De hand die door boeken ploegde, is stijf

ALS IN HET voorjaar van 1649 de grote geleerde Gerardus Joannes Vossius de geest geeft, schrijft zijn stadgenoot, zijn huisvriend en in zekere zin ook zijn leerling Joost van den Vondel een rouwdicht op hem, dat zo begint: 'Nu gaet de gladde ploegh/ Van 't snedich brein des Letterkloecken/ Niet...

Michaël Zeeman

'Akkers van boeken': 't is geen gemakkelijk beeld, al maakt drieëneenhalve eeuw later Vondels collega Mulisch de omvang van de oplage van het door hem geschreven boekenweekgeschenk ook plastisch door van kilometers bedrukt en bijeengebonden papier te gewagen. Dat de geest bovendien als een ploeg voren snijdt door de boeken die hij bestudeert, stuit de boekenliefhebber eveneens tegen de borst en zou dat zeker ook de beweeklaagde Vossius, groot boekenliefhebber en verzamelaar die hij was, gedaan hebben. Weinigen hebben in die tijd, de eerste helft van de zeventiende eeuw, een leven lang zo consciëntieus boeken verzameld, in goede edities en behoorlijke uitgaven, en zijn er zo intens mee omgegaan: de handgeschreven catalogus van zijn bibliotheek en het aandoenlijke schriftje waarin hij bijhield welk boek hij aan wie uitleende, getuigen ervan.

Maar wie in de door C.S.M. Rademaker geschreven biografie van Vossius bij Vondels op het eerste gezicht moeizaam gewrochte rouwklacht is aanbeland, aan het einde van het op twee na laatste hoofdstuk, moet het boek niettemin even wegleggen. Niet om de moeizaamheid van de beelden, niet om de stugheid van het zeventiende-eeuwse Nederlands, maar om de pijn waarmee hij afscheid moet nemen van deze indrukwekkende, intelligente, interessante maar bovenal zo innemende man. 'De hant, die spade en vroegh,/ Te post met onvermoeide pennen/ Plagh door 't papieren veld te rennen,/ Is stijf', schrijft Vondel - en dat is dan net te veel, die verstijfde hand, van dat lijk met het door wondroosinfectie rood en opgezwollen geraakte hoofd.

Want die hand en dat hoofd, je bent ervan gaan houden, gedurende de tweehonderdvijftig eraan voorafgaande bladzijden.

Dat is wonderlijk. Vossius en zijn biograaf hebben alles in zich om de huidige lezer op afstand te houden; iedere vorm van intimiteit lijkt, wat hen betreft, ongewenst. Zo forbidding als de een is, zo feitelijk en wars van sentiment en misschien zelfs wel van alle niet voetnootsgewijs verankerde verbeelding is de ander.

Vossius is de geleerde die zich een leven lang toelegt op een wereld en een wetenschap die in zijn tijd al over hun hoogtepunten heen waren, die van de renaissancistische en humanistische omgang met de klassieken, en wiens gemoedstoestand lange jaren is bepaald door de theologische en kerkrechtelijke haarkloverijen van remonstranten en contraremonstranten. Wat hij schreef is doorgaans in het Neolatijn gesteld, een taal die praktisch geen mens meer zonder grote moeite leest, een taal bovendien die hecht aan formalistische uitdrukkingswijzen. Alle natuurlijkheid en emotionele toegankelijkheid zijn hem, kortom, op het eerste gezicht vreemd.

In zijn biograaf, C.S.M. Rademaker, treffen we een, naar de huidige begrippen, al minstens zo eigenaardige persoonlijkheid: 'ss.cc.', schrijft hij telkenmale achter zijn naam, hetgeen betekent dat hij lid is van de congregatie van de heilige harten en dan zijn we, ook in de wetenschap, ver verwijderd van de parmantige wereld van projectsubsidie, onderzoeksschool, voorwaardelijke financiering en wat dies meer zij. Rademaker vertelt in zijn voorwoord opnieuw hoe hij meer dan veertig jaar geleden antwoordde op een prijsvraag van de Letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam, die toentertijd om een schets van leven en werk van Vossius verzocht - tenslotte de tweede hoogleraar die, in 1631, aan die universiteit, of wat eraan vooraf ging, het Athenaeum Illustre, werd benoemd.

Rademaker schreef zijn schets, won de prijs - bij gebrek aan concurrentie, ben je geneigd te denken - en besloot vervolgens zijn leven aan dat van Vossius te wijden. Zijn bibliografie van artikelen en boeken over Vossius en een enkele uitgave van werk van hem is bescheiden en lijkt te bestaan uit een steeds voortgaande detaillering, verdieping en verwerking. Dat is, op zijn zachtst gezegd, binnen het contemporaine wetenschappelijk bedrijf unzeitgemäss, zoveel toewijding, zoveel concentratie, zoveel zin de allerlaatste steen boven te krijgen.

Zijn huidige Vossius-biografie volgt in grote trekken de opzet van de Engelstalige biografie die hij in 1981 publiceerde - zelfs de titel is gelijk gebleven: even nuchter, ter zake en verbeeldingsloos -, maar wie goed leest, constateert keer op keer waar Rademaker in de tussenliggende achttien jaar een nieuw stukje van de puzzel heeft gevonden. Waar hij dat nog zoekt, zegt hij het er bovendien openhartig bij, op een wat onhandige en in elk geval volkomen onschuldige manier - een manier die kenmerkend is voor zijn haast ingenuë manier van schrijven. Schoorvoetend gaat hij van gedocumenteerd feit naar geboekstaafd gegeven, slechts een enkele keer de ruimte nemend voor een wat lossere formulering en dat dan bijna altijd onhandig.

Een ouderwets geleerde puzzelaar, met een tafel vol stukjes van een hopeloos ingewikkelde puzzel: waar komt dan, mettertijd, toch die vertrouwdheid vandaan, die liefde die je deelachtig wordt voor het onderwerp van Rademakers niet aflatende ijver en toewijding, de ontroering die je in de kraag vat bij het zakelijk, bijna klinisch beschreven sterven van de door hem bewonderde?

Dat is, meen ik, te danken aan beiden, biograaf en gebiografeerde, zij het ook niet in gelijke mate.

Je veertig jaar aan een en hetzelfde, ogenschijnlijk uiterst beperkte onderwerp wijden, is tegenwoordig, zeker in de Nederlandse historiografie, ongebruikelijk en het geldt als licht eigenaardig - but it pays. Gaandeweg Rademakers Vossius-biografie wordt de vraag naar een hele reeks andere biografieën en monografieën, over wat nog altijd de meest ontzagwekkende periode uit de vaderlandse geschiedenis is, een periode bovendien bevolkt door verpletterende persoonlijkheden, prangend. Want ze bestaan niet, de boeken die je zielsgraag zou lezen: een biografie van Hugo de Groot bijvoorbeeld, een even eminent en oorspronkelijk geleerde als zijn levenslange vriend Vossius, biografische portretten van zijn vrouw, Maria van Reigersberch, of de tweede vrouw van Vossius, Elisabeth Junius, een moderne monografie van dat eerste, turbulente kwart van de Hollandse zeventiende eeuw, een sociaal-culturele geschiedenis van het Twaalfjarig Bestand en zijn context, met een precieze reconstructie van het theologische en staatkundige debat tussen rekkelijken en preciezen, de synode en de Staten.

Rademaker over Vossius lezen is hunkeren naar meer, anders en beter; maar de meeste academische Nederlandse historici zijn in vergadering bijeen en kunnen je zelfs welgemutst uitleggen hoezeer ze met hun gepalaver de wetenschap dienen. Via het gevoel van gemis dat Rademakers boek oproept maak je de U-bocht die je bij hem terug brengt: wat een genoegen dat er over althans een van deze monumentale mannen een leesbaar boek is.

En wat een man. Hij werd in 1577 in Heidelberg geboren als zoon van een predikant, kwam als peuter in Nederland en even later in Vlaanderen terecht, en werd opgevoed en opgeleid in Dordrecht, Hollandse stad en stad van de reformatie bij uitstek. Hij doorliep er de Latijnse school, ging in Leiden studeren, keerde als conrector naar zijn oude school in Dordrecht terug en werd er korte tijd later rector. Hij trouwde, werd vader, verloor kind op kind, werd weduwnaar, hertrouwde, werd talrijke keren opnieuw vader - en begroef, aan het eind van zijn leven, de meeste van die ongewoon begaafde kinderen, onder de hoofse troostrijmen van zijn vriend Vondel. 'Wat treurt ghy, hooghgeleerde Vos,/ En fronst het voorhoofd van verdriet?/ Beny uw zoon den hemel niet./ De hemel treckt, ay, laat hem los.'

Wat een man, wat een leven. Na Dordrecht en het rectoraat kwam het regentschap van het Statencollege in Leiden - kwam de onwillekeurige betrokkenheid bij het debat over uitverkiezing versus vrije wil, over tolerantie en rechtzinnigheid, over staatsbemoeienis met de kerk en domineesbemoeienis met de staat. Het is een verscheurde tijd, en het is een hartverscheurend verhaal.

Uit al die plechtige, zorgvuldig geformuleerde en geconstrueerde brieven, uit al die deftige traktaten en boeken zwaar van geleerdheid, rijst mondjesmaat het beeld op van een fundamenteel aardige man. Een vredestichter, op het angsthazige af, een prediker van verdraagzaamheid, die niet alleen zijn tijdgenoten daarmee op de proef stelde, maar ook, over de eeuwen heen, wie hem nu probeert te begrijpen tergt. Man, kies!

Maar hij koos niet, of liever gezegd: hij koos geen partij. Als de tuchtcommissie van de Leidse universiteit, op het heetst van de strijd tussen Arminianen en Gomaristen, hem daagt, als even later de gereformeerde synode hem blijft pressen zich uit te spreken, legt hij zich toe op studies naar de oudchristelijke kerk. Hij ontwijkt de twist door naar de bronnen te gaan, hij schuwt de polemiek en antwoordt met studiezin, met beheerstheid en overleg.

Zoveel afkeer van herrie, zoveel zin om in boeken te ploegen en over wat hij op die manier aan de weet kwam met talloze anderen van gedachten te wisselen: je moet wel van hem gaan houden.

Van hem, van zijn familie, vrienden en geestverwanten, van zijn tijd. Dat wordt je niet makkelijk gemaakt, maar als het er eenmaal is, laat het je niet meer los. Die veertig jaar van Rademakers toewijding worden allengs begrijpelijker.

Meer over