EssayZin vinden in afzondering

De gevolgen van de coronapandemie leren ons uiteindelijk veel over onszelf

Dat betoogt Denker des vaderlands Daan Roovers in haar co-referaat van de Van der Leeuwlezing.

Volgens filosoof Daan Roovers leert de strijd tegen het virus ons uiteindelijk heel veel over onszelf.  Beeld Elki Boerdam
Volgens filosoof Daan Roovers leert de strijd tegen het virus ons uiteindelijk heel veel over onszelf.Beeld Elki Boerdam

Ik ben niet zo dol op de vergelijking tussen corona en de oorlog. Tijdens de eerste, ‘intelligente’ lockdown werd rond 4 en 5 mei veelvuldig de parallel getrokken tussen de onvrijheid van nu en de bezetting in de jaren 40-45. En nu we een aantal maanden later in een nieuwe, gedeeltelijke lockdown zitten duikt die vergelijking, niet altijd in de meest chique bewoordingen, weer op. Tijdens een demonstratie tegen de nieuwe coronawet liepen er kinderen rond met jodensterren, de voorman van Viruswaarheid Willem Engel vergeleek met droge ogen de maatregelen tegen corona met de jodenvervolging, en de ministers uit de ploeg van Rutte-III worden uitgemaakt voor landverraders.

Alle reden om bij deze groteske vergelijking uit de buurt te blijven.

De pest

Al meer dan zeventig jaar oud, en opnieuw een literaire hit. Het overkwam De pest van schrijver en filosoof Albert Camus dat afgelopen maart opdook in bestsellerlijsten- Van Japan tot Italië, en in eigen land. De dystopische roman uit 1947 speelt zich af in de Algerijnse stad Oran, waar de pest uitbreekt. ‘Ook al wordt het boek doorgaans beschouwd als een allegorie voor de Franse ervaring van de nazi-bezetting gedurende de Tweede Wereld Oorlog, kun je momenteel geen relevanter boek bedenken’, verklaart hoofdredacteur van Penguin classics Jess Harrison het succes van De pest in The Guardian. Ook het Belgische blad Knack ziet louter gelijkenissen tussen de wereld zoals beschreven in De pest, en de huidige pandemie waaronder ‘het gescheiden worden van geliefden, de strijd die artsen en verpleegkundigen leveren, het wekelijks bijhouden en verkondigen van het aantal slachtoffers, de manier waarop mensen omgaan met hun isolatie en de onderlinge solidariteit en zelfopoffering.’

En toch verdient de parallel tussen oorlog en pandemie aandacht, al is het maar omdat deze ook voorkomt in het werk van een van de grootste chroniqueurs van de epidemie : Albert Camus, in zijn fameuze roman De pest . Hij schrijft: ‘Er zijn in de wereld evenveel pestepidemieën geweest als oorlogen, en toch zijn de mensen op beide even weinig voorbereid.’ Volgens Camus kenmerken beide grote ontwrichtende gebeurtenissen, de oorlog en de epidemie, zich door het feit dat mensen zich eenvoudigweg niet kunnen voorstellen dat ze daadwerkelijk zullen uitbreken. En als de rampspoed dan tóch uitbreekt, kunnen we ons niet voorstellen dat het lang zal duren. Zo iets onwerkelijks en stompzinnigs, dat zal wel snel voorbijgaan… En dat brengt een groot deel van de stadgenoten in De pest tot het doen alsof er niet aan de hand is: ‘Onze stadgenoten waren niet schuldiger dan anderen. Ze vergaten bescheiden te zijn, meer niet, en ze gingen ervan uit dat plagen onmogelijk waren en dat alle wegen dus nog voor hen openstonden: ze bleven gewoon zakendoen, organiseerden reizen en hielden er meningen op na. Waarom zouden ze ook denken aan de pest, die een eind maakt aan de toekomst, aan reizen en aan discussies? Ze meenden vrij te zijn, maar niemand zal ooit vrij zijn zolang er plagen bestaan.’

De pest speelt in de jaren veertig in een stad in Algerije. Camus schrijft het tijdens de oorlog, die hij grotendeels gescheiden van zijn familie doorbrengt. De auteur gebruikt een door de pest geteisterde stad als metafoor voor een volk tijdens de bezetting. Belangrijke passages zijn het moment dat de stadspoorten sluiten en iedereen die binnen de poorten is - ook de toevallige passanten - daar noodgedwongen maandenlang zullen verblijven; en het weer openen ervan aan het einde. Deze hermetische scheiding tussen binnen en buiten de poorten is een existentiële sleutel in het verhaal. Door het leven van de stadsbewoners van een ‘buitenwereld’ te ontdoen belicht Camus de zinloosheid en de betekenisloosheid die mensen kunnen ervaren als ze volledig overgeleverd zijn aan zichzelf en hun nabije omgeving. Er is geen buiten en geen elders. Geen toen en geen straks. Er is alleen maar dat ene, lange uitgerekte moment, de isolatie. Wat heeft ons bestaan dan te betekenen, ontdaan van verleden en toekomst, ontdaan van een buitenwereld en dus van elke vlucht uit het hier en nu? Kunnen wij betekenisvol leven in die microkosmos? Hoe houden we het met elkaar uit? Dat is het onderzoek van Camus.

Daan Roovers, Denker des Vaderlands. Beeld Hollandse Hoogte / Maartje Geels
Daan Roovers, Denker des Vaderlands.Beeld Hollandse Hoogte / Maartje Geels

We gaan weer terug naar onze eigen tijd. Hoe dan wij het nu, in onze eigen quarantaine?

Nu ons venster op de wereld in toenemende mate door sociale media wordt bepaald, en we door de lockdown meer tijd dan ooit hebben om daar doorheen te turen, valt op dat de aanvankelijke saamhorigheid uit de begindagen is omgeslagen in argwaan, ongeduld en polarisatie. En de effecten daarvan zijn rechtstreeks zichtbaar. Mediawetenschapper Marc Tuters van de Universiteit van Amsterdam, liet zien dat er direct na het strenger worden van de maatregelen een aanzwellende stroom van berichten gerelateerd aan complottheorieën opduikt. Dat is een bekend patroon, dat we ook kennen van de Spaanse Griep aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Al waren er toen nog geen superverspreiders zoals YouTube en Instagram.

De voedingsbodem is duidelijk: wanneer er veel onzekerheid in de samenleving is en we tegelijkertijd in sterke mate afhankelijk worden van autoriteiten - politici en wetenschappers - die voor ons duiden én bepalen hoe we ervoor staan en wat onze bewegingsruimte is, dan groeit de weerzin en het verzet daartegen. Het is de humus voor de alternatieve waarheidsclaim: covid is een hoax. Die alternatieve theorie is over het algemeen eenvoudiger en omvattender dan de modderige realiteit, doortrokken van argwaan tegen de elites en, zeer kenmerkend, een groot verhaal dat op het oog zeer verschillende gebeurtenissen met elkaar verbindt en in één klap verklaart. (Mijn journalistieke instinct zegt altijd bij dit soort verhalen: als iets te mooi is om waar te zijn, dan is het meestal ook niet waar…)

De sterke aantrekkingskracht van zeer onwaarschijnlijke theorieën is misschien niet verwonderlijk als een open en dynamische samenleving min of meer zomaar ineens verandert in een cultuur van afstand en isolatie. Waar tot voor kort netwerken, contacten en bijeenkomsten de kern van een bloeiend en succesvol bestaan waren, zijn deze zelfde elementen nu gevaarlijke besmettingshaarden geworden. We zijn gedwongen ons terug te trekken en zitten grotendeels thuis. Het eindeloze thuiswerken, en de beperkingen van sociaal en fysiek contact breken ons op. We zijn allemaal een soort monniken geworden, maar op geen enkele manier hier nog op gebouwd of op voorbereid.

Zelf was ik de dag dat ik deze lezing voordroeg, vrijdag 6 november, voor het eerst weer buiten, na twee weken met mijn drie gezinsleden op een Amsterdamse bovenwoning te hebben gebivakkeerd. Dat is een huis vol boeken en muziek, maar toch kon ik er moeilijk rust vinden. Van verschillende kanten kreeg ik waardevolle aanbevelingen - ‘do not count the days, make the days count’ (‘tel niet de dagen, maar laat de dagen tellen, belangrijk zijn’) - maar dat mocht amper baten. Net als ik me weer eens wilde verdiepen in een boek, dwaalden mijn gedachten af naar, ja, naar wat? Naar de laatste update van het RIVM, naar het boodschappenlijstje voor de buren, naar de Amerikaanse verkiezingen. De 17de-eeuwse Franse filosoof Blaise Pascal heeft gelijk: mensen hebben grote moeite om gewoon rustig in hun kamer te blijven zitten. En zelfs als ze daartoe veroordeeld zijn, dan nog is de belangrijkste gedachte: hoe kan ik hier weg?

We delen dat onvermogen met de vele, vele generaties die aan ons voorafgingen. De middeleeuwse monniken die, om gehoor te geven aan hun religieuze roeping, zélf kozen voor eenzame opsluiting in een karige cel, hebben dit verschijnsel ook bij zichzelf waargenomen en bestudeerd. Ook zij hadden moeite niet ten onder te gaan aan lusteloosheid. Midden op de dag, als de zon het hoogst aan de hemel stond, werden ze overvallen door acedia, een vreemde combinatie van lusteloosheid, ongerichte angst, desinteresse, verveling en het onvermogen om je te concentreren.

Zelfs in de eenzame isolatie van hun cel, zonder enige afleiding, kon de monnik zich niet concentreren op zijn religieuze opdracht. Zijn geest dwaalde af. Naar elders, naar buiten, naar de wereld die op dat moment niet bereikbaar voor hem was. In de acedia, de lusteloosheid, verafschuwen we wat er is, de grenzen eraan, de plaats, het hele bestaan dat ons gevangen houdt. Middeleeuwse monniken, onder wie Evagrius van Pontus, Johannes Cassianus en Thomas van Aquino waren meesters in het beschrijven van de psychologische kwellingen van hun eenzame opsluiting. Het onvermogen om je te concentreren op je boek, bij elke zin naar buiten kijken, het voortdurend afdwalen van de geest (evagatio mentis), zinloze lijstjes maken in je hoofd…. Het heeft prachtige teksten opgeleverd over hoe deze monniken zichzelf trachtten te bevrijden, te trainen en te verbeteren.

Acedia is een demon, een kracht die je overvalt, aldus deze auteurs, en dan nog wel een heel brutale demon, die overdag zijn werk doet, in het helle zonlicht, als op het eerste oog niets je zou hoeven te weerhouden om je toe te leggen op je taken. Het woord is afgeleid van het Griekse woord a-kedos, wat apathie of onverschilligheid betekent. Acedia is niet zomaar lusteloosheid, het gaat om een onthechting die lusteloos maakt. Elke afleiding, hoe onbenullig hoe gering ook, is meer dan welkom. Elke prikkel van buiten die je een zekere focus biedt, geeft verlichting. Zelfs een conflict is een uitkomst. Of, zoals onze 11-jarige zoon een paar dagen geleden zei, na een kleine woede-uitbarsting op dag 4 van de quarantaine: ‘Het is niet dat ruzie leuk is, maar je doet tenminste iets.’

Vooral dat onvermogen om je concentreren, terwijl je wel de tijd hebt om je te wijden aan datgene wat je je hebt voorgenomen, is kenmerkend. We, of, laat ik voor mezelf spreken, ik laat me snel en voortdurend afleiden door al wat voorbij komt, ook online. Nieuwsberichten, nieuwe cijfers, duidingen. Het is een continue stroom aan afleiding die een korte concentratiespanne geeft op het laatste bericht of de laatste grafiek, maar zeer sterk afleidt van datgene waarop je je echt zou willen concentreren.

Het is de demon van eenieder die aan zichzelf, en aan zichzelf gestelde taken is overgeleverd. We willen eruit.

Ik denk dat de acedia een grondtrek van de huidige onrust beschrijft. We lopen zinloze rondjes in hetzelfde verblijf en wachten tot de hekken weer opengaan en we weer kunnen gaan en staan waar we willen, de vrijheid tegemoet. Maar in plaats van rust te vinden dwaalt onze geest af, van de ene associatie naar de andere, en vallen we ten prooi aan verbositas (breedsprakigheid) en curiositas (oppervlakkige nieuwsgierigheid).

In dat licht bezien zijn de huidige hevige meningenstrijd, de polarisatie en de toegenomen belangstelling voor en de aantrekking tot complottheorieën niet het primaire probleem, maar een uitvloeisel van een dieperliggende grondhouding. Het is een antwoord op de door velen ervaren ongerichte, angstige onrust. Die kan zich uiten op verschillende manieren.

Angst en onzekerheid

Een van de manieren om de demon van het middaguur te bestrijden is vluchten. Weg willen uit je cel. Uitbreken uit je isolement. De monnik die zijn toewijding verliest en naar buiten vlucht. In De pest wordt dit gesymboliseerd door de journalist die per ongeluk in de stad is als de poorten sluiten en wekenlang bezig is om het voor elkaar te krijgen dat hij toch, als enige, de stad mag verlaten. In onze coronatijd is het denk ik de luidruchtige manier van aandacht zoeken via #ikdoenietmeermee of andere vormen van manifeste weerstand tegen of ontkenning van de viruspandemie. Het is de weg van nee zeggen tegen een realiteit die je weliswaar weg leidt van het ongewenste heden, maar geen enkele richting geeft naar een meer wenselijke bestemming. Het is de realiteit afwijzen, zonder een nieuw perspectief toe te laten: niet hier zijn, nee zeggen, punt. De Trotzphase (koppigheidsfase), noemen de Duitsers dat, en ik heb nooit een woord gehoord dat die houding beter beschrijft.

De tweede, nog veel glibberige weg, is de ongerichte angst die gepaard gaat met acedia omzetten in een gerichte angst. Of preciezer: van de angst een vrees maken. Dat het leven in een wereldwijde pandemie - of misschien ook: met die andere ramp die aan de horizon onherroepelijk opdoemt, die van het klimaat - angst en onzekerheid met zich meebrengt, lijkt me eerlijk gezegd eerder een gezonde dan een ongezonde reflex. Om die angst hanteerbaar te maken kan het vruchtbaar lijken een vage en abstracte angst voor economisch verval of een onzichtbaar virus om te zetten in een meer concrete angst: angst voor een zichtbare vijand, Mark Rutte, Bill Gates, of een chip. Dat geeft richting en houvast.

Deze twee contraproductieve manieren om onrust te bezweren, bewerkstelligen naar mijn idee eerder een pervertering van de lusteloosheid, dan dat ze haar weerwoord bieden. Hoe kunnen we deze richtingloze rusteloosheid bestrijden? Misschien kunnen we ons mentaal beter wapenen met een iets beter inzicht in onze situatie.

Het eerste inzicht is dat dit geen nieuw probleem is, maar een verergering, een uitwas van een grondstemming die ons al langer vergezelt en altijd op de loer ligt: de acedia. Het is van belang te onderkennen dat deze lusteloosheid en de angst die ermee gepaard gaat niet toe te wijzen zijn aan een bepaalde situatie of een persoon. Het is niet de schuld van iemand, en het heeft dus ook geen zin om al je opgebouwde agressie te richten op een kabinet, een maatregel of een vlogger. Wij liggen in eerste instantie met onszelf overhoop - niet met de ander.

Een tweede gedachte die ons kan helpen is wat de Rotterdamse filosoof Awee Prins schrijft in zijn prachtige studie over verveling - jaren geleden, toen we nog nooit van corona hadden gehoord. Verveling is de ‘onderdrukte grondstemming van deze tijd’. Volgens Prins is er in deze tijd, de tijd vóór corona, veel te beleven, maar we hechten aan weinig. We lijden aan een ‘overvolle leegte’. En in plaats van op zoek te gaan wat die verveling betekent, wat die ons te zeggen heeft, ontwijken we deze liever.

De quarantaine confronteert ons met iets wat er al was, en wat bij ons hoort: de trage verveling. En mogelijk is ook dat, ten derde, een lichte opluchting. Velen ervaren deze taaie stemming nu, en het onvermogen om er iets mee te doen.

Eerder dan de breedsprakigheid en de oppervlakkige nieuwsgierigheid die het gevolg zijn van onze grondstemming als kernprobleem te bestempelen, moeten we ze beschouwen als uitvloeisel van een fundamenteler tekort: het onvermogen om het op klaarlichte dag met onszelf uit te houden.

Dat brengt mij terug bij Camus, die niet alleen in De pest, maar ook in De mythe van Sisyphus voortdurend deze kale, onbarmhartige werkelijkheid thematiseert. De mens is alleen, in een verder onverschillig universum. Net als in de afgesloten stad, Oran. De afgesloten stad is de laboratorium-opstelling van de samenleving, de quarantaine is de incubator van mens-zijn; proefopstellingen waarin we onszelf leren kennen.

Wat we van De pest kunnen leren is, denk ik, dat elke overwinning een tijdelijke is, en nooit definitief. We denken een gevecht te voeren tegen een virus, maar we strijden vooral in en met onszelf, tegen een diepe verveling en onthechtheid. Dat is wat ons mens maakt, zou Camus zeggen. Dat is de strijd die we allen gedurende ons leven te leveren hebben, en dat zou ons ook mild moeten stemmen. Een beetje jegens onszelf, en vooral ook jegens anderen.

Tot slot. Ik sluit af met de meest hoopvolle boodschap uit De pest, die doorklinkt in de woorden van dokter Rieux, die aan het einde van het boek, als de pest is overwonnen, besluit om dat wat hij heeft meegemaakt op te schrijven als herinnering aan de afgelopen maanden. Zodat hij, zo schrijft Camus, ‘heel eenvoudig kon doorgeven wat je van plagen kunt leren, namelijk dat er in de mens uiteindelijk meer te bewonderen, dan te verachten valt’.

Daan Roovers

Daan Roovers is filosoof en was tot 2015 hoofdredacteur van Filosofie Magazine. In 2019 werd Roovers benoemd tot Denker des vaderlands. Deze tekst sprak zij uit tijdens de Van Der Leeuw-lezing, afgelopen 6 november in de Martinikerk, als co-referent van schrijver Marion Bloem.

Meer over