en gezegd: dit is een van de verhalen in de familie en ik ga het verhaal aan, ik wil er open over zijn. Er is nooit over slavernij gesproken in onze familie. Deels omdat het niet erg bekend was, maar ook omdat er door de generaties voor mij niet over narigheid werd gesproken. De jongere generatie, van mijn nichten, neven en mijn dochters (van 25), staat er meer voor open.

‘Op het moment dat je naar voren stapt, haal je veel pijn weg. Het negeren is een van de grootste problemen. Zodra je het benoemt en toont, raak je in gesprek, dan is die ander geen vijand meer of geest. Er zijn veel boze en verdrietige mensen aan de kant van de nazaten van slaafgemaakten. Er heeft te lang niemand tegenover hen gestaan.

‘Ik heb de familie opgeroepen bij te dragen aan een plaquette voor Susanna Dumion. Ik vind dat haar naam en beeltenis op de gevel van de Herengracht 118 thuishoren, waar ze zo lang heeft gewoond. Ze heeft zelf geen kinderen, dus wij zijn haar nazaten. Dat neemt niet iedereen me in dank af. Sommige familieleden zeggen: ‘Slaaf? Ze was een huisvriendin!’

‘De oudere generatie is geneigd het element slavernij te ontkennen. Ze zeggen: het is zo lang geleden, zo ver weg. Ze zien Suriname of slavernij als een soort voetnootje in de geschiedenis. Daar ligt het probleem. Voor mij is het geen voetnoot, nazaat van slavenhouders is nu onderdeel van wie ik ben. Het werkt verbindend, op termijn, is mijn hoop. Pas als je meer weet, kun je afstand nemen, kun je het minder persoonlijk maken. Het is eng, maar ik doe het met overtuiging.’

In de tentoonstelling geeft Gijs Stork zijn stem aan Dirk van Hogendorp (1761 – 1822), een regentenzoon die voor de VOC in Nederlands-Indië werkte. Hij had moeite met het koloniale regime en slavernij. Uiteindelijk begon hij in Brazilië een plantage waar hij slaafgemaakten als vrije dagloners wilde laten werken. Dat ze niet dankbaar reageerden, vond hij onbegrijpelijk. In zijn kasboek noteert hij: ‘men moet hier absoluut Slaven hebben, om dat vryen al te slegt zijn, en alle ogenblik verhuizen of weglopen’.

Simba (links) en Susi Mosis. Beeld Erik Smits
Simba (links) en Susi Mosis.Beeld Erik Smits

Susi Mosis (38) werkt in de jeugdhulpverlening, Simba Mosis (38) werkt bij de gemeente Rotterdam.

Samen zetten Susi en Simba Mosis zich in voor de marroncultuur: marrons zijn inwoners van de binnenlanden van Suriname die afstammen van gevluchte tot slaafgemaakten. Ze organiseren activiteiten voor theaters en andere culturele instellingen over Marrons, bieden hulp bij inwijdingsrituelen, treden op als spreker en geven workshops.

‘Als het over Suriname, slavernij en de koloniale tijd gaat, is dat vaak in termen van onderdrukking en ellende. Voor marrons is dat anders, wij zijn ons ervan bewust dat er behalve leed ook succesvol verzet was en opstand tegen de slavenhouders.

‘Wij vinden het belangrijk om te laten zien dat er 103 jaar voor de afschaffing van de slavernij al een groep mensen was die vrij van slavernij leefden in het binnenland van Suriname. Op 10 oktober 1760 hebben de Aukaners een vredesverdrag getekend met de Sociëteit van Suriname. Daarin werd officieel vastgelegd dat ze vrije mensen waren en werd hun autonome gemeenschap erkend.

‘Onze ouders zijn al hun hele leven actief in de marrongemeenschap, in Suriname én Nederland. We woonden als kind in Paramaribo en niet het binnenland, maar zijn wel als Okanisi, zoals Aukaners zelf zeggen, opgegroeid en opgevoed. We hebben van jongs af aan de taal, dans en muziek meegekregen, en de rituelen die horen bij bepaalde levensgebeurtenissen, zoals geboorte, volwassen worden of overlijden. Veel familie woont wel nog in het binnenland.

‘Onze vader, André Mosis, is een verhalenverteller, muzikant en kunstenaar. Hij is veel met documentatie bezig geweest en heeft onze familiegeschiedenis van vaderskant op papier gezet. De familielijn van onze moeder kennen we alleen via mondelinge overlevering, daarvan zijn niet alle namen bekend. Onze ouders zeggen altijd: waar je ook naartoe gaat, waar je ook bent, blijf trots op waar je vandaan komt.

Een apintitrommel van de marons. Beeld Erik Smits
Een apintitrommel van de marons.Beeld Erik Smits

‘Wij zijn naar Nederland gekomen toen we een jaar of 7 waren. We gingen in Den Haag wonen. Thuis spraken we Aukaans en we waren actief in het marronverenigingsleven. We zijn beiden getrouwd volgens de marrontraditie en proberen onze kinderen (die van Susi zijn 6 en 9, die van Simba 6 en 8) de cultuur en taal van onze voorouders mee te geven. Het is onderdeel van wie ze zijn. Die van mij (Susi) horen ons thuis ook Aukaans spreken, want hun vader is ook marron. Die van mij (Simba) leren ook nog Bini, de taal van hun Nigeriaanse vader.

‘Als marron ben je onderdeel van een groter geheel, van een gemeenschap. De cultuur en tradities zijn afkomstig uit West-Afrika. In het sociaal leven ligt de focus op het collectief, niet op het individu. Zo worden kinderen in de gemeenschap van oudsher niet alleen door de biologische ouders opgevoed. Kinderen noemen elke vrouw m’ma (mama, red.) Daar is een mooie uitdrukking voor. ‘Ala mama na mama fu ala pikin, ala pikin na pikin fu ala mama’. Letterlijk vertaald: Elke moeder is een moeder van elk kind, elk kind is een kind van elke moeder.

‘De rol van de oermoeders in de marrongemeenschap is heel belangrijk, het zijn matriarchale gemeenschappen. De zes marronstammen hebben elk hun eigen oermoeder, die rijstkorrels meesmokkelden uit Afrika om hun volk te kunnen voeden. De rijstsoorten dragen hun namen en rijstkorrels spelen een belangrijke rol in allerlei rituelen. Ma Sapali – Ma is een vrouwelijke aanspreekvorm van eerbied – is de oermoeder van de Okanisi. Zij en de andere oermoeders komen voor in liedjes en verhalen over hun strijdbaarheid en vindingrijkheid.

‘De marrons moesten altijd op hun hoede zijn voor huurlingenlegers van het koloniale bestuur, die kostgronden en verblijfplaatsen vernietigden. De tactiek van de vrouwen was, net als tijdens de overtocht uit Afrika het bewaren van belangrijke zaden en cassavestengels in hun haren, om op een andere plek weer een nieuwe gemeenschap te kunnen stichten. Zij hebben gezorgd voor het voortbestaan van de groep.’

Op de tentoonstelling vertellen de zussen het verhaal van Sapali, een Afrikaanse vrouw die rijstzaden in haar gevlochten haren meesmokkelde uit West-Afrika toen ze door mensenhandelaren naar Suriname werd gebracht. Ze wordt gezien als een van de stammoeders/oermoeder van de Marrongroep de Ndyuka of Aukaners (naar de plantage Auka).

Joy Delima Beeld Erik Smits
Joy DelimaBeeld Erik Smits

Joy Delima (26) is actrice bij het Internationaal Theater Amsterdam. Vorig jaar speelde ze haar solovoorstelling Stamboom monologen, over identiteit en alledaags racisme.

‘Eigenlijk is onze naam Delmina, maar het is ooit verkeerd genoteerd in een gemeenteregister. In de audiotour vertel ik over João Mina, een Afrikaanse slaafgemaakte man. Mijn achternaam stamt net als de zijne af van Fort Elmina (aan de kust van het huidige Ghana en destijds het centrum van de slavenhandel, red.). João Mina is niet zijn echte naam, die is niet bekend. Eigenlijk is hij nog steeds anoniem, dat is illustratief en schrijnend: de Afrikanen waren geen mensen in de ogen van de slavenhandelaren en slavenhouders.

‘Mijn vader komt van Curaçao, mijn moeder uit Suriname. Ik ben geboren en opgegroeid in Rotterdam. Ik voelde me nooit vreemd of anders omdat ik overal om heen mensen had die op me leken. Dat veranderde toen ik naar de toneelschool Artez in Arnhem ging. Iedereen was wit, en ik was ineens een zwarte vrouw.

‘In die tijd ben ik door een bewustwordingsproces gegaan. Ik begon te lezen over de geschiedenis van Suriname en Curaçao, slavernij, slavenhandel, racisme. Ik wist zo weinig, op school was de slavernij in Suriname een extra paragraaf. Ik weet nog dat ik dacht: ha, Suriname. We hebben het in één les behandeld, toen was het alweer klaar. Ik deed vmbo-T, dus misschien krijg je meer als je gymnasium doet. Ik hoop het, want je kunt niet verwachten dat mensen het zelfstandig doen, als op school niemand tegen je zegt: dit is een gedeelde geschiedenis.

‘In mijn eerste jaar van Artez heb ik mijn ontkroeste haar afgeschoren. Ik liet het sinds groep zeven chemisch glad maken, zoals veel zwarte vrouwen. Tot ik ontdekte dat schoonheidsideaal van glad haar voortkomt uit de tijd van de slavernij. Het idee dat Afrikaans haar, kroeshaar, slecht haar is, komt van de kolonisator. Sindsdien draag ik mijn kroeshaar natuurlijk.

‘Dat was ook het moment dat ik me realiseerde dat ik Afrikaans ben, althans dat mijn voorouders uit Afrika komen. Waarvandaan weten we natuurlijk niet, want die hele geschiedenis is gewist. Dat is goed gelukt, besefte ik, want ik heb letterlijk nul binding met mijn echte roots.

Delima's inspirerende boekenlijst. Beeld Erik Smits
Delima's inspirerende boekenlijst.Beeld Erik Smits

‘Ik besloot een dna-test te doen. Stiekem hoopte ik dat daar een bepaalde plek of een volk uit zou komen, waar ik me mee zou kunnen identificeren. Er kwamen 11 etniciteiten uit, dus het zei nog niks. Het hoogste percentage was Nigeriaans: 41,3 procent. Laatst had ik een gesprek met een Nigeriaanse man. Ik vertelde over het dna-onderzoek. Hij zei: laat me raden, Nigeriaans? Dat zag hij aan mijn jukbeenderen, neus en ogen. Of het waar is weet ik niet, maar ik merkte dat ik het fijn vond, dat iemand me kon herleiden.

‘Bij mijn ouders in de kast vond ik een stamboomboekje dat mijn vader van een familielid uit Curaçao had gekregen. Over de voorouders van zijn moederskant. De lijn voert terug tot ene Cornelis Specht, een plantage-eigenaar en slavenhouder. Dat heb ik gebruikt in mijn voorstelling, dat ik zocht naar mijn zwarte roots en een witte slavendrijver vond.

‘Deze ontdekking leerde me vooral dat het belangrijk is om je geschiedenis te kennen. Veel mensen denken dat ze niets met slavernij te maken hebben gehad, maar als je niet uitzoekt weet je het niet. Daarom vond ik de podcast van Maartje Duin zo mooi (in De plantage van onze voorouders gaat Duin op zoek naar een voorouder die plantage-aandelen had, samen met een nazaat van slaafgemaakten, Peggy Bouva, red.): het laat zien dat het om een gedeelde geschiedenis gaat. Zij gaat op zoek naar een geschiedenis die haar familie liever niet oprakelt. Ik snap dat het lastig is, maar het moet wel gebeuren.

‘Met de hulp van Mitchell Esajas (van historisch archief en cultureel centrum The Black Archives, red.) heb ik gezocht naar de voorouders van mijn moeder in Suriname. In die tijd was het slavenregister net gedigitaliseerd. Zo vond ik mijn stammoeders en ontdekte ik dat ze op plantage Alliance hebben gewerkt.

‘Ik heb toen ook Wij Slaven van Suriname van Anton de Kom gelezen. Ik moet vaak denken aan wat hij schreef: geen volk kan tot volle wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft. Mensen mochten hun taal niet spreken, hun huidskleur en hun haar waren niet goed. Hun geschiedenis werd uitgewist.

‘Nederlanders denken bij racisme en slavernij vaak aan Amerika. Omdat de plantages daar in het land zelf waren, kunnen mensen er niet omheen. De Nederlandse koloniën waren ver weg, overzee: dan kun je makkelijker denken dat het niets met jou te maken heeft. Ik begrijp dat. Tot een aantal jaar geleden wist ik ook zo veel niet. Verdiep je, is mijn boodschap, want kennis biedt je het vermogen tot inleven in een ander.’

In de tentoonstelling geeft Delima haar stem aan João Mina, een Afrikaanse slaafgemaakte man, die in 1646 in het noorden van Brazilië van een Portugese suikerplantage vluchtte naar Recive, een stad in Nederlandse handen. Hij werd verhoord door de Nederlanders, ze hoopten op strategische militaire informatie over de Portugezen, waarmee ze in conflict waren. João was de naam die het meest aan mannelijke Afrikanen werd gegeven door de Portugezen. Mina verwijst naar Elmina.

Slavernij – tien waargebeurde verhalen. Rijksmuseum Amsterdam. Openingsdatum nog onbekend, t/m eind augustus. De bijbehorende catalogus verschijnt bij uitgeverij Atlas Contact.

Meer over