Achtergrond150 jaar Bijenkorf

De geschiedenis van de Bijenkorf volgens de dames die er werkten. ‘Ik begrijp dat Bijenkorf-medewerkers intimiderend kunnen overkomen’

Liesje Vas Diaz.Beeld Eva Faché

De Bijenkorf bestaat 150 jaar. Werken bij de warenhuisketen heeft veel aanzien, hoewel het ook zwaar kan zijn. Wat maakt het dan anders? Zes medewerkers vertellen over hun geschiedenis met de winkel.

Wie een Bijenkorf-filiaal binnenloopt, kan zich ietwat overweldigd voelen. Glanzende wanden en vloeren, luxueuze parfumflacons waar een bloemige odeur van afkomt, hooggeprijsde kleding, zorgvuldig geëtaleerd. En dan zijn daar natuurlijk de verkopers, die nadrukkelijk oogcontact maken. ‘Ik begrijp wel dat Bijenkorf-medewerkers intimiderend kunnen overkomen’, zegt voormalig verkoopster Sandra van der Woude. ‘Hier werken brengt een bepaald air met zich mee.’

De Bijenkorf bestaat dit jaar 150 jaar. Het warenhuis, dat begon als kleine fourniturenwinkel in Amsterdam, heeft zich van meet af aan op klanten uit ‘hogere kringen’ gericht, zo valt te lezen in het in maart verschenen jubileumboek De Bijenkorf 150 jaarDe geschiedenis van een iconisch warenhuis. Het imago van de Bijenkorf werd met de overname door investeringsmaatschappij Selfridges in 2011 nog eens versterkt. Het Britse bedrijf voerde nieuwe trainingen in, bracht nog luxere merken binnen en richtte zich zo nog sterker op het hoge marktsegment. Onderdeel van deze strategie was een forse sanering: vijf vestigingen hebben sinds 2012 hun deuren gesloten. Ook heeft het bedrijf nog meer het accent gelegd op de zogenoemde ’premium experience’, een optimale service verstrekt door intensief getrainde medewerkers.

Binnen de Bijenkorf zelf wordt het personeel veelvuldig geprezen. De medewerkers zouden de redding van het concern zijn geweest tijdens de twee wereldoorlogen en meerdere financiële crises. Ondanks de grandeur en het aanzien blijft het werk op de winkelvloer zwaar, met lange uren op de been en geen hoog salaris. Wie zijn deze gezichten van de Bijenkorf, en hoe hebben zij de veranderingen die het concern de afgelopen decennia doormaakte ervaren? Zes verkoopdames uit verschillende perioden uit de geschiedenis van de Bijenkorf vertellen over hun vak, het publiek dat ze bedienen en het ‘Bijenkorf-gevoel’.

Liesje Vaz Dias (81) werkte tussen 1969 en 1973 op de fourniturenafdeling in Amsterdam.

‘De Bijenkorf had in de jaren zestig en zeventig niet per se de hoogste kwaliteit of status. Gerzon in Rotterdam en Maison de Bonneterie in Amsterdam, de belangrijkste concurrenten, waren prestigieuzer. De Bijenkorf was voor de opkomende middenklasse. En toch had het een zekere status om er te werken, het beroep van Bijenkorf-verkoopster werd bewonderd. Misschien dacht het publiek dat het veel voorstelde, dat niet zomaar iedereen aangenomen werd. Die achting is waarschijnlijk alleen maar meer geworden, omdat de concurrenten de afgelopen jaren zijn weggevallen en dat betere publiek nu naar de Bijenkorf gaat.

‘Het leek aan de buitenkant meer dan het was. Het werk was simpel: de afdeling ordelijk houden en de klanten aanspreken. Het was in die periode minder gebruikelijk om als vrouw te werken. Je mocht over het algemeen blij zijn als je er niet werd uitgetrapt als je trouwde of kinderen kreeg. Ze lieten bij de Bijenkorf weten dat ze er niet te veel van wilden merken. Vrij vragen om je kinderen op te halen kwam niet in je op. En een broek dragen was uit den boze.

‘Elke afdeling had haar eigen chef. Je had, gebaseerd op ervaring en talent, een ‘eerste verkoopster’ en dan een ‘tweede verkoopster’. Je hielp de mensen in die volgorde. Zo zorgde je ervoor dat de mensen zo veel mogelijk door de beste personen werden geholpen, maar het was daardoor ook hiërarchisch.

‘We waren in de jaren zestig in Nederland nog niet zo op merken, veel mensen maakten hun kleding nog zelf en kwamen hier voor de benodigdheden. Het allerbelangrijkst was de service, die was toen beter dan nu. Wij liepen altijd met de klanten mee naar de afdeling waar ze moesten zijn en vertelden over de specifieke materialen. De jonge meiden van nu interesseert het volgens mij geen bal of ze iets verkopen. Dat komt ook doordat ze geen provisie meer krijgen. Wat je er ook van vindt, provisie werkt wel, al is het maar een paar tientjes per maand.

‘Ik voel me niet meer zo thuis in de Bijenkorf hier in de stad, met al die shop-in-shops (een winkel van een bepaald merk, bijvoorbeeld Louis Vuitton, in de Bijenkorf, red.). Het is verschrikkelijk duur geworden, als gewone gepensioneerde hoef je er niet meer te komen.’

Sandra van der Woude.Beeld Eva Faché

Sandra van der Woude (52) was in de jaren negentig eerst stagiair visual merchandising in Amsterdam en vervolgens verkoopster in Rotterdam, afdeling lederwaren.

‘Wat de Bijenkorf zo bijzonder maakt voor veel mensen is, denk ik, dat meerdere generaties er hebben gewinkeld. Het is nostalgisch, je kwam er al als klein kind. En ook al koop je er niets, je neemt de Bijenkorf altijd mee op je winkelroute.

‘In mijn tijd werd er veel gelet op visual merchandising, dus op hoe alles erbij lag en eruitzag, in de hoop meer te verkopen. Als stagiair dacht ik mee, reisde af naar de verschillende filialen en bekeek of ze wel mooi en netjes etaleerden. Ik heb ook kennissen die bij de V&D hebben gewerkt, dus ik weet dat ze daar een voorbeeld namen aan de etalages van de Bijenkorf. Ook de inkoop was hier een andere tak van sport dan bij concurrenten: er werd meer rekening gehouden met de laatste trends.

‘De leidinggevenden lieten je je belangrijk voelen. Ik werd serieus genomen, bijvoorbeeld toen ik ze op dat statige hoofdkantoor uitnodigde om een training van mij te volgen. Maar je haalde ook eer uit het feit dat je veel productkennis had. Bij mijn afscheid kreeg ik nog een lange, handgeschreven brief van een begeleider.

‘Op de verkoopvloer keken de oudere verkoopdames wel neer op ons, de jongere dames die in de weekenden werkten. Ze waren kritisch op elkaar. Ze bepaalden ook hoe wij werkten, bijvoorbeeld hoe we alles moesten neerzetten, hoe en wanneer we iemand dienden aan te spreken.

‘Sommige klanten hadden een goudkleurige klantenkaart, dan wist je de naam en hoe vaak ze kwamen winkelen. Die klanten waren wel veeleisend. Op zaterdag kwam er ander publiek, ook meer uit de lagere klassen. Er was daardoor ook een andere dynamiek. Het was drukker, maar met meer kijkers dan kopers.

‘Tijdens de jaarlijkse Drie Dwaze Dagen was het een gekkenhuis. Je had een lange rij voor de ingang, spreeksters bij aanbiedingen die om het uur veranderden. De mensen liepen bijna over elkaar heen. En aan het einde van de dag gingen ook wij kruipend naar huis. Voor deze dagen werden producten speciaal ingekocht. Je liet op die dagen de kwaliteit wel los. Ik denk dat ze daarom hebben besloten ermee te stoppen.

‘Je hoort weleens dat klanten de verkopers intimiderend vinden, dat snap ik wel. Het spreekt ook zo tot de verbeelding, de mooie winkel, de mooie producten. De drempel om er te winkelen was destijds wel lager dan nu, vanwege de hoge prijzen. Maar ik weet dat iedereen gelijk wordt behandeld, daar letten we toen wel op. Je weet namelijk nooit wie écht geld heeft.’

Gertie van Driel.Beeld Jan Stoeltie

Gertie van Driel (66) is 39 jaar werkzaam geweest bij de Amsterdamse Bijenkorf. Ze werkte het langst op de kinderafdeling. Ze is sinds kort met pensioen.

‘Mijn ouders motiveerden mij om te solliciteren bij de Bijenkorf, omdat het een stabiele werkgever zou zijn. ‘Je kunt er tot aan je pensioen werken’, zeiden ze, en dat is ook gebeurd. Ik heb geen dag zonder zin gewerkt. We gaven echt om elkaar, als collega’s, en er is niets zo leuk als service bieden.

‘In 1983 dreigde de Bijenkorf failliet te gaan. We waren teleurgesteld in de directie, die veel geïnvesteerd had in hun nieuwe hoofdkantoor in de Bijlmer, maar niet dacht aan het ‘pimpen’ van de winkels zelf. We zijn toen met alle collega’s de barricade opgegaan, een actie vanuit de ondernemingsraden. Het was een emotionele dag. Heel Nederland steunde ons. Albert Mol kwam nog meehelpen op de vloer. We hebben een recordomzet gedraaid. De mensen in de top leerden ons weer waarderen.

‘Je voelt je heel sterk het gezicht van de Bijenkorf. Dat komt ook doordat je de kleine kinderen van de klanten ziet opgroeien, die nieuwe generaties komen bij je terug. Jij wordt een bekend gezicht voor ze en zo krijg je je eigen klantenkring. Sommige klanten vonden het zo jammer dat ik wegging dat ze afscheid kwamen nemen.

‘Toen we moesten sluiten wegens het coronavirus, ben ik geschrokken. We moesten alles inpakken in plastic, tegen de motten en de muizen. Het was net een spookhuis. Nu moet alles in de sale, want de nieuwe collecties komen er alweer aan.

‘In die 39 jaar is er veel veranderd. Sommigen klagen over de nieuwe koers van de Bijenkorf, maar ik vind het juist een positieve ontwikkeling. Sinds Selfridges de Bijenkorf overnam, zijn we veel moderner geworden. De jongeren van nu willen logo’s zien. Er zijn ook meer toeristen gekomen, maar wat is daar mis mee?

‘De doelgroep weet dat het een luxe plek is, dus veel slonzige mensen zie je niet. We stapten op iedereen af, iedere klant moet zich welkom voelen. Sinds ik er werkte zijn de merken duurder geworden, maar de service is uiteindelijk juist toegankelijker, want beter.’

Lydia en moeder Tineke van der Meer.Beeld Eva Fache

Lydia (49) en moeder Tineke van der Meer (72) werkten beiden in het Utrechtse filiaal. Lydia van 1989 tot 1993 op de herenafdeling en in het café, Tineke van 1987 tot 2008 (voornamelijk) op de woonafdeling.

Tineke: ‘Ook in de jaren tachtig was de vloer niet vrij van seksisme. Een mannelijke leidinggevende nam bijvoorbeeld geen vrouwen aan met gelakte nagels, want die zouden lui zijn. Maar inmiddels mochten dames wel een broek dragen, onderdeel van een vreselijk, ongetailleerd polyester uniform.’

Lydia: ‘Die productkennis was zo belangrijk, weet ik nog. Je moest veel weten, je werd getraind in verkooppraatjes en je moest heel dienstverlenend zijn.’

Tineke: ‘We werden ook op materiaalcursus gestuurd. Ik leerde bijvoorbeeld over dons, ging zelfs naar de donsfabriek.’

Lydia: ‘Het was heel plezierig werk, maar het was voor mij ook anders dan voor het vaste personeel dat er fulltime werkte. Dat bestond uit oudere, strenge en bekakte meneren, ik was een giechelig meisje dat het werk volgens hen niet serieus genoeg nam. De sfeer was een beetje zoals in Are you being served?. Hiërarchisch, stijfjes, eigenlijk bijna komisch.’

Tineke: ‘Toen het filiaal in Utrecht in 1987 werd geopend, voelde het voor ons als pionieren. Je begint samen aan iets nieuws en bouwt iets op, dat creëert een band. Maar je merkte ook, zo rond de crisis, dat onze taken steeds verder werden uitgehold: we hadden minder autonomie en ook minder afwisseling. We kregen allemaal één specifieke taak, waarschijnlijk om het efficiënter te maken.’

Lydia: ‘De Drie Dwaze Dagen waren hysterisch. Mensen sloegen elkaar bijna de hersens in. Wij maakten er een sport van om zo veel mogelijk kassa-aanslagen te maken. Dan had je ook nog alles wat gejat of teruggebracht werd.’

Tineke: ‘Je krijgt ook wel gekke dingen terug. Een toiletmand met urinestank, bijvoorbeeld.’

Lydia: ‘Of een mannenstring met poepvlek.’

Tineke: ‘Er was een man die altijd stiekem dameskleding ging passen in de kleedkamer, dat werd toen nog minder geaccepteerd.’

Lydia: ‘Het publiek was vroeger kakkineuzer. Nu is het wat jonger, en hipper ook.’

Daniela van der Lubbe.Beeld Eva Faché

Daniela van der Lubbe (22) werkte vorig jaar zomer op de cosmetica-afdeling in het Haagse filiaal.

‘Ik had behoefte aan een bijbaan met status, waar ik er mooi kon uitzien en waarbij ik bij thuiskomst niet naar de vismarkt of het biercafé zou ruiken. Hier werkten mensen met dezelfde hobby en dezelfde houding. We hadden geen strikte targets die we moesten halen, maar legden onszelf druk op om te verkopen.

‘Je werd als werknemer goed in de gaten gehouden. Je spreekt de gasten aan met twee woorden en draagt je naambadge aan de linkerkant, want dat is ‘boven je hart’. Je wordt door je leidinggevenden geobserveerd op je lichaamstaal: geen armen over elkaar, glimlachen, rechtop staan.

‘Als de gasten een beoordeling op de website achterlieten, dan wilden de leidinggevenden geen zevens of achten zien. Het is hard werken, uren achter elkaar op je benen staan. Je mag ook niet even ergens tegenaan leunen. Er werd tegen je gezegd: het is een bijbaan, maar je behandelt het als een fulltime baan. Na je shift diende je ook je dag te evalueren. Het klopt dat je er weinig verdient, maar ik voelde me toch verwend. Je kreeg bij goede resultaten af en toe iets extra’s, zoals als een parfum.

‘Je wordt ook wel duidelijk aangenomen op je uiterlijk. Je mag er niet te sexy uitzien, maar piercings of gebleekt haar mag allemaal wel. Er goed uitzien op je werk heeft ook een klein nadeel: mannelijke gasten die je proberen te versieren of te persoonlijke vragen aan je stellen. Ik had meerdere collega’s die werden opgewacht, bloemen toegestuurd kregen, werden gestalkt. Als nieuweling kreeg je dan ook meteen de tip niet op Tinder te vertellen waar je werkt.

‘In september komen Arabische oliesjeiks afkoelen in Europa. Ze kopen vaak meerdere parfums, van de duurste categorie. Wierookachtige, die zijn geliefd in het Midden-Oosten. Ook halen ze lekkernijen voor hun connecties - halal, natuurlijk. We mochten een taxi voor ze bellen en boven een bepaald budget zelfs meegaan tot aan het hotel als tassendrager.

‘Er waren klanten die hun make-uproutine met de testers uit het warenhuis deden. En parfumdouchers: van die mensen die een halve fles parfum leegspuiten en een poeltje in hun hand maken. Daar bemoeiden we ons niet mee. Het was inbegrepen bij de Bijenkorf-service.’

Voor het eerst gesloten

Tijdens de eerste maanden van de corona-uitbraak heeft de Bijenkorf noodgedwongen de deuren moeten sluiten en de viering van het jubileum moeten afblazen. Daarnaast heeft het de betalingstermijn voor leveranciers opgerekt naar een onwetmatige 150 dagen. Het bedrijf zou deze beslissing eenzijdig hebben genomen. Nooit eerder is het warenhuis gesloten geweest, op een halve dag tijdens de Februaristaking in 1941 na. Een deel van de klap werd opgevangen door de succesvolle webshop, die dit jaar uitbreidt naar Oostenrijk en Frankrijk.

Meer over