De jaren vijftig geportretteerd in de kilheid van een natte winterjas

Musée Carnavalet, Parijs: Frank Horvat. Paris-Londres, London-Paris 1952-1962. T/m 23 februari...

Frank Horvat: Paris-Londres London-Paris 1952-1962. Paris Musées, FF 220,-.

Het bezit van een paspoort is één ding, het bezit van een Italiaans-Oostenrijks-Hongaars-Servokroatische achtergrond is een tweede. Dat laatste geldt voor de fotograaf Frank Horvat. In 1928 geboren in het stadje Abbazia, dat destijds tot Italië behoorde en dat op dit moment als Opatija op Kroatisch grondgebied ligt. Zijn vader: een Hongaarse arts. Zijn moeder: een Weense psychoanalytica.

De oorlog brengt de familie door in Zwitserland. De periode erna - het is gegaan zoals met zoveel expats: waar ze zich redden lijken ze overal thuis, waar ze verliezen verdwijnen ze uit de geschiedenis. Horvat besluit in 1946 zich in te schrijven aan de Accademia di Brera in Milaan, hij werkt korte tijd voor een paar reclamebureaus, koopt een Rolleiflex-camera, en besluit niet alleen om fotograaf te worden, maar veel belangrijker nog: hij verhuist naar Parijs.

Daar, in 1951, ontmoet hij Henri Cartier-Bresson, op dat ogenblik een van de voormannen van het net opgerichte fotopersbureau Magnum. Van Cartier-Bresson leert Horvat twee dingen. Ten eerste dat je een foto ondersteboven moet houden om de compositie beter te kunnen beoordelen. Ten tweede dat hij zijn Rolleiflex moet inruilen voor een Leica, 'want men fotografeert met zijn oog en niet met zijn buik'.

Vanaf dat moment ontwikkelt Horvats carrière zich voornamelijk op het gebied van de journalistiek en de modefotografie. Hij werkt voor tijdschriften als Paris Match, Picture Post, Life, later voor Vogue, Harper's Bazaar, Elle en Jardin des modes. Het is vooral als modefotograaf dat hij naam krijgt, en de vluchtigheid van dat medium maakt dat hij ook al weer bijna vergeten is.

Dat Horvat niettemin in de naoorlogse fotografie een tamelijk uitzonderlijke positie bekleedt, wordt bewezen door de tentoonstelling die op dit ogenblik, in het kader van de Mois de la Photo, is te zien in het Musée Carnavalet in Parijs. Daar hangen de foto's die Horvat tussen de meer professionele bedrijven door heeft gemaakt, terwijl hij als vreemdeling rondzwierf door Parijs en Londen, de twee steden van zijn belangrijkste opdrachtgevers.

En te bewijzen valt het misschien niet, maar het lijkt juist zijn positie van balling en explorateur te zijn die aan die foto's die ondubbelzinnige authenticiteit heeft verleend die alleen maar het gevolg kan zijn van een verbaasd soort nieuwsgierigheid die door de autochtone waarnemer al lang niet meer zo wordt gevoeld. Horvat fotografeerde de dingen die gewoon waren, triviaal bijna, maar die hem als buitenstaander des te scherper in het oog sprongen.

Achteraf heeft hij daarmee het ruwe materiaal van een tijdperk geïsoleerd, de figuurlijke delfstoffen waaruit veertig jaar later zonder al te grote verwarring kan worden afgeleid dat de jaren '50 werkelijk hebben bestaan - niet als een verzameling historisch markante gebeurtenissen, maar als een aaneenschakeling van dagelijkse situaties waarop zelden door een fotograaf de nadruk wordt gelegd. Het is alsof Horvat bewust alle scènes heeft weggelaten, wetend dat juist die scènes met het voorbijgaan van de tijd alleen maar in clichés zullen veranderen. Albert Camus, Sartre en Simone de Beauvoir komen in Horvats werk niet voor. Ze zouden te veel afbreuk kunnen doen aan het gewone.

Als hij in 1958 een foto maakt van Edith Piaf, dan vermijdt hij de bekende heroïsche tragiek: hij fotografeert haar off-stage, buiten de schijnwerpers, buiten haar rol van zangeres. Hij volgt hetzelfde procédé als twee jaar daarvoor, wanneer hij vanuit de Métro-ingang aan het place Maubert een anoniem gebleven meisje fotografeert dat iets onder haar winterjas lijkt te verbergen: alle betekenis is vervangen door een suggestie die veertig jaar later op elke willekeurige manier kan worden ingevuld. Zoals scènes veranderen in gemeenplaatsen, zo veranderen de meest gewone foto's in raadsels. Wat doet dat echtpaar op de achtergrond, welke verborgen betekenis gaat er schuil achter hun standbeeld-achtige houding, wat is hun relatie tot het kind bovenaan de trap? Al die vragen die je je als voetganger niet stelt, blijven in die foto op een onbeantwoordbare manier veertig jaar intact.

In Londen is het decor tot nog Spartaanser proporties teruggedrongen dan in Parijs. Horvat fotografeert in de armoedige stadsdelen als Lambeth en East End, in dat smerige Londense licht waarin niets wit en bijna alles grijs is. Het is de tijd waarin Harold Macmillan premier van Groot-Brittannië is, Supermac, de man die de geschiedenis is ingegaan met de uitspraak: 'Let's face it, most of us have never had it so good'. Maar aan Horvats vechtende kinderen en sjofele marktbezoekers is dat niet direct te zien, daarvoor is die hele Leger des Heils-sfeer van kriebelig Jaeger-ondergoed nog te dominant in de beelden aanwezig.

Horvat keek met het getrainde oog van een modefotograaf, van iemand die de glamoureuze opmars van de New Look van Dior had gevolgd. Het leverde hem tevens het zintuig waarmee hij de onspectaculaire kilheid van een natte winterjas kon vereeuwigen. Een bijzondere visie had hij daarbij niet nodig, ook geen boodschap. Hij legde de ongemarkeerde stukken van de geschiedenis vast, dat was op zichzelf al voldoende.

Melchior de Wolff

Meer over