De haven van de poëzie: Poetry International

‘Veredelde literatuurlessen’ en ‘vrijblijvende shows’ – de kritiek was niet meteen overtuigd van het nut van Poetry International. Het Rotterdamse festival viert dit weekeinde zijn veertigste editie: ‘Dit is de haven van de poëzie.’

Vraag Martin Mooij (78) naar wat voor hem het beeld van Poetry International is, het festival dat hij op de kaart zette en 26 jaar leidde, en je krijgt een niet voor de hand liggend antwoord. ‘Het beeld? Mijn onvermogen. Ik was niet zo’n goede organisator.’

Het is dus niet de dichter in de foyer van De Doelen in Rotterdam, met het publiek soms letterlijk aan zijn voeten. Het zijn niet de middagbijeenkomsten als ouverture in de tuin van havenbaron Ludo Pieters (vorig jaar overleden) in Rhoon, waar de genodigden hoopten dat niet al te lang na de thee de drank doorkwam. Niet de onderonsjes van Nobelprijswinnaars als Josef Brodsky (in 1974 al welkom als Russische balling) en Seamus Heaney (twee jaar geleden nog in Rotterdam) met de kanonnen uit de poëzie van eigen bodem. Evenmin de lang verbeide komst van Lucebert in 1985.

Mooie momenten genoeg, zeker, maar bij Mooij overheerst de herinnering aan ‘een zekere anarchie’. ‘Dat was wel zo prettig. Er kwamen bijvoorbeeld altijd wel bezoekers binnen zonder te betalen, via de parkeergarage. Ik heb er nooit zo veel tegen ondernomen.’

En nu, nu de hoogmis van het vers al sinds 1997 is verplaatst naar de Rotterdamse Schouwburg, aan de overzijde? ‘Nu is het vooral, eh, degelijk.’

Hier wordt een brug van 40 jaar geslagen. Met toenmalig directeur Adriaan van der Staay van de Rotterdamse Kunststichting stond Mooij, destijds net aangenomen bij de sectie Letteren, aan de wieg van het festival, dat in juni 1970 voor het eerst werd gehouden. Morgen begint de 40ste editie van de manifestatie, waarvoor zeker in de jaren zeventig en tachtig toch herhaaldelijk vooral wegens chronisch geldgebrek de doodsklok luidde – de organisatie, jaarlijks: ‘deze aflevering kan echt de laatste zijn’. Maar het bestaan is inmiddels tot 2012 gezekerd met structurele en substantiële bijdragen van rijk en gemeente. In 1970 was het vooral sprokkelen: de vereiste 35 duizend gulden kwamen van de stad, de Rotary, de tv, het Holland Festival en het Goethe Instituut.

Rutger Kopland:
‘Heb ik er 13 keer gestaan? Zoveel? Ik keek er altijd wel naar uit, ja. De ervaring die ik had opgedaan in cabaret en toneel en in de collegezaal kwam wel van pas. Het gaat om dictie, mimiek, maar je moet ook luisteren naar het publiek. Wanneer kijk je de zaal in? Hoe lang laat je een stilte vallen – net iets langer dan men verwacht. Poetry confronteert je met iets waar je eigenlijk geen snars van begrijpt maar dat je toch raakt. Je ziet boosheid, verdriet, ontroering. Prachtig.’

De eerste aflevering zette meteen voor decennia de toon. Het aantal deelnemende dichters wedijverde met het aantal bezoekers. De verveling in de Kleine Zaal sloeg onbarmhartig toe. Maar in de foyers was het spannender. Daar was Simon Vinkenoog, om te beginnen, met muziek. Daar kon je dwalen, neerzijgen op een bank, of op de vloer, naar gedichten luisteren of naar Eugène Guillevic die in chansons uitbarstte. Er waren dichters die het zelfs helemaal buiten de deur zochten: de Joegoslaaf Vasko Popa ging naar landgenoten in de Waalhaven, de Oostenrijker Ernst Jandl betrad het perron van de metro, twee Britse dichters droegen in het holst van de nacht hun werk voor op een vaartuig van de rivierpolitie, met megafoon. Mooij: ‘Die anarchie, die bedoel ik.’

De pers vond het lange tijd niet zo vanzelfsprekend. Volg de Volkskant. 1972: ‘Een veredelde literatuurles.’ 1973: ‘Vrijblijvende show.’ 1976. ‘Een veredeld songfestival.’ Kees Buddingh’ vond het tijd om de verslaggeefster eens van repliek te dienen. ‘Lidy van Marissing/ was een grote vergissing.’ Later begint het oordeel te zwalken. Wat in 1985 ‘altijd een hartverwarmende gebeurtenis’ is, wordt een jaar later een ‘dommelend Poetry’ en raakt in 1988 ‘een beetje uitgesleten’. In 1992 is de vaststelling dat de ‘magie taant’. In 1996 plaatst Remco Campert, geregeld gast en presentator, zelf ook een kanttekening. Hij schrijft: ‘Elk jaar zijn er wel een of twee dichters die zich niet aan hun tijd houden. Het zijn helaas nooit de beste. () Een paar F-siders in de zaal zou behoorlijk helpen.’

De verwondering is een terugkerende factor. De krant in de jaren tachtig: ‘Hoe bestaat het dat tientallen mensen die er zo op het oog normaal uitzien, avond in avond uit kunnen luisteren met applaus als enige lichaamsbeweging?’ Nog wat rode draadjes: het geluid van brekende glazen op de foyervloer en de concurrentie met de belangrijke internationale voetbaltoernooien. De krant citeert Vinkenoog en Rutger Kopland in 1996 samen voor de tv, nog voordat ze opmoeten: Seedorf! Wat doet ’ie met die bal?! Oh nee hè. () Oewww. Jaaaahooorr!

Bernlef:
‘Het was vooral leuk om internationale beroemdheden te ontmoeten. Brodsky, Heaney, Zbigniew Herbert. Het was vaak heel gezellig, in hotel Centraal, tot diep in de nacht. Ik moet bekennen dat optreden niet mijn favoriete onderdeel was, en ik spreek namens meer dichters. Ik heb me ooit sterk gemaakt voor de komst van Elizabeth Bishop, die ik zeer bewonder. Nog nooit iemand zo het eigen werk om zeep zien helpen. Een krassende kraai. Kromme tenen. Ze droeg ‘Pompstation’ voor, een waanzinnig mooi gedicht. Na afloop keek ze angstig over haar brilletje de zaal in. ‘This needs to be changed’, zei ze. Ze moet zich doodongelukkig hebben gevoeld.’

Aan de anekdotiek van het festival voelt de huidige directeur Bas Kwakman (45) – aan het roer sinds 2003 – zich wel enigszins schatplichtig. ‘Die anarchie is sympathiek. Maar ik zeg ook: met anarchie alleen red je het tegenwoordig niet meer.’ De organisatie is geprofessionaliseerd, er is een website in de lucht, in 45 landen speuren redacteuren naar nieuw talent. ‘Poetry is internationaal toonaangevend. Dat is een grote verantwoordelijkheid. Die voorhoedepositie willen we behouden.’

Kwakman zegt voort te borduren op de erfenis van zijn voorganger, Tatjana Daan, die in 1997 Mooij opvolgde. In de jubileumeditie van de Poetrykrant zegt ze dat ze destijds een festival aantrof, dat ‘in zichzelf gekeerd was geraakt en voort dobberde op de glorie van de beginjaren’. Het waren vooral de dichters die het er naar hun zin hadden. Mooij: ‘Het is onzin.’

Kwakman: ‘Tatjana Daan heeft tijdig ingezien dat het bijwonen van het festival weer een belevenis moest zijn. Meer oog voor het publiek. Theatraler. Thema’s. Debat en discussie. Het binnenhalen van andere disciplines.’

In die transformatie is de van het begin af aan breed geëtaleerde compassie met de verdrukte dichter onder foute regimes op de achtergrond geraakt. Mooij betreurt dat. Toekenning van het zogeheten eregeld uit Rotterdam heeft, beklemtoont hij, geregeld tot invrijheidstelling geleid.

Ramsey Nasr:
‘Toen ik voor Poetry werd gevraagd, was net mijn eerste bundel uit. Ik heb bedankt. Ik vond dat ik nog even moest wachten. Het is namelijk een hele eer om er staan. Nee, ik zag er niet tegen op. Voordragen is eigenlijk doodeenvoudig. Met het schrijven zit het zwaarste werk erop. Wat ik altijd op Poetry merk is dat de poëzie echt met de voeten in de wereld staat, dat in andere landen de poëzie wordt nog gebruikt voor politieke statements; wij kennen dat nauwelijks meer. Heel indrukwekkend.’

Kwakman zegt dat er nog altijd ruimte is voor maatschappelijk betrokken poëzie, maar dat meer dan ooit kwaliteit het belangrijkste criterium is, ongeacht stijl of stroming. ‘Wat mij betreft kan een politiek manifest gerust naast een hermetisch gedicht staan.’ Er is geen ander festival dat zich zo onafhankelijk kan opstellen, zegt hij. Lobby’s van ambassades, pleidooien van uitgevers, een dichter die toevallig toch in de buurt is; de organisatie houdt zich er oostindisch doof voor.

Volgens Mooij heeft de kwaliteit zelden geleden onder het engagement. Nou ja, hij kan zich een Russische dichter herinneren, op 17-jarige leeftijd gepakt wegens diefstal van een fles wodka, die vrijkwam na nota bene persoonlijke bemoeienis van oud-bondskanselier Willy Brandt, en van wie de voordracht toch wat tegenviel. ‘Het was wat veel zelfbeklag. Als vrije dichter hadden we hem nooit genomen.’ Dat hij later werd aangetroffen tussen de junks, maakte de vreugde over zijn aanwezigheid er niet groter op.

Hagar Peeters:
‘Poetry is uniek. Het festival doet recht aan de universaliteit van poëzie. Maar de geschiedenis van Poetry reflecteert ook de Nederlandse cultuurgeschiedenis vanaf de jaren zestig, met die politieke betrokkenheid en het engagement. Deze manifestatie valt wel altijd tussen wal en schip: geen oppervlakkig massavertier, maar ook geen monomane zelfrealisatie. Ze biedt iets veel mooiers: inspiratie, bevlogenheid, kennis, kunst. ’

Waaraan nooit is getwijfeld, is Rotterdam. Dat in de stad van geen woorden maar daden jaarlijks de lof de poëzie wordt gezongen, is gelet op de wordingsgeschiedenis niet zo verwonderlijk. Poetry kwam er juist omdat de literatuur kwijnde aan de Maas. Anna Blaman was overleden, Cornelis Vaandrager zat in Drenthe, Jules Deelder was nog aankomend en van Bob den Uyl had nog maar een enkeling gehoord.

De taal leende zich makkelijk voor legitimatie van het festival. Mooij: ‘We zeiden altijd tegen elkaar: dit is de haven van de poëzie, met import en export.’ Inmiddels zijn er dichtregels gestold in neon op kantoren in de stad en trekken ze op vuilniswagens van de Roteb door de wijken. Kwakman: ‘De poëzie zit in de harten van de Rotterdammers. En wij houden weer rekening met de mentaliteit: hier krijg je niet de kans om op je lauweren te rusten.’

In zo’n klimaat past ook ontnuchtering, op z’n tijd. Cabaretier Freek de Jonge was er, in 1986. ‘Het volgende stuk rijmt, ik waarschuw maar even.’

Meer over