Boeken

De ideeën uit de Bijbel waren nog overal rond

Bladerend door de Nieuwe Bijbelvertaling, die komende week verschijnt, stuit schrijver Sander Kollaard op mooie, hem overbekende verhalen, maar ook veel matig geschreven passages. Zelfs de zoon van God maakt een nogal vlakke indruk. Waarom moeten we het boek blijven lezen?

null Beeld Marthe van de Grift
Beeld Marthe van de Grift

Ik heb nog altijd het zakbijbeltje dat ik in 1976 met Sinterklaas van mijn grootmoeder kreeg. Op het schutblad heeft ze, in haar verzorgde handschrift, op lijntjes die ze met potlood en liniaal heeft getrokken, een tekst geschreven. Het woord des Heren blijft in eeuwigheid. De tekst is uit de eerste brief van Petrus en zekerheidshalve heeft ze de regel op die plaats ook nog eens gemarkeerd met een lijntje in de marge.

Ik was 15 toen ik het bijbeltje kreeg. Ik nam aan dat mijn grootmoeder begreep dat ik van het geloof was weggegleden en dat het zakbijbeltje bedoeld was om mij voor definitieve geloofsafval te behoeden. Dat is niet gelukt. Mijn geloof was al reddeloos verloren. Ik liet het jong achter me, zonder drama en worsteling, ongeveer zoals je een oude jas achterlaat aan de kapstok, eerst ongedragen en vervolgens uit zicht geraakt achter nieuwe jassen.

Toch kan ik me tegenwoordig goed in de woorden van Petrus vinden – beter zelfs dan die 15-jarige. Ik geloof nog altijd niet in God, maar dat is nauwelijks relevant. Ik geloof ook niet in Hamlet of Anna Karenina of Frits van Egters. Natuurlijk zijn ze fictief, maar die fictie is werkelijk genoeg en van blijvend belang, al is ‘eeuwig’ misschien overdreven. Ik denk dat geloof en ongeloof wat de Bijbel betreft precies op dit punt uiteengaan: waar de gelovige een religieuze tekst leest, lees ik fictie; waar de gelovige houvast of richting zoekt, wil ik verbeelding; en waar de gelovige zijn of haar God op een of andere manier als reëel moet zien, is er voor mij een personage.

Maar dat is in elk geval wat. Er zullen niet veel ongelovigen zijn die het boek zo dicht bij de borst houden. Ik heb de Bijbel altijd binnen handbereik, letterlijk, naast me op mijn bureau, maar vooral figuurlijk omdat de verhalen, motieven, beelden en taal zo vaak en reflexmatig boven komen drijven.

Bladerend in de Nieuwe Bijbelvertaling stuit ik dus op vertrouwde verhalen: over Adam en Eva en de lispelende slang; over Noach en zijn ark en die onwaarschijnlijke parade van dieren; over de bedenkelijke relaties tussen Lot en zijn dochters; over Abraham die op verzoek van God bereid is zijn zoon te offeren. Het zijn verhalen die nooit verzaken en steevast tot mijn verbeelding spreken.

Woedend

Neem dat verhaal over Abraham en Isaak: ik word er nog altijd woedend van. God vraagt aan Abraham om zijn zoon te offeren, niet omdat het jong niet wil deugen, niet eens omdat de vader een faux pas heeft begaan, maar als bewijs van gehoorzaamheid. Juist als Abraham naar het zwaard grijpt om zijn kind te ‘slachten’, hoort hij een stem. ‘Raak de jongen niet aan, doe hem niets! Want nu weet Ik dat je ontzag voor God hebt.’ Dat God op het allerlaatste moment ingrijpt zodat de jongen gespaard blijft, brengt mijn woede bepaald niet tot bedaren.

In de Kunstbijbel (Athenaeum; € 89,90) is een afbeelding opgenomen van Het offer van Abraham van Nicolaas Maes. Het is een dramatisch tafereel van licht en donker. Isaak ligt weerloos en vrijwel naakt op de offersteen. Abraham zit naast hem en grijpt naar zijn zwaard. Boven die twee, dobberend op een wolk, zien we een engel die de hand uitsteekt om Abraham tegen te houden. Kijkend naar dat tafereel verplaatst mijn woede zich van God naar Abraham, de aartsvader, die zich hier opeens toont als een Talibanstrijder, met tulband, baard en lang gewaad: iemand voor wie gehoorzaamheid aan een fictieve God boven alles gaat, zelfs het leven van een kind.

Ik hoorde de verhalen indertijd thuis en op school, naverteld door mijn vader en de juffen en meesters, maar ook weleens voorgelezen uit een kinderbijbel. Later ontdekte ik dat die versies nogal afweken van wat er in de Bijbel zelf stond: gesaneerd van de warrigheid en tegenstrijdigheden en opgedirkt met een heldere moraal, geschikt voor de jeugd. Al die volwassenen jokten dus een beetje. Het was niet de Bijbel zelf die me werd voorgehouden, maar een in geloof gedrenkte versie ervan, sterk verwaterd, in dienst van de blijde boodschap. Dat jokkebrokken heeft de Bijbel in zekere zin voor me behouden, want toen ik de verhalen later herlas, nu in de originele versie, bleken ze veel rijker te zijn dan ik me herinnerde, grilliger, taliger, en vaak met een moeilijk te omschrijven mafheid. Pas toen ben ik echt van ze gaan houden.

Pijn en overgave

Ik herlas nu maar weer eens het verhaal over Jakob en de engel. Jakob vecht met ‘iemand’ bij een rivier. Dat is wat er staat: van een engel is geen sprake. De twee vechten urenlang, ’s nachts, aan de oever van een rivier. Jakob raakt gewond aan zijn heup, maar uiteindelijk geeft het mysterieuze wezen op. Voortaan, zegt het, zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, ‘want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen’. Jakob wordt gezegend en steekt de rivier over, mank, terwijl de zon opkomt.

Het gevecht is eindeloos geïnterpreteerd maar ik heb aan het tafereel zelf ruim voldoende. Ik ben niet de enige: het is getekend en geschilderd door Rembrandt, Délacroix, Doré, Gaugain, Chagall en nog een heleboel anderen. Op die schilderijen zie je vrijwel altijd een engel omdat engelen gelden als Gods boodschappers, als zijn blik, zoals Jakob dat zelf ook ervoer: ‘Ik heb oog in oog gestaan met God.’ De mooiste verbeelding is wat mij betreft die van Rembrandt – ook opgenomen in de Kunstbijbel – omdat die zo dubbelzinnig is. We zien de twee op het moment dat de engel Jakobs heup aanraakt. Jakob heeft de ogen vrijwel gesloten, kennelijk van pijn, maar het gebaar van de engel is liefdevol. Dat geldt voor de hele houding: de engel houdt Jakob tegen zich aan met een hand in diens nek en een halfnaakt been om het lichaam geslagen. We weten dat we naar een gevecht kijken, want zo staat het in de Bijbel, maar Rembrandt laat een omhelzing zien. De ogen van Jakob lijken bij nader inzien dus niet gesloten van pijn, maar in overgave.

Een handjevol hits

Met dit alles wil ik niet beweren dat de Bijbel louter uit schitterende verhalen bestaat, want grote delen zijn nauwelijks leesbaar. Ook dat is wat me, bladerend door de nieuwe vertaling, weer trof: het boek is op veel plaatsen matig geschreven, saai, vol herhaling, tegenstrijdigheden en onbegrijpelijke wendingen, vol lamme regels en bloedeloze familiekronieken. Schrijver Stephan Enter heeft weleens gezegd dat de Bijbel te lijden heeft onder een ‘ongeloofwaardig hoofdpersonage’. Dat geldt wat mij betreft niet zozeer voor God, die angstaanjagend genoeg is, grillig, overgeleverd aan de eigen emoties, maar vooral voor Jezus, die op mij een nogal vlakke indruk maakt: de zoon van God mag zijn opgestaan uit de dood, op papier komt hij niet echt tot leven.

null Beeld Marthe van de Grift
Beeld Marthe van de Grift

Ik vermoed dat veel mensen, net zoals ik, de Bijbel waarderen om een relatief beperkt aantal verhalen, die vaak overeenkomen. Er is een soort Bijbel binnen de Bijbel: een canon van populaire, steeds terugkerende verhalen. Het is als met The Beatles of Abba: populair op basis van een handjevol hits dat maar een klein deel van het oeuvre beslaat.

Dat roept de vraag op wat de Bijbel nog te betekenen heeft, nu, hier, in dit goddeloze land. Overstijgt de betekenis de hitjes die zo nu en dan nog klinken? Het is een gemeenplaats om te beweren dat de invloed van het boek nog alomtegenwoordig is. In de inleiding van de nieuwe vertaling staat zelfverzekerd dat de Bijbel ook in een seculier tijdperk tot de verbeelding blijft spreken, ‘als religieus en cultureel icoon, als literair monument en als bestseller’.

Blijvende invloed

Mijn indruk is dat de blijvende invloed van de Bijbel op een ander vlak ligt, dat ze is losgezongen van het boek zelf, van geloof, en terug te vinden is als een verzameling memen die in onze cultuur nog altijd een grote rol spelen: dat een schuld moet worden gedelgd door boete te doen; dat goed en kwaad drijvende krachten in de wereld zijn; dat zuiverheid een begerenswaardig ideaal is; dat we een ziel hebben die het lichaam overleeft; dat het leven zin en betekenis heeft of behoort te hebben; dat geloof een vorm van bewijs is; dat we leren door te lijden; dat ons een catastrofale eindtijd wacht, maar dat we tegelijk mogen hopen op een utopisch eindspel; dat vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen; dat mensen van een hogere orde zijn dan andere dieren. Al dat soort noties hebben een grond in de Bijbel en je vindt ze nog overal in de westerse cultuur – en dankzij onze door missie en geldzucht gedreven expansiedrift vaak ver daarbuiten.

Een voorbeeld is de meme van het paradijs en de zondeval: het idee dat we een ideale oertoestand hebben verspeeld door een misstap te begaan die we moeten rechtzetten om terug te keren naar dat land-van-ooit. Het is niet moeilijk om dat format terug te vinden in de leuze waarmee Trump in 2016 de macht greep. Make America Great Again. Het is ook niet zo moeilijk om dezelfde gedachte te vinden in de speech die Biden hield bij zijn inauguratie, waarin hij sprak over een terugkeer naar het ‘echte’ Amerika. Het sentiment herhaalde zich in het gedicht dat Amanda Gorman voordroeg, niet toevallig vol bijbelse taal, waarin ze zegt dat het verleden ‘rechtgezet’ moet worden zodat er een toekomst kan zijn. Zo bezien liggen Trump en Biden dichter bij elkaar dan je zou denken en wensen.

Wie probeert om het effect van die bijbelse memen te wegen, zal niet gemakkelijk tot een slotsom komen. Neem ‘geloof’. Het is terug te vinden als geloof in jezelf, in je eigen waarde, en dat helpt mensen om beter te presteren. Daar is weinig op tegen. Het wordt anders als mensen ‘geloof’ nemen als vorm van bewijs en zich vrij voelen om te zeggen dat ze niet ‘geloven’ in een virus of vaccin, alsof dat een serieus argument is.

Een verzameling formats

Hoe de optelsom uitpakt, staat dus te bezien, al is nuance wat mij betreft niet altijd nodig. Een ronduit destructieve bijbelse meme is het idee dat de mens de kroon op de Schepping is en dus van een hogere orde dan de rest van het leven: ‘Heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ Dat hebben die arme dieren geweten, tot op de dag van vandaag, geofferd, opgejaagd en uitgeroeid, en veroordeeld tot megastallen waarin ze zo nu en dan levend verbranden, als onderdeel van een diep immorele industrie waar de christelijke partijen niet weinig – en niet toevallig – schuldig aan zijn.

De Bijbel leeft dus, nog altijd, niet zozeer als een religieus of cultureel icoon, een literair monument, laat staan als een bestseller, al klinkt dat lekker eigentijds, maar als een voorraad formats, manieren van indelen, beschrijven en redeneren, die nog overal rondwaren. Meestal hebben we dat niet in de gaten, omdat we de Bijbel niet meer kennen en nauwelijks weten wat het geloof inhoudt, maar vooral omdat die formats zo vanzelfsprekend zijn, zo ingebakken, dat we ze zonder reflectie gebruiken. Dat is denk ik het grootste risico, de ondoordachtheid waarmee we ons door bijbelse noties laten leiden, want bij een gebrek aan reflectie krijgen duistere instincten al snel de ruimte.

Des te meer reden dus om het boek der boeken maar weer eens te lezen, bij voorkeur in de nieuwe, frisse vertaling die nu beschikbaar is, en nog eens na te denken over de betekenis ervan. Mijn grootmoeder zou de nieuwe vertaling zonder twijfel hebben bestudeerd, turend door haar leesloep. Ik denk dat ze mijn beschouwing met aandacht zou hebben gelezen, om er vervolgens een brief over te schrijven, verdrietig misschien, boos, of met verwijten van provocatie of godslastering. Ik kan er alleen maar naar gissen, maar stel me graag voor dat ze ook zou hebben begrepen dat haar missie niet helemaal mislukt is, dat het zakbijbeltje niet tevergeefs was, dat die tekst uit Petrus me dierbaar is, en dat haar kleinzoon weliswaar voor het geloof verloren is gegaan, maar behouden is gebleven voor de Bijbel – in elk geval een substantieel deel ervan.

Nieuwe vertaling

Woensdag verschijnt bij het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap de Nieuwe Bijbelvertaling (€ 38) die de voorgaande, uit 2004, zal vervangen. Dat wordt opgeluisterd met twee bijzondere edities. Bij Athenaeum verschijnt een Kunstbijbel die geïllustreerd is met 140 schilderijen van bijbelse verhalen en thema’s, gemaakt door Hollandse en Vlaamse meesters, bijna allemaal uit de 16de en 17de eeuw. Bij Querido Facto verschijnt een editie met inleidingen over de cultuurhistorische achtergronden van de verschillende boeken en delen van de Bijbel (€ 45). Bij de laatste uitgever verschijnt bovendien Een gesloten tuin – Een verzegelde bron (€ 20), waarin tien Nederlandse schrijvers en dichters nadenken over de vraag wat de Bijbel nu nog betekent.

Meer over