De geschriften Liezi

Insectjes op de wimpers van muggen

Leenhouts Mark

Als bijna alle sinologen ter wereld ken ik de eerste regels van wijsgeer Mencius uit mijn hoofd: Mencius verscheen op audiëntie bij koning Hui van Liang. 'Oude heer,' zei de koning, 'duizend mijlen vond u niet te ver, u komt mijn land vast voordeel brengen.' Waarop Mencius zei: 'Wat praat u van voordeel, sire? Ik breng menselijkheid en plichtsbesef, meer is er niet.'

Vanwege zijn heldere taal is Mencius al decennialang de ideale beginnerstekst voor alle lessen klassiek Chinees, het Chinese Latijn. Tegelijkertijd geeft dit ene citaat meteen al de kern - en de stijl - van zijn denken weer.

Menselijkheid en plichtsbesef: het zijn de pijlers van het confucianisme, en dat is deels te danken aan deze meester Meng, zoals hij in het Chinees heet, die in de 4de eeuw v.Chr. een leerling was van de kleinzoon van Confucius, meester Kong. Lang gold hij niet als een vooraanstaand filosoof, maar in de 12de eeuw werden zijn geschriften met die van de Grote Wijze samengesmeed tot het neo-confucianisme, dat vervolgens tot in de 20ste eeuw als staatsleer werd gepropageerd.

Gezien zijn belang is het dus eigenlijk raar dat Mencius nu pas volledig en direct in het Nederlands is vertaald, door emeritus hoogleraar Karel van der Leeuw. Of toch niet? Het confucianisme is in het Westen nooit zo erg in trek geweest, geassocieerd als het wordt met strenge regels.

En het moet gezegd: de teksten van Mencius hebben vaak het belerende toontje dat daarbij past. In het bovenstaande citaat wijst hij de koning al meteen fel de les, waarna hij vervolgt met de redenering: als de koning alleen aan zijn eigen voordeel denkt, dan zullen zijn ambtenaren en het gewone volk dat ook doen .

Geen speld tussen te krijgen. Minder dor is Mencius als hij dat 'goede voorbeeld geven' verder uitwerkt, in een al even beroemde passage over koning Xuan. Deze koning zag hoe een koe naar de offerplaats werd gesleept en kon plotseling de 'angstige uitdrukking' van het dier niet verdragen. Voor Mencius is dit nu precies wat menselijkheid inhoudt: het niet kunnen verdragen van het leed van anderen. Na een levendige dialoog besluit hij dat de koning dit gevoel alleen nog maar hoeft uit te breiden naar zijn hele volk, en 'het hele rijk kan in zijn palm worden rondgedraaid' .

Afgezien van die politieke toepasbaarheid, vormt het 'niet kunnen verdragen' ook de bredere grondtoon van Mencius' leer. Hij geloofde dat de mens van nature goed was, en het mededogen voor dieren, maar ook voor zuigelingen, was daarvan de kiem. Een kiem die echter nog wel gecultiveerd moest worden tot een echte deugd, door opvoeding en onderwijs. Je kunt Mencius dan ook beslist een moralist noemen, net als de confucianisten die het tegendeel betoogden, dat de mens door cultivering van zijn slechte natuur moest worden afgeholpen.

Regelrechte zedenprekers waren de confucianisten in de ogen van de taoïsten, hun traditionele tegenhangers, die het gekissebis over goed en slecht altijd geamuseerd hebben gadegeslagen. Voor hen geen moralisme maar relativisme - iets wat ook de hedendaagse westerling meer aan lijkt te spreken. Het grootste boek van het taoïsme, dat van Zhuangzi, meester Zhuang, beleefde in 2007 herdruk op herdruk. Onlangs verscheen De geschriften van Liezi , meester Lie, bezorgd door Jan De Meyer.

Liezi en Zhuangzi zijn nauw aan elkaar verwant, men zegt zelfs dat delen van Zhuangzi's boek naar dat van Liezi zijn overgeheveld. Afijn, de taoïsten doen toch al niet zo aan persoonsverering: aartsvader Laozi (Lao Tse) is een schimmige legende en Zhuangzi moet een gewone lakschilder zijn geweest. Of sommige teksten nu van Zhuangzi zijn of niet, Liezi geeft er altijd een eigen, praktische draai aan: hij is meer gericht op 'levenskunst' dan op puur denken en literair vernuft. Dat maakt hem toegankelijker dan Zhuangzi, maar vergeleken met Mencius zijn zijn soms onwaarschijnlijke parabels wel even schrikken. In plaats van een angstige koe voert Liezi bijvoorbeel

d een soort minuscule insectjes op die in zwermen samentroepen op de wimpers van muggen, 'zonder dat de muggen er iets van merken'! Toch waren er twee meesters die, na maanden vasten in de Lege Grot, de diertjes voor zich zagen 'als de hellingen van de berg Song' en ze hoorden 'als het geratel van de donder'.

Het klinkt kolderiek, maar het laat zich allegorisch lezen. De boodschap is dat de mens moet ophouden verschil te maken tussen 'groot' en 'klein', en bij uitbreiding tussen alle menselijke categorieën: goed en kwaad, nuttig en nutteloos, enzovoort. Want al die indelingen verwijderen de mens van de natuur, waarin dit soort principes helemaal niet bestaan. Proberen één te worden met de natuur is de weg naar de vrijheid, en vandaar dat Liezi onze levensvragen niet beantwoordt met strenge voorschriften à la Mencius, maar met een advies als: 'Ruim eerst die principes van je maar eens op, dan praten we verder!'

Hoe je dat doet? Het 'maanden vasten in de Lege Grot' wijst erop dat uiterste concentratie om je geest leeg te maken de enige manier is. Al kun je ook een voorbeeld nemen aan de dronkenlap, die van de kar valt zonder zijn botten te breken; zijn geest is immers ook leeg, en zijn lichaam daardoor onaantastbaar. Maar voor de moderne mens is het lezen van Liezi zelf al een meditatieve oefening. Want Liezi doet niets anders dan je bestoken met voorbeelden, totdat je vanzelf doordrongen raakt van die bevrijdende relativiteit.

Zo zijn er veel passages over droom en werkelijkheid. Wie is er gelukkiger, een baas die elke nacht droomt dat hij een knecht is, of een knecht die in zijn dromen altijd de baas is, en zo toch zijn halve leven genietend doorbrengt? Voor een taoïst zijn je wakende en slapende leven namelijk beide even waar of illusoir: de kunst is alleen om ze in balans te brengen. Als de baas zijn knecht overdag wat beter behandelt, voelt hij zichzelf in zijn dromen ook wat beter. De berusting die daaruit spreekt, brengt het taoïstische aanvaarden van de natuur ook in verband met het je schikken in je lot - die niet altijd begrepen oosterse wijsheid die Liezi hier wat verder uit de doeken doet.

Het lijkt wel of confucianisten en taoïsten behalve verschillende lezers ook verschillende vertalers aantrekken. Van der Leeuws Nederlands is helder, maar wat stroever, voorzichtiger dan dat van literair vertaler De Meyer. Ook De Meyers inleiding heeft iets meer schwung: op de uitgebreide filologische commentaren na schildert De Meyer het antieke intellectuele leven alsof hij er zelf bij was. Mencius mag minder populair zijn maar toch horen hij en Liezi bij elkaar. Het ideaal van veel Chinezen is niet voor niets je sociale en spirituele leven in harmonie te brengen: confucianistisch van buiten zijn, en taoïstisch vanbinnen. Mooi dus dat we beide wijsgeren nu in het Nederlands hebben.

Meer over