De jacht op twee Delftse studenten

OP 14 AUGUSTUS 1941 vervoegde de jonge monteur Hugo de Man zich in de Delftse Wallerstraat, op het onderduikadres van student Jan van Blerkom....

Van de Ordedienst en de groepjes van Mekel en Schoemaker was op dat moment niet veel over, omdat de Duitsers, na in het bezit te zijn gekomen van ledenlijsten, in maart en april tientallen verzetsmensen hadden opgepakt. Van Blerkom had als naaste medewerker van Schoemaker de leiding over diens spionage-apparaat overgenomen.

De arrestatiegolf van het voorjaar van 1941 was deels te wijten aan de, in vergelijking met latere jaren, grote onvoorzichtigheid van het vroege verzet. Vooral in de groep-Mekel nam men nauwelijks geheimhouding in acht. 'We zijn toch allen goede vaderlanders', zei Mekel toen hij eens op zijn onvoorzichtigheid werd gewezen. Maar er was ook verraad in het spel geweest. En daarom had Hugenholz De Man gevraagd naar Van Blerkoms onderduikadres te komen.

De Man, zo had Hugenholz twee dagen eerder via een uit de gevangenis gesmokkeld briefje van Schoemaker ontdekt, was een verrader. Ook hij was gearresteerd, vervolgens vrijgelaten, en kort daarop weer gearresteerd. De precieze gang van zaken is onduidelijk, behalve dat De Man na zijn tweede vrijlating, begin augustus, als infiltrant voor de Duitsers ging werken. De wat onzekere jongen uit een eenvoudig milieu, die met enige afgunst tegen de deftige professoren en upper-class studenten aankeek, was waarschijnlijk gezwicht voor het geboden geld.

Maar hem was geen lange carrière als verrader beschoren. Van Blerkom en Hugenholz hadden, zodra zij wisten dat De Man was vrijgelaten om anderen uit te leveren, een soort rechtbank bijeengeroepen om te beslissen wat te doen. Het vonnis: de doodstraf, uit te voeren door Van Blerkom en Hugenholz.

Politieke moord was in de zomer van 1941 nog bepaald geen ingeburgerd verschijnsel. Het verzet stond in de kinderschoenen, er hadden nog nauwelijks liquidaties plaatsgevonden, en het hele idee van de agent-provocateur was bij vele verzetspioniers pas opgekomen toen het te laat was. We mogen dan ook aannemen dat de taak beide jongemannen zwaar op de maag lag.

Maar ze deden het. Toen De Man die avond bij hen zat, gaf Hugenholz, een wat stuurse jongen die bekend stond als kroegtijger en vechtersbaas, De Man met een boksbeugel een ferme klap tegen de slaap. Daarna drukten ze waarschijnlijk een doek over zijn hoofd, waarin hij stikte.

Ze bonden de benen van hun slachtoffer bij elkaar, hesen diens bovenlijf in een jute zak, stopten daar een paar straatklinkers bij en zeulden het lijk de straat over, het park in. Daar verdween De Man in de vijver.

Annie Huisman-van Bergen, schrijfster van De vervolgden, was erbij. Dat wil zeggen, ze had als 17-jarige Van Blerkom een paar maanden eerder leren kennen, en zocht hem geregeld in de Wallerstraat op - voor het laatst vijf dagen voor de moord. Daarna zou ze hem nooit meer zien - Hugenholz noch Van Blerkom keerde na de bevrijding terug. Hugenholz, zo bleek, was maanden na de aanslag bij Gibraltar verdronken in een poging van een Spaans naar een Engels schip te komen. Waar Van Blerkom was gebleven, was een raadsel.

Vijftig jaar na de oorlog verzamelde Huisman-van Bergen, van huis uit psychologe, voldoende moed en vaardigheden bijeen om het hele verhaal uit te zoeken - als eerbewijs aan de twee studenten, schrijft ze.

Meestal leidt zo'n soort motivatie, niet ongebruikelijk bij oorlogsgeschiedenissen, niet tot bijster goede boeken. Ook De vervolgden is niet volgens de regels der kunst geschreven. Het is niet zozeer een lopend verhaal als wel een onderzoeksverslag, compleet met uitstapjes naar op het oog irrelevante zaken als Van Blerkoms stijl van roeien of de geschiedenis van de vouwkano in Nederland; met uitgebreide terzijdes in een afwijkend lettertype en heel veel lijstjes, namen en adressen.

Toch is De vervolgden een verdienstelijk boek. In een uitstekende stijl geschreven ademt het een zekere deftigheid en nostalgie; nostalgie naar een tijd waarin studenten nog heren waren, die hun talen spraken, die roeiden en zeilden en bij onrecht wisten wat hun te doen stond. Daarbij komt dat Huisman-van Bergen zich uitmuntend heeft gedocumenteerd. Haar archiefonderzoek is voorbeeldig, ze wijst hier vriendelijk doch beslist andere historici terecht, en heeft werkelijk alles nageplozen.

Zo reconstrueert ze precies de jacht op beide studenten, aangevoerd door de Delftse waarnemend politiecommissaris Vooys. Nadat De Mans lijk was komen bovendrijven, was Vooys al snel achter de identiteit van de daders gekomen. Hij zette alles op alles om hen te vinden - zijn naoorlogse beweringen dat hij het onderzoek zoveel mogelijk saboteerde, worden door de auteur overtuigend weerlegd. Onbarmhartig laat ze ook zien hoeveel er werd geklikt - uit rancune, uit geldzucht, maar ook gewoon uit gezagsgetrouwheid.

Toch bleven Jan en Charley op vrije voeten - de aanzienlijke moeite die dat kostte, toont en passant aan hoe weinig illegale infrastructuur in 1941 bestond. Charley wist Spanje te bereiken, Jan bleef naar het lijkt in Nederland. Uiteindelijk dook hij onder bij een verzetsvriend in Den Haag, die eind september had gepoogd met een zeilkano naar Engeland te ontkomen, maar door een gedraaide wind was teruggeblazen.

Half november ondernamen zij tezamen een nieuwe poging. Vanaf een werkkeet onder de Scheveningse pier kozen zij zee. De wind was ideaal, maar wakkerde nogal aan. De temperatuur daalde onverwachts tot onder nul. Ook bij ideale weersomstandigheden was zo'n overtocht een riskante onderneming; van de dertig kano's die tijdens de oorlog de oversteek waagden, kwamen er maar vier in Engeland aan.

Wat er die nacht gebeurde, blijft ongewis. Maar Van Blerkoms vluchtmaat spoelde een half jaar later na een hevige storm aan bij Noordwijk. Hij had een strop om zijn hals - niemand weet waarom. Van Van Blerkom is niets meer vernomen.

Meer over